Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:6931

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-07-2020
Datum publicatie
28-07-2020
Zaaknummer
AWB - 18 _ 7477
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

last onder dwangsom; huisvesting arbeidsmigranten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 18/7477

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2020 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A.W.C. Fenijn),

en

het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Oosterhuis).

Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder € 180.000,- aan dwangsommen van eiseres ingevorderd.

Bij besluit verzonden op 4 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft op digitale wijze plaatsgevonden op 5 juni 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 1 februari 2017 heeft verweerder eiseres op straffe van dwangsommen gelast om binnen drie maanden het huisvesten van arbeidsmigranten en werknemers in de recreatieverblijven waarvan eiseres verhuurder is op het Recreatiepark [park] (het park), te (laten) staken en gestaakt te (laten) houden. Indien eiseres binnen de begunstigingstermijn niet aan de last voldoet, is zij een eenmalige dwangsom van € 20.000,- verschuldigd per recreatieverblijf, waarin het huisvesten van arbeidsmigranten of werknemers niet is gestaakt.

1.2.

Bij controles van een toezichthouder van de gemeente Zuidplas op 13 maart 2018, 27 maart 2018 en 10 april 2018 is vastgesteld dat eiseres in negen recreatieverblijven op het park arbeidsmigranten en werknemers (laat) huisvesten. Bij het primaire besluit heeft verweerder daarom vastgesteld dat eiseres negen dwangsommen van elk € 20.000,- heeft verbeurd en een bedrag van € 180.000,- van eiseres ingevorderd. Eiseres heeft dit bedrag aan verweerder betaald.

2. Eiseres betoogt dat de dwangsommen ten onrechte zijn ingevorderd. Volgens eiseres is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en heeft verweerder gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Zij stelt dat zij onmiddellijk na het opleggen van de last de overtreding heeft beëindigd. Op 27 februari 2018 heeft eiseres vervolgens verzocht om opheffing van de last, maar verweerder heeft dat verzoek afgewezen. Eiseres stelt dat zij onder druk van andere partijen in strijd met de last opnieuw arbeidsmigranten is gaan huisvesten. Deze partijen hadden volgens eiseres – anders dan zijzelf – een financieel belang bij de huisvesting. Eiseres verwijst in dit verband naar de beheerder van het park, de bij de verhuur betrokken uitzendbureaus en de erfpachters en eigenaren van de recreatieverblijven. Het is volgens eiseres dan ook onterecht dat alleen bij haar dwangsommen zijn ingevorderd terwijl deze andere partijen, die volgens haar medeverantwoordelijk zijn, de dans zijn ontsprongen. Eiseres acht dit in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Eiseres voert in dit kader ook aan dat tussen verweerder en de beheerder van het park inmiddels een plan van aanpak tot stand is gekomen, waarin op voorhand wordt afgezien van handhavend optreden. Volgens eiseres blijkt hieruit dat verweerder in deze zaak partijdig handelt en het uitsluitend op haar gemunt heeft.
Eiseres betoogt voorts dat het handhavend optreden door verweerder een negatief effect heeft op de zakelijke verhuur op het vakantiepark, waardoor de toekomst van het park in gevaar komt.

Haar beroep op het vertrouwensbeginsel onderbouwt eiseres met een verwijzing naar een gesprek met de wethouder van de gemeente Zuidplas. Volgens eiseres is in dat gesprek bij haar het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat het beleid ten aanzien van het huisvesten van arbeidsmigranten zou worden gewijzigd. Eiseres stelt dat zij met het huisvesten van arbeidsmigranten op deze beleidswijziging heeft geanticipeerd, mede omdat de huisvestingsproblematiek nijpend is. Eiseres betoogt voorts dat verweerder had moeten afzien van het invorderen van de dwangsommen, omdat de winst in verband met het huisvesten van de arbeidsmigranten niet in verhouding staat tot de verbeurde dwangsommen. Indien verweerder in een eerder stadium één enkele controle had uitgevoerd, had eiseres bovendien maatregelen kunnen nemen om de dwangsommen niet zo hoog te laten oplopen.

Eiseres stelt tot slot dat werknemers binnen de Europese Unie vrije arbeidskeuze hebben, zodat verweerder de huisvesting niet praktisch onmogelijk mag maken.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

3.1.

Vooropgesteld wordt dat eiseres geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het dwangsombesluit van 1 februari 2017. Dit besluit is onherroepelijk. In deze procedure ligt daarom uitsluitend het besluit tegen de in bezwaar gehandhaafde invorderingsbeschikking voor. In de procedure tegen een invorderingsbeschikking kunnen slechts in uitzonderlijke gevallen met succes gronden naar voren worden gebracht die tegen de last onder dwangsom naar voren gebracht hadden kunnen worden. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen als evident is dat geen overtreding is gepleegd en/of de betrokkene geen overtreder is.1 De stellingen van eiseres dat handhavend optreden de (financiële) toekomst van het park in gevaar brengt omdat investeerders hierdoor worden afgeschrikt, dat verweerder ten onrechte afspraken met de beheerder van het park heeft gemaakt over handhaving in toekomstige gevallen en dat handhaving op gespannen voet staat met de vrije arbeidskeuze van arbeidsmigranten, zijn gericht tegen het opleggen van de last onder dwangsom. Eiseres had deze gronden naar voren kunnen brengen in een procedure tegen dat besluit. Van een uitzonderlijk geval dat rechtvaardigt dat deze gronden in de voorliggende procedure worden beoordeeld, is geen sprake. De rechtbank zal daarom aan deze gronden voorbijgaan.

3.2

De door verweerder aan het invorderingsbesluit ten grondslag gelegde overtredingen, zijn door eiseres niet betwist. Dit betekent dat zij op 13 maart 2018, 27 maart 2018 en 10 april 2018 in totaal negen dwangsommen heeft verbeurd. Verweerder was derhalve bevoegd om tot invordering over te gaan.

3.3

Volgens vaste rechtspraak dient bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.2 Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.3

3.4.

De stellingen van eiseres dat zij grote druk vanuit de markt ervoer om opnieuw arbeidsmigranten te huisvesten en dat zij hiermee voorzag in de oplossing van een maatschappelijk probleem, leveren geen bijzondere omstandigheden op die verweerder hadden moeten weerhouden van invordering. Verweerder heeft de beweegredenen van eiseres om in strijd met de opgelegde last te handelen, terecht voor haar rekening gelaten.

3.5

Het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Haar stelling dat ook in andere gevallen handhavend opgetreden had moeten worden, is geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan verweerder geheel of gedeeltelijk van de invordering had moeten afzien.4Overigens heeft verweerder ter zitting onbetwist gesteld dat hij naar aanleiding van de overtreding alle partijen die betrokken waren bij de huisvesting van arbeidsmigranten op het recreatiepark heeft aangeschreven en dat ook bij andere partijen die niet aan de last hebben voldaan dwangsommen zijn ingevorderd.

3.6

De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat zij erop mocht vertrouwen dat verweerder van invordering zou afzien. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat van de zijde van verweerder is toegezegd dat de huisvesting van arbeidsmigranten op het recreatiepark toelaatbaar was of dat invordering van de verbeurde dwangsommen achterwege zou blijven. De enkele, niet nader onderbouwde stelling dat zij aan een gesprek met de wethouder van de gemeente Zuidplas de verwachting heeft ontleend dat een beleidswijziging ophanden was en dat het huisvesten van arbeidsmigranten in de toekomst zou worden toegestaan, is hiervoor onvoldoende. Verweerder heeft uitdrukkelijk weersproken dat een dergelijke toezegging is gedaan en heeft toegelicht dat tijdens dit gesprek juist is benadrukt dat het beleid ongewijzigd zou blijven en dat handhaving hiervan hoge prioriteit heeft.

3.7

De rechtbank volgt eiseres tot slot niet in haar betoog dat verweerder eerder een invorderingsbeschikking had moeten nemen en niet had moeten wachten met invorderen tot meerdere dwangsommen waren verbeurd. Door in weerwil van de opgelegde last onder dwangsom in meerdere recreatiewoningen op het park arbeidsmigranten te huisvesten, heeft eiseres het risico genomen dat de voor elk van deze overtredingen verbeurde dwangsom zou worden ingevorderd. Er is geen rechtsregel die verweerder ertoe verplicht te volstaan met het invorderen van slechts één dwangsom na het constateren van de eerste overtreding. De stelling van eiseres dat de hoogte van de verbeurde dwangsommen niet in verhouding staat tot de winst die gemaakt wordt bij het huisvesten van arbeidsmigranten, is – wat hiervan verder ook zij – evenmin een bijzondere omstandigheid op grond waarvan verweerder invordering geheel of gedeeltelijk achterwege had moeten laten.

4. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de verbeurde dwangsommen in te vorderen.

Conclusie

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier. De beslissing is vanwege de maatregelen rond het coronavirus op de uitspraakdatum niet in het openbaar uitgesproken. Dit zal op een later moment alsnog gebeuren. De uitspraak wordt zo spoedig mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad (AbRvS) van State 2 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466.

2 Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115.

3 AbRvS 29 januari 2020, ECLI:NLRVS:2020:290.

4 AbRvS 9 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3728.