Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:6851

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-06-2020
Datum publicatie
05-08-2020
Zaaknummer
C-09-569838-HA ZA 19-257
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Academische opleidingseis voor actoren die kritische processtappen uitvoerden bij archeologische opgravingen en boringen in het kader van inventariserend veldonderzoek en overgangsregeling voor niet-academici die werkzaam waren in de archeologie. Invoering van deze eis, met een overgangsregeling (onder meer) in de vorm van een zogenoemd EVC-traject, is niet onrechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Zaak- / rolnummer: C/09/569838/HA ZA 19/257

Vonnis van 17 juni 2020

in de zaak van

[eiser] te [plaats] ,

eiser,

advocaat: mr. D. Dekker te Wijchen

tegen

STICHTING INFRASTRUCTUUR KWALITEITSBORGING BODEMBEHEER

te Gouda,

gedaagde,

procesadvocaat: mr. H. Lebbing te Rotterdam,

behandelend advocaat: M.B. Esseling te Rotterdam.

Partijen worden aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘SIKB’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 4 maart 2019, met producties 1 t/m 24;

  • -

    de conclusie van antwoord van 26 juni 2019, met producties 1 t/m 19;

  • -

    het tussenvonnis van 24 juli 2019 waarin een comparitie na antwoord is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van de op 21 februari 2020 gehouden comparitie na antwoord en de daarin genoemde stukken:

 de ter comparitie genomen akte vermeerdering van eis van [eiser] ;

 de door [eiser] toegezonden producties 25 t/m 36;

 de spreekaantekeningen van partijen.

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie is met instemming van partijen buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Partijen hebben gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om opmerkingen te maken bij het proces-verbaal. Hun opmerkingen behoren tot de processtukken.

1.3.

Na de comparitie na antwoord is de zaak aangehouden, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen hun geschil via een minnelijke regeling te beëindigen. Daarna hebben partijen vonnis gevraagd en is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2 De feiten

[eiser]

2.1.

is sinds zijn jeugd geïnteresseerd in archeologie. Hij heeft een Mbo-opleiding in de tuinbouw gevolgd. In 1992 is hij als vrijwilliger archeologisch werk gaan doen. Van 1993 tot 2007 heeft hij op detacheringsbasis archeologisch werk verricht bij de gemeente Nijmegen. Hij hield zich toen voornamelijk bezig met begeleiding in het veld van archeologische werkzaamheden en de registratie en uitwerking van archeologische gegevens. De eindverantwoordelijkheid voor deze werkzaamheden lag steeds bij (een van de drie) universitair geschoolde senior-archeologen die werkzaam waren bij de gemeente Nijmegen.

2.2.

Na 2007 heeft [eiser] via een detacheringsbureau andere functies vervuld, buiten de archeologie. Daarnaast verrichtte hij archeologisch werk via een uitzendbureau dat gespecialiseerd was in archeologische werkzaamheden, onder meer voor [B.V.] (hierna: [B.V.] ), die hem per 1 januari 2009 een jaarcontract heeft aangeboden. [eiser] verrichtte voor [B.V.] uitvoerend werk in het veld. Net als bij de gemeente Nijmegen, lag de eindverantwoordelijkheid voor deze werkzaamheden bij een universitair geschoolde senior-archeoloog. [B.V.] heeft het jaarcontract met [eiser] niet verlengd.

2.3.

Na 2009 heeft [eiser] nog een keer in 2011 gedurende een aantal weken archeologisch werk gedaan en heeft hij als vrijwilliger archeologisch begeleidingen gedaan. Hij heeft nadien geen werk gevonden, ook niet buiten de archeologie.

SIKB

2.4.

De statuten van SIBK vermelden (in artikel 2 lid 1) als doelstellingen onder meer:

  • -

    het bieden van een infrastructuur voor kwaliteitsborging van het milieuhygiënisch en archeologisch bodembeheer en andere aspecten van het bodembeheer en andere daaraan verwante sectoren in Nederland;

  • -

    het opstellen en beheren van normen, (certificatie-)regelingen en de daarbij te hanteren eisen op dit gebied;

2.5.

In artikel 2 lid 2 van de statuten staat dat SIKB dit doel onder meer tracht te verwezenlijken door – voor zover hier van belang:

- het opstellen van normen, alsmede grondslagen en systeemeisen voor certificatie of andere kwaliteitssystemen;

(wijzigingen in de) regelgeving voor het doen van opgravingen en andere archeologische werkzaamheden

2.6.

Op grond van artikel 39 lid 1 Monumentenwet 1988 (Monw 1988) (oud) was het verboden opgravingen te doen zonder schriftelijke vergunning van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Op grond van het tweede lid kon de vergunning worden verleend aan een rijksdienst, een instelling voor wetenschappelijk onderwijs of een gemeente. Het derde lid bepaalde dat de vergunning werd geweigerd indien – voor zover hier van belang:

“a. er grond is om aan te nemen dat de aanvrager niet bekwaam is tot het doen van opgravingen;

b. redelijkerwijze niet verwacht kan worden dat de aanvrager in staat is tot het doen van opgravingen;”

2.7.

Als gevolg van het Verdrag van Malta (ook wel: Verdrag van Valetta)1 diende de opgravingsmarkt geliberaliseerd te worden. Vooruitlopend daarop heeft de Staatssecretaris van OCW bij besluit van 12 mei 19992 de Commissie Voorbereiding Kwaliteitssysteem Archeologische Werkzaamheden (de Voorbereidingscommissie) ingesteld, die tot taak had ten behoeve van alle instellingen en personen die betrokken zijn bij uitvoerende werkzaamheden in de archeologische monumentenzorg voorbereidingen te treffen voor een door die instellingen en personen toe te passen kwaliteitssysteem voor hun uitvoerende archeologische werkzaamheden. Deze voorbereidingen dienden zich te richten op:

“a. de vastlegging van de bij de uitvoerende archeologische werkzaamheden in acht te nemen normen en werkwijzen,

b. de eisen voor een certificeringsysteem, en

c. het inventariseren van activiteiten die noodzakelijk zijn om een en ander te verwerkelijken.”

2.8.

De toelichting op dit besluit vermeldt – voor zover van belang:

“Mede in verband met het voornemen van Nederland om partij te worden bij het verdrag van Malta is het nodig om het Nederlandse archeologie bestel op een aantal punten te hervormen. Een belangrijk element daarbij is het toelaten van private uitvoerders op de markt van archeologische opgravingen. Tot op heden is die markt beperkt tot een aantal in de wet expliciet genoemde instanties. Ik heb ervoor gekozen om de verruiming van het aantal instanties dat opgravingen mag verrichten (waarvoor een wetswijziging nodig is), gepaard te laten gaan met een systeem van zelfregulering; althans met een systeem waarbij de uitvoerende (opgravende) instanties in hoge mate betrokken zijn bij het vaststellen en bewaken van de bestaande, hoge kwaliteit van het archeologisch onderzoek in Nederland.”

2.9.

In januari 2001 heeft de Voorbereidingscommissie de eerste versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) vastgesteld. Daarin waren processen beschreven, met aanduiding van de actoren die bevoegd waren deze processen zelfstandig te verrichten en te controleren. Voor de actoren werd aansluiting gezocht bij het voorgenomen beroepsregister, waarin onderscheid werd gemaakt tussen Senior, Medior en Junior Archeoloog en Senior en Junior Veldtechnicus. In de KNA werd aan alle Archeologen de eis gesteld van een academische opleiding, terwijl de Senior en Medior Archeoloog daarnaast dienden te beschikken over aantoonbare expertise en ervaring en moesten voldoen aan een publicatie-eis. De Senior Archeoloog moest voorts beschikken over management ervaring en ervaring met het opstellen van archeologische adviezen voor het bevoegd gezag.

2.10.

Bij besluit van 26 september 20013 heeft de staatssecretaris van OCW het College voor Archeologische Kwaliteit (CvAK) ingesteld, als opvolger van de Voorbereidingscommissie. De CvAK kreeg als taak – voor zover hier van belang:

“a. het beheren van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, hierna te noemen KNA, die is opgesteld door de commissie voorbereiding kwaliteitssysteem archeologische werkzaamheden (Stcrt. 1999, 237) en het periodiek informeren van betrokkenen daarover;

b. het zodanig preciseren van de KNA, dat daarop een systeem van certificering gebaseerd kan worden;

c. het op basis van de KNA voor 1 januari 2002 opstellen van criteria aan de hand waarvan getoetst kan worden of instellingen en bedrijven die archeologische werkzaamheden willen uitvoeren, daartoe geschikt zijn;”

2.11.

Op 22 oktober 2001 heeft de staatssecretaris de Beleidsregels opgravingsbevoegdheid4 vastgesteld, met beleid voor vergunningverlening aan gemeenten en instellingen voor wetenschappelijk onderwijs. Hiermee werd, binnen de kaders van de Monw 1988, toegewerkt naar de liberalisering van de opgravingsmarkt, onder meer met de mogelijkheid van het onder voorwaarden verlenen van vergunningen aan instellingen voor wetenschappelijk onderwijs en gemeenten voor bepaalde opgravingen, waarbij de opgraving werd uitgevoerd door een derde. Als voorwaarde gold dat het moest gaan om een bedrijf of instelling, waarvan aannemelijk is dat het deskundig is terzake van het uit te voeren archeologische onderzoek5 en dat:

“a. het archeologische onderzoek wordt uitgevoerd volgens de in de archeologische beroepsgroep gebruikelijke normen;

b. indien de vergunninghouder het feitelijk verrichten van de opgraving door een derde laat uitvoeren, waarborgt de vergunninghouder dat die derde daartoe aantoonbaar in staat is en dat aannemelijk is dat die derde deskundig is terzake van het desbetreffende uit te voeren archeologische onderzoek. (…) De vergunninghouder ziet erop toe dat de betreffende derde het archeologische onderzoek uitvoert volgens de in de archeologische beroepsgroep gebruikelijke normen.” 6

2.12.

De toelichting op de Beleidsregels opgravingsbevoegdheid vermeldt onder 3., onder het kopje ‘Kwaliteitsnormen voor het archeologische onderzoek’ onder meer:

“Vanuit verschillende kanten is de zorg geuit dat opening van de opgravingsmarkt ten koste kan gaan van de kwaliteit van de uitvoering van archeologisch werk. Het systeem zal dan ook op dit punt de nodige waarborgen moeten bieden.

In het concept-wetsvoorstel voor de implementatie van het Verdrag van Malta is voorzien in een toelatingssysteem tot de archeologische markt waarbij certificering een belangrijke rol speelt. In het interimbeleid wordt daar naar toegewerkt. Een belangrijke pijler daarvoor vormt de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Een commissie, geformeerd uit de diverse geledingen van het archeologische veld en door mij gefaciliteerd, heeft een handboek met kwaliteitsnormen voor archeologische verrichtingen opgesteld. Eerder dit jaar is dit handboek aan mij overhandigd.

De KNA vormt een belangrijke aanzet om de kwaliteit van het archeologische onderzoek in Nederland te borgen. Hoewel de norm nog verder ontwikkeld en meer concreet moet worden gemaakt, is het een belangrijk houvast voor uitvoerders van archeologisch onderzoek om te voldoen aan de in de beleidsregels gestelde normen. Een bedrijf dat de KNA op een goede manier hanteert, maakt immers aannemelijk dat gehandeld wordt in lijn met de normen als gesteld in deze beleidsregels.”

2.13.

Met ingang van 2004 zijn de taken en werkzaamheden van het CvAK ondergebracht bij het SIKB, dat het Centraal College van Deskundigen Archeologie (CCvD) heeft ingesteld. In het CCvD zijn archeologen uit het bedrijfsleven, de universiteiten, het Rijk en de beroepsverenigingen en ook de publieke en private opdrachtgevers, vertegenwoordigd. Het CCvD heeft onder meer als taak het ontwikkelen en actueel houden van het KNA.

2.14.

Per 1 november 2005 is een nieuw artikel 1a toegevoegd aan de Beleidsregels opgravingsbevoegdheid.7 Daardoor gold de KNA ook voor boringen in het kader van inventariserend veldonderzoek.

2.15.

In het voorjaar van 2005 is de KNA volledig herzien en aan de branche voorgelegd. In deze herziene versie zijn kritische processtappen benoemd, met vermelding van de actoren die deze processtappen mogen uitvoeren: de (senior) Prospector, de (senior) KNA Archeoloog, de Depotbeheerder en de Specialist. Deze actoren moesten allemaal een afgeronde universitaire opleiding (doctoraal of master) hebben. Deze versie 3.1 van het KNA is op 1 augustus 2006 vastgesteld.

2.16.

Ook is per 1 augustus 2006 een Tijdelijke Regeling Senior Veldtechnici ingevoerd voor een groep ervaren veldtechnici, zonder opleiding archeologie, die op grond van het KNA versie 3.1 geen kritische stappen in het veld meer mochten uitvoeren. De Tijdelijke Regeling gaf criteria en voorzag in drie verplichte cursussen voor Senior Veldtechnici die aan de inhoudelijke criteria voldeden. Na het met goed gevolg afleggen van deze drie cursussen, werden zij gerechtigd om een aantal processtappen binnen de KNA zelfstandig uit te voeren en werden zij voor deze processtappen gelijkgesteld met de KNA Archeoloog/KNA Archeoloog BA.

2.17.

Het Verdrag van Malta is geïmplementeerd in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz 2007)8, die per 1 september 2007 gedeeltelijk in werking is getreden. Hiermee is het wettelijk opgravingsmonopolie van artikel 39 Monw 1988 (oud) vervangen door een opgravingsvergunning, die werd verleend indien de aanvrager aantoont bekwaam te zijn tot het doen van opgravingen.9 De bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels ten aanzien van deze bekwaamheidseis,10 moesten waarborgen dat het onderzoek in verband met en de uitvoering van de opgravingen voldeed aan eisen van wetenschappelijke zorgvuldigheid en wetenschappelijke relevantie.11

2.18.

In de Wamz 2007 is gekozen voor een systeem van zelfregulering van de kwaliteitsvoorwaarden. De Memorie van Toelichting12 vermeldt hierover:

“Na consultatie van het veld ben ik tot de overtuiging gekomen, dat de archeologische wereld in staat moest worden geacht om zelf de nodige standaarden en normen voor – samengevat – «verantwoord archeologisch handelen» te ontwikkelen.

(…)

begin 2001 was een indrukwekkend boekwerk voorhanden, waarin de «Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie» (KNA) was vervat met feitelijke beschrijvingen van alle archeologische deelprocessen. Gedetailleerd ligt daarmee vast, welke inzet – kwalitatief en kwantitatief – voor elk van die deelprocessen aangewezen is. In een second opinion is vervolgens vastgesteld dat het ontworpen stelsel ook daadwerkelijk uitvoerbaar is.” 13

2.19.

Per 1 september 2007 is ook het op artikel 48 Monw (nieuw) gebaseerde Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz)14 in werking getreden. Artikel 17 lid bepaalt:

“Onze minister verleent de vergunning indien de aanvrager genoegzaam aantoont dat zijn organisatie zodanig is ingericht dat een goed kwaliteitsniveau van het doen van opgravingen is gewaarborgd.”

2.20.

Het tweede lid van artikel 17 Bamz bepaalt onder d en e. dat de leidinggevende een academische graad op het terrein van de archeologie dient te hebben en dient te beschikken over voldoende werkervaring. Verder bepaalt het Bamz in artikel 24 en 25:

Artikel 24

"1. Bij de naleving van de voorschriften (...) of bij het doen van opgravingen houdt de vergunninghouder zich aan de normen die in de archeologische beroepsgroep gelden voor het doen van opgravingen.

2. Indien de vergunninghouder voldoet aan een door Onze minister aan te wijzen versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie of onderdelen daarvan, is het aannemelijk dat hij voldoet aan het eerste lid.

Artikel 25

De vergunninghouder zorgt ervoor dat een ieder in zijn organisatie die zich daadwerkelijk bezighoudt met het doen van opgravingen:

a. zijn kennis en vaardigheden onderhoudt, en

b. zich bij zijn archeologische handelen laat leiden door actuele en in brede archeologische kring aanvaarde wetenschappelijke inzichten."

2.21.

De toelichting op de Bamz vermeldt onder ‘3.3. Bekwaamheidseis; criteria voor de vergunningverlening’ onder meer:

“Uitgangspunt van het onderhavige besluit is onder andere dat er verantwoord moet worden opgegraven. De wet stelt daarom de eis dat een aanvrager bekwaam moet zijn tot het doen van opgravingen.

(…)

Voorts wordt van degenen die feitelijk leiding geven aan de opgravingen van de potentiële vergunninghouder, verlangd dat zij voldoende geschikt zijn. Deze personen moeten een universitaire opleiding op het gebied van de archeologie hebben gevolgd en afgerond of een daarmee gelijkgestelde Europese opleiding.

(…)

De KNA is onderdeel van een stelsel van zelfregulering van de archeologische beroepsgroep, dat als doel heeft het waarborgen van de kwaliteit bij de liberalisering van de markt. Onderdeel van dit stelsel is een beroepsregister. De KNA stelt met betrekking tot diverse archeologische werkzaamheden – onder meer het uitvoeren van inventariserend veldonderzoek en het uitvoeren daarvan, het uitvoeren van booronderzoek en het voorbereiden en uitvoeren van veldwerk (opgraven) – de eis dat deze alleen mogen worden uitgevoerd door personen met een voltooide universitaire opleiding archeologie. De KNA stelt voor het opereren als 'Senior KNA archeoloog' verder onder meer de eis van zes jaar ervaring met gravend onderzoek in Noordwest-Europa.”

Het kort geding en de daarna getroffen regelingen

2.22.

Toen de opeenvolgende versies van de KNA werden vastgesteld, voldeden niet alle personen die in de archeologie werkzaam waren, aan de in de KNA gestelde academische opleidingseis (hierna: de niet-academische actoren). [eiser] was één van hen.

2.23.

Vanaf 2000 heeft de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO) gewezen op de consequenties van het stellen van de academische opleidingseis voor de niet-academische actoren.

2.24.

Een aantal niet-academische actoren (onder wie niet [eiser] ) heeft in 2007 een kort gedingprocedure aangespannen tegen SIKB. Dit heeft geresulteerd in het vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 18 september 2007.15 In dit vonnis is SIKB geboden om binnen één jaar een belangenafweging uit te voeren en de eisers in die procedure hiervan in kennis te stellen. Totdat zij deze belangenafweging had uitgevoerd, moest SIKB bewerkstelligen dat de eisers in die procedure niet wegens het feit dat zij niet een universitaire opleiding archeologie hebben afgerond als onbevoegd worden beschouwd tot het verrichten van de in de KNA genoemde werkzaamheden die zijn voorbehouden aan wél universitair afgestudeerde archeologen.

2.25.

SIKB heeft vervolgens een Commissie Belangenafweging ingesteld, die op 5 mei 2008 advies heeft uitgebracht. Op grond van dit advies, de onderliggende analyses door Capgemini Nederland en ADC Heritage en een discussiebijeenkomst van 13 mei 2008 heeft het CCvD op 22 mei 2008 per 1 januari 2009 een eenmalige overgangsregeling ingesteld voor personen die beroepshalve werkzaam zijn in de Nederlandse archeologie zonder (relevant) academisch diploma (hierna: de overgangsregeling). De termijn van de overgangsregeling gold tot en met 31 december 2011. De overgangsregeling is vormgegeven in de vorm van een EVC-traject MA Archeologie (hierna: het EVC-traject), dat in het besluit van het CCvD van 22 mei 2008 als volgt wordt beschreven:

Vrijstelling van (een deel) van de opleidingseis op basis van elders verworven competenties (EVC). De onder 1. bedoelde termijn [van de overgangsregeling, toevoeging rechtbank] biedt personen die in aanmerking wensen te komen voor een kwalificatie als Senior KNA Archeoloog, KNA Archeoloog, Senior Prospector of Prospector een redelijke termijn om hun aanvraag voor kwalificatie te laten toetsen en (al dan niet na bij- of nascholing) de kans het gewenste KNA-niveau aan te tonen (c.q. te verwerven), teneinde hun functie te kunnen blijven uitoefenen. Het volgen van een deel van een opleiding of cursus op het gebied van de archeologie kan onderdeel van de bijscholing uitmaken.”

In dit besluit heeft het CCvD het voornemen uitgesproken om het KNA aan te passen, door een bachelor diploma in een archeologische studie voldoende te achten voor het functioneren als KNA Archeoloog en Prospector.

2.26.

In artikel in een vakblad uit november 2008 over het EVC-traject, met de titel ‘EVC honoreert kennis en ervaring’ staat onder meer:

(…) bij archeologische bedrijven werken veel mensen die door jarenlange ervaring en studie een vergelijkbaar niveau hebben bereikt. Om ervoor te zorgen dat deze archeologen hun werk kunnen blijven doen, komt er nu een regeling die hen in staat stelt op basis van hun verworven kennis alsnog een academische graad te halen.

(…)

Hoe werkt dit systeem nu voor degene die zich wil kwalificeren? (…) Allereerst zet SIKB een intern EVC-bureau op dat de kandidaten begeleidt. Je kunt je bij SIKB aanmelden en de procedure begint met een zelftest om te onderzoeken of je in aanmerking kunt komen. Is dat niet zo, dan moet je een persoonlijk ontwikkelingsplan (POP) opstellen waarin je uiteenzet hoe je aan de toelatingseisen denkt te kunnen voldoen. Is de zelftest akkoord, dan moet je een portfolio samenstellen met je persoonlijke ervaring: uitgevoerde projecten en studies. Is dat akkoord, dan volgt de voordracht voor de EVC-assessment door de universiteit. Voldoe je daaraan, dan volgt de voordracht voor de examencommissie en ligt de weg open naar het verkrijgen van een academisch diploma. Als het assessment niet akkoord is, dan kun je gebruik maken van een deficiëntieregeling en via studie (het volgen van vak x) aan de universiteit alsnog aan de eisen voldoen. (…) In theorie kun je ook zonder extra studie, alleen op grond van kennis en ervaring, je bul halen.”

2.27.

Begin februari 2009 heeft het CCvD in het besluit Diploma Archeologie en Aardwetenschappen het EVC-traject aangevuld met een gelijkstellingsregeling MA Archeologie, die het onder bepaalde voorwaarden mogelijk maakt andere doctoraal of MA-diploma’s voor de uitvoering van KNA-werkzaamheden gelijk te stellen met een MA Archeologie.

2.28.

De minister van OCW heeft aan SIKB toegezegd dat personen die gebruik maakten van de EVC-regeling gedurende de looptijd van een individueel EVC-traject tot uiterlijk 31 december 2011 voor de toepassing van de Monw 1988 (nieuw) worden beschouwd als personen die voldoen aan de opleidings- en werkervaringseisen. Verder telde voor deze personen de relevante werkervaring voorafgaand aan het behalen van de master archeologie volledig mee bij de beoordeling van de in het Bamz gestelde werkervaringseis.

2.29.

Per 27 oktober 2009 heeft SIKB de Tijdelijke Regeling Senior Veldtechnici heropend voor kandidaten die eerder geen gebruik hadden gemaakt van deze regeling.

2.30.

In september 2010 is het EVC-traject door het bureau Hobéon in een audit getoetst aan de EVC Kwaliteitscode (2009).16 Daaruit volgde dat de EVC-regeling op een aantal punten niet voldeed aan de EVC Code (2009). De conclusie was:

“De (…) EVC procedure is niet van voldoende kwaliteit en komt niet in aanmerking voor een erkenning van één jaar.”

Het EVC-traject van [eiser]

2.31.

In juni 2009 is [eiser] zich gaan oriënteren op het EVC-traject. Hij is in overleg getreden met het EVC-bureau van SIKB, waarna hij zich op 13 december 2009 heeft ingeschreven voor het EVC-traject en € 2.900 heeft betaald voor deelname.

2.32.

De resultaten van de zelftest van [eiser] waren positief. Op 26 juni 2010 heeft [eiser] deelgenomen aan het pre-master assessment, dat uitmondde in de volgende conclusies en aanbevelingen:

“Op basis van uw scores op de Engelse tekstbegripstoets kan voorspeld worden dat u moeite zult hebben met het analyseren van Engelstalige literatuur. Extra aandacht hierbij is noodzakelijk. Het resultaat van de Wetenschappelijke Casus Algemeen wijst erop dat u redelijk in staat bent om argumentaties te analyseren en vergelijkingen te maken tussen artikelen. Gezien uw score op de Schrijfvaardigheidstoets is de verwachting dat u voldoende inzicht hebt in een logische opbouw van alinea’s en zinnen en dat u voldoende in staat bent om argumenten en conclusies te herleiden.”

2.33.

Vervolgens heeft [eiser] op 28 juni 2010 een assessment gedaan voor een panel bestaande uit [professor 1] (RU Leiden) en [professor 2] (VU). Het gespreksverslag vermeldt – voor zover hier van belang – het volgende:

Beraad

Nadat [eiser] de kamer verlaten heeft wordt geconstateerd dat hij een moeilijk geval is. Hij heeft te weinig kennis en weet amper waar hij het over heeft: palenkrans om grafheuvel, grafkuil, Romeins urnenveld, etc. Heeft alleen eigen ervaring en geen referentiekader conform universitaire normen. Komt op het niveau van de amateur. De enige vrijstelling op bachelor niveau is die voor het veldwerk. De bachelor opleiding is een stevige tijdsinvestering voor hem. [professor 1] stelt voor hem te wijzen op de route via de HBO-opleiding Archeologie, waar hij dan een bachelor diploma kan halen. Daarna kan hij alsnog de overstap maken naar de master. Via deze route ontloopt hij een colloquium doctum.

Afsluitend gesprek

Nadat [eiser] weer plaats genomen heeft wordt hem meegedeeld dat er uitgebreid is gediscussieerd over zijn mogelijkheden. Op bachelorniveau ontbreken meer dan 60 punten en dient de hele bacheloropleiding gevolgd te worden. De enige vrijstelling is die voor het veldwerk. [eiser] vraagt of dit in één jaar te doen is. [professor 1] zeker niet. Verder moet, gezien de MBO vooropleiding, eerst het colloquim doctum gedaan worden. Voorstel is om een geheel ander traject te bewandelen, namelijk via de HBO archeologie. Daarna kan hij alsnog op een universiteit instromen voor de master. Deze route voorkomt een mogelijke teleurstelling. Direct aan de bacheloropleiding bij een universiteit te beginnen wordt als een behoorlijke sprong gezien.”

2.34.

[eiser] verkreeg een EVC-certificaat waarin één competentie (veldwerk) op bachelor niveau werd erkend.

2.35.

Op 29 oktober 2010 heeft [eiser] het CCvD aangeschreven en zijn beklag gedaan over het EVC-traject. Na een hoorzitting op 18 februari 2011, is het bezwaar van [eiser] op 5 juli 2011 ongegrond verklaard. In deze beslissing staat onder meer:

“Procedurele aspecten: (…) Uit het gespreksverslag blijkt dat de assessoren de resultaten van het pre-master assessment hebben meegewogen bij de beoordeling. Op grond hiervan heeft de commissie geen basis om vast te stellen dat de procedure niet correct is uitgevoerd. De commissie stelt verder vast dat het niet mogelijk is om op een eenvoudige manier de stap te maken van uw opleidingsniveau naar het gevraagde academisch niveau. Op grond van nader onderzoek stelt de commissie vast dat dit aan het begin van de procedure ook door uw begeleiders aan u is duidelijk gemaakt.

Inhoudelijke aspecten: de commissie heeft vastgesteld dat het assessment een objectieve waardering heeft ingehouden van de bij u geconstateerde ervaringsfeiten. De vereiste competentie zijn duidelijk binnen het EVC-competentieprofiel beschreven. De Commissie stelt vast dat het onderdeel wetenschappelijke casus niet in het gespreksverslag is besproken. Uit uw portfolio blijkt echter niet dat u beschikt over de vereiste competenties voor veldwerk op master (MA) niveau. Tijdens de hoorzitting is hiervoor ook geen aanvullend bewijs geleverd. Op grond daarvan heeft de commissie geen argumenten om tot een ander inhoudelijk oordeel te komen dan de assessoren.”

2.36.

Nadat SIKB in juli/augustus 2010 aan Saxion had gevraagd een EVC op Hbo-niveau te ontwikkelen, is [eiser] op 29 oktober 2010 telefonisch benaderd door het EVC-bureau van SIKB, dat hem na overleg met de begeleiders en assessoren, een EVC-traject op bachelor niveau bij Saxion aanbood. [eiser] is niet geslaagd voor de toelatingstest voor een EVC-traject op hbo-niveau bij Saxion.

2.37.

De casus van [eiser] is besproken in een CCvD vergadering, die te kennen gaf niet bevoegd te zijn een beroep tegen de beslissing op bezwaar te behandelen en zich aan te sluiten bij het oordeel in bezwaar.

Evaluatie EVC-traject

2.38.

Op 30 augustus 2012 heeft ProErfgoed een rapport uitgebracht met haar bevindingen van de evaluatie van het EVC-traject. In dit rapport worden kritische kanttekeningen gezet bij de besluitvormig over de EVC-regeling in het CCvD, die als emotioneel wordt gekwalificeerd.

2.39.

ProErfgoed concludeert in dit rapport dat iedereen zijn of haar verworven competenties kon laten erkennen door deel te nemen aan de EVC-regeling en dat het CCvD heeft geprobeerd om voor zoveel mogelijk mensen een oplossing te vinden. Pro Erfgoed is kritisch over het ontbreken van de toets of alle aangemelde (potentiele) kandidaten aan de eis van ‘economisch belang’ voldeden en de verschillende manieren waarop die eis werd uitgelegd. In antwoord op de vraag of de overgangsregeling succes heeft gehad, concludeert Pro Erfgoed:

Bij het instellen van de overgangsregeling was duidelijk dat het niet mogelijk was om iedereen te helpen. [opmerking rechtbank: in de hier geplaatste voetnoot staat: “Er is immers niet gekozen voor een generaal pardon.”] Met de EVC MA archeologie, de gelijkstellingsregeling en de regeling senior veldtechnici zijn echter veel mensen geholpen om binnen hun functie dan wel de archeologie werkzaam te blijven.

(…)

De EVC, de gelijkstellingsregeling en de regeling senior veldtechnici zijn als regeling op zich zorgvuldig uitgevoerd. Met betrekking tot het proces rondom de overgangsregeling zijn voor toekomstige besluitvormingstrajecten van het CCvD een aantal aanbevelingen te doen.”

2.40.

In de vergadering van het CCvD van 10 december 2012 is het rapport van ProErfgoed besproken, na de volgende toelichting:

“Ten behoeve van de evaluatie zijn een aantal interviews geweest met kandidaten (ook die het niet gehaald hebben) en leden van het CCvD. Overwegend vindt men EVC een goed instrument maar voor de groep die het met name betrof was het achteraf geen oplossing.

Ook is gekeken naar het CCvD besluit en de specifieke vragen aan de evaluatie. Deze worden positief beantwoord. Hierbij geldt wel dat het negatieve gevoel bij veel mensen over de regeling blijft bestaan. Geconcludeerd moet worden dat er te snel naar een oplossing is gezocht zonder dat vooraf een helder beeld bestond bij de specifieke aard en omvang van het probleem. Dan gaat het bijv. om het economisch belang vs de (KNA) functie. Veel mensen bleken niet in aanmerking te komen voor de regeling/KNA functie. Dat verklaart voor een belangrijk deel het negatieve gevoel bij een groep mensen.”

2.41.

Tijdens deze vergadering heeft de afgevaardigde van de NVAO naar voren gebracht:

“het meeste is wel benoemd in het rapport, maar geconcludeerd moet worden dat de EVC een mislukking is achteraf. Hoe ga je het nu oplossen? Het is nog niet klaar er zijn nog 60 gedupeerden. Wat moet je verder ?”

2.42.

In deze vergadering wordt besloten het rapport vast te stellen en:

“Gevraagd wordt aan het college of er nu nog een noodzaak/plicht bestaat om het alsnog voor een resterende groep op te lossen? Dat draagvlak is er niet. De VZ geeft ook aan dat het gevaar daarvan is dat de belangen van degene die wel het traject doorlopen hebben daarmee in het geding komen. Op basis hiervan volgt nog een overleg tussen de NVAO en het Programmabureau. De NVAO komt in maart met een voorstel.”

2.43.

Tijdens de CCvD-vergadering van 3 juni 2013 heeft de NVAO een hardheidsclausule voorgesteld voor personen met een aantoonbaar en actueel economisch belang, met een weging op basis van het aantoonbaar uitgevoerde KNA-werk, niet op de kwaliteit van het werk. Een discussie over dit voorstel, dat niet door alle deelnemers aan de vergadering werd onderschreven, mondde uit in de conclusie dat hierover geen besluit kan worden genomen.

Aansprakelijkstelling van [eiser]

2.44.

Bij brief van 26 juni 2014 heeft [eiser] SIKB aansprakelijk gesteld voor de schade die hij leed en zou lijden als gevolg van het gesteld onrechtmatig handelen van SIKB, waardoor hij zijn functie en beroep niet kon uitoefenen. In zijn brief van 11 november 2014 heeft [eiser] zijn schade begroot op € 2.900 aan kosten van het EVC-traject en € 721.959 aan gederfde inkomsten tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd.

SIKB heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.

De Erfgoedwet en de maatwerkactor

2.45.

Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden, als vervanging van de Monw 1988. In de Erfgoedwet17 wordt de opgravingsvergunning vervangen door een wettelijk geregelde certificering. Houders van een opgravingsvergunning kregen een jaar de tijd om de vereiste certificering te verkrijgen. Na dat jaar was het alleen gecertificeerde organisaties toegestaan opgravingen te verrichten.

2.46.

Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Erfgoedwet, was in de vergadering van het CCvD van 9 mei 2016 een voorstel van de NVAO ‘ter oplossing van de actorenproblematiek’ aan de orde. Dit voorstel behelsde een pardonregeling waarbij ‘Archeologen, die voor 1 oktober 2001 gravend onderzoek uitvoerden of aanstuurden (AO, IVO-P of AB) en archeologen die voor 1 november 2005 booronderzoek uitvoerden of aanstuurden (IVO-Overig)’ werden vrijgesteld van de opleidings- en diploma eisen als de werkzaamheden waren uitgevoerd in een aantoonbaar dienstverband en aangetoond werd dat het werkzaamheden waren waarbij de actor als archeoloog inhoudelijk betrokken was.

2.47.

Na een discussie, waarbij duidelijk werd dat er voor- en tegenstanders van dit voorstel waren, heeft het CCvD ingestemd met het voorstel, met de aantekening ‘Kaders dienen nog nader te worden uitgewerkt en er wordt een risico analyse op uitgevoerd.’

2.48.

Deze beslissing is op 7 juni 2016 door het CCvD herroepen en vervangen door het besluit:

Het CCvD stemt in met een maatwerkoplossing voor de ca 9 personen met een economisch belang bij de start van de EVC. SIKB zal voor de volgende vergadering een voorstel tot een maatwerkoplossing nader uitwerken.”

2.49.

Het verslag van deze CCvD-vergadering geeft een uitgebreide discussie weer, waarbij Archon naar voren heeft gebracht:

“het is niet vrijblijvend wat hier gebeurt. Het zijn zeker mensen van goede wil. Maar het waren ook pijnlijke processen omdat sommigen van deze mensen zelfs enkele vakken op Ba-niveau niet konden halen. Het is goed om in deze discussie en bij de uitkomst voor ogen te houden dat archeologie niet alleen een ambacht is, maar ook kennis vereist. Deze personen zijn voor meerdere vakken meermaals gezakt, ook al is er veel tijd in gestopt.

De NVAO reageert dat deze groep een economisch belang heeft, maar met deze criteria met een onmogelijke opgave werden geconfronteerd. Het hebben van een MA-diploma was niet de vraag, de vraag was wel of zij werkzaam waren op een bepaald niveau. (…)”

2.50.

Op 12 december 2016 heeft het CCvD de “Maatwerkoplossing archeologie” (hierna: de maatwerkregeling) vastgesteld. Het verslag van de vergadering vermeldt:

“Kern van die oplossing was dat de persoon niet alles hoeft te kunnen, maar zijn/haar huidige situatie als uitgangspunt te nemen en te beoordelen of hij/zij daar voldoende ervaring en kennis voor in huis heeft.”

2.51.

[eiser] heeft zich op 25 januari 2017 ingeschreven voor het maatwerktraject, dat hij op 21 maart 2017 heeft voltooid. Hij verkreeg de titel ‘maatwerkactor’, nadat hem een aantal vrijstellingen was toegekend, zowel op bachelor als master niveau.

2.52.

Op 19 april 2017 is [eiser] als KNA-maatwerkactor opgenomen in het Actorregister. Hij is vrijgesteld van de diploma-eis voor bepaalde stappen uit het KNA-protocol Inventariserend Veldonderzoek en het KNA-protocol Opgraven.

2.53.

[eiser] heeft daarna zonder succes gesolliciteerd naar een baan bij een archeologische bedrijf. Hij heeft 2,75 jaar uitkering onder de Werkloosheidswet genoten en ontvangt sinds oktober 2012 een bijstandsuitkering.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – na wijziging van eis – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis – zakelijk weergegeven:

1. een verklaring voor recht dat SIKB aansprakelijk is voor de door [eiser] ten gevolge van de invoering van het opleidingsvereiste in 2007 en het daarbij niet in het leven roepen van een adequate overgangsregeling geleden schade, en dientengevolge gehouden is de betreffende schade aan hem te vergoeden, en daarbij vast te stellen dat die schade in ieder geval bestaat uit misgelopen inkomsten ten gevolge van het niet meer kunnen uitoefenen van zijn functie als zelfstandig opererend veldarcheoloog, projectleider/leidinggevende in de periode van 2007 tot het moment waarop [eiser] opnieuw een gelijkwaardige aanstelling met een gelijkwaardig salaris verkrijgt dan wel de AOW-leeftijd bereikt, alsmede de daardoor misgelopen pensioenopbouw, en onderhavige zaak te verwijzen naar de schadestaatprocedure teneinde de omvang van de door [eiser] geleden en nog te lijden schade te begroten en in rechte vast te (doen) stellen;

2. veroordeling van SIKB tot betaling van de proceskosten, met nakosten en rente.

3.2.

[eiser] grondt zijn vorderingen op onrechtmatige daad, bestaande uit schending van een (ongeschreven) zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 BW.18 Tijdens de zitting heeft hij de in de dagvaarding genoemde subsidiaire grondslag (strijd met een wettelijke plicht) laten varen.

3.2.

[eiser] stelt dat archeologie zijn beroep en ook zijn passie was en schetst hoe hij in een diep dal is geraakt en zijn levensvreugde heeft zien afnemen, na te zijn teleurgesteld door SIKB en nadat zijn carrière in rook opging. Hij stelt dat hij nog steeds dagelijks kampt met de financiële en mentale gevolgen van de gang van zaken rond het EVC-traject. Hij legt voorts de volgende stellingen aan zijn vordering ten grondslag:

( i) SIKB heeft zich de belangen van [eiser] op geen enkele manier aangetrokken, hoewel zij wist dat de academische opleidingseis voor [eiser] in feite een beroepsverbod betekende en er dus grote economische belangen van [eiser] in het geding waren;

(ii) SIKB heeft met het EVC-traject, dat niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen, geen adequate overgangsregeling getroffen;

(iii) met de maatwerkregeling heeft SIKB voor een oplossing gekozen die juist het verschil benadrukt tussen gediplomeerde archeologen en de maatwerkactoren, dat zou bij een algemeen pardon niet aan de orde zou zijn geweest;

( v) [eiser] heeft door het stellen van de academische opleidingseis zonder adequate overgangsregeling zijn carrière verloren en financiële schade geleden.

3.2.

SIKB concludeert tot afwijzing van de vordering met een beroep op verjaring, betwisting van de aansprakelijkheid, het daarvoor vereiste causaal verband met de door [eiser] gestelde schade en een beroep op eigen schuld.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] geeft een uitgebreide schets van de feiten, met vele verwijten aan het adres van SIKB en anderen. Niet alle door [eiser] geformuleerde verwijten sluiten echter aan op zijn vorderingen, waarin een verklaring voor recht wordt gevraagd over het in 2007 stellen van de academische opleidingseis zonder een adequate overgangsregeling in het leven te roepen voor niet-academische actoren zoals [eiser] . De rechtbank zal alleen de voor die vorderingen relevante verwijten van [eiser] beoordelen. Dat betekent dat de kennis en kunde van [eiser] en de wijze waarop die tijdens zijn eigen EVC-traject is beoordeeld, niet aan de orde is in deze procedure. Hoewel hij veelvuldig ter onderbouwing van zijn vorderingen verwijst naar de feiten en omstandigheden van zijn indivuele geval, heeft hij geen dáárop toegesneden vordering ingesteld.

4.2.

Het gaat (in de eerste plaats) erom of SIKB door de academische opleidingseis te stellen met een overgangsgregeling die onder meer bestond uit het EVC-traject onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. [eiser] richt zijn pijlen in het bijzonder op het EVC-traject en stelt dat de nadien ingevoerde maatwerkregelingen de onrechtmatigheid van de academische opleidingseis zonder adequate overgangsregeling niet hebben weggenomen. Daarmee is volgens [eiser] sprake van een doorlopende onrechtmatige toestand, met doorlopende schade.

4.3.

De rechtbank zal eerst bezien of SIKB onrechtmatig heeft gehandeld door het stellen van de academische opleidingseis met (onder meer) het EVC-traject als overgangsregeling.

de academische opleidingseis

4.4.

De academische opleidingseis is niet, zoals [eiser] stelt, in 2007 gesteld, maar in de KNA van 2001. Deze eis is in de loop der tijd stapsgewijs uitgegroeid tot de algemene, via de vergunningverlening publiekrechtelijk gehandhaafde norm voor actoren die kritische processtappen uitvoerden bij opgravingen en boringen in het kader van inventariserend veldonderzoek.

4.5.

[eiser] heeft toegelicht de kern van zijn verwijt is gelegen in het stellen van de academische opleidingseis voor feitelijke werkzaamheden, daar waar de Bamz die eis alleen voor leidinggevende werkzaamheden stelt. Zijn voornaamste bezwaar tegen deze in de KNA opgenomen acedemische opleidingseis is dat deze streng is en verder strekt dan artikel 17 Bamz. De academische opleidingseis in artikel 17 Bamz geldt immers alleen voor leidinggevenden, terwijl die in de KNA ook voor uitvoerende werkzaamheden geldt.

4.6.

Het door [eiser] aangehaalde artikel 17 Bamz bevat eisen waaraan de organisatie van de aanvrager van een opgravingsvergunning moet voldoen, onder meer opleidingseisen voor de leidinggevende. De KNA wordt in het Bamz genoemd in artikel 24 Bamz. De KNA is ook relevant voor artikel 25 Bamz.19 Via deze, op grond van artikel 48 lid 2 Monw 1988 (nieuw) ingevoerde artikelen van het Bamz, voorziet de KNA in een systeem van zelfregulering van de kwaliteit van het archeologisch werk. De KNA vormt de (invulling van de) algemene kwaliteitsnorm voor het doen van opgravingen en van de regel dat een ieder die zich bezig houdt met opgravingen zich bij zijn archeologisch handelen laat leiden door actuele en in brede archeologische kring aanvaarde wetenschappelijke inzichten. Deze regels – en daarmee de KNA – strekken ertoe te waarborgen dat het archeologisch werk in de geliberaliseerde markt voldoet aan de in artikel 48 lid 2 Monw 1988 (nieuw) genoemde eisen van wetenschappelijke zorgvuldigheid en wetenschappelijke relevantie. De in de KNA gestelde academische opleidingseis past bij de in artikel 48 lid 2 Monw 1988 (nieuw) en artikel 24 en 25 Bamz tot uiting gebrachte doelstelling de kwaliteit van het archeologisch werk in een geliberaliseerde markt te garanderen.

4.7.

Verder heeft SIKB onweersproken toegelicht dat de beroepsgroep het er al vanaf 2001 over eens is dat voor kritische stappen in de archeologie een academisch denk- en werkniveau vereist is. Die eis staat sindsdien in de opvolgende versies van de KNA. Volgens SIKB werd de academische opleidingseis branchebreed gedragen, aangezien het gaat om bekwaamheids- en kwaliteitseisen voor werkzaamheden ten aanzien van archeologisch erfgoed, dat toebehoort aan de samenleving als geheel, waarbij de onderzoeker tijdens zijn onderzoek, vaak in isolement, fundamentele, onomkeerbare beslissingen neemt. De academische opleidingseis strookt dus ook met de in de archeologische beroepsgroep geldende normen.

4.8.

Gezien het voorgaande is het door SIKB in de opvolgende versies van de KNA stellen van de academische opleidingseis voor actoren die kritische processtappen uitvoeren – ook daar waar het louter uitvoerende werkzaamheden betreft – niet onrechtmatig. Deze eis dient het zwaarwegend maatschappelijk belang van het garanderen van de kwaliteit van het archeologisch werk in een geliberaliseerde markt. In het verlengde hiervan geldt dat het gegeven dat hiermee een ongelijkheid ( [eiser] spreekt ook over een scheidslijn) in het leven is geroepen tussen archeologen met en zonder academisch diploma, dat door de beroepsgroep werd gedragen en beoogd, een aanvaardbaar gevolg was van deze kwaliteitsvoorwaarde. Deze ongelijkheid op zichzelf is evenmin onrechtmatig.

de overgangsregeling

4.9.

Partijen zijn het erover eens dat SIKB de academische opleidingseis alleen kon stellen als zij voorzag in een adequate overgangsregeling voor de niet-academische actoren, die ten tijde van invoering van deze eis niet academisch geschoold waren en wel kritische stappen uitvoerden. Zij zijn het niet eens over de vraag of het EVC-traject een adequate overgangsregeling was. De andere onderdelen van de overgangsregeling (zoals de gelijkstellingsregeling en het heropenen van de Tijdelijke Regeling Senior Veldtechnicus) staan niet ter discussie.

4.10.

De ongeschreven zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 BW, waarop [eiser] zich beroept, moet worden ingevuld aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval. Relevant is dat er geen vaste ‘formats’ of vaste regels zijn voor dit soort overgangsregelingen. SIKB had ook voor een andere overgangsregeling kunnen kiezen of op onderdelen andere keuzes kunnen maken. Het gegeven dat andere keuzes denkbaar waren, met een voor [eiser] wellicht gunstiger uitkomst (zoals het door hem genoemde generaal pardon) is niet genoeg voor onrechtmatigheid.

4.11.

De inzet van deze procedure is het door [eiser] gesteld onvoldoende rekening houden met het economisch belang van de niet-academische actoren bij de gemaakte keuze voor het EVC-traject bij de vormgeving van de overgangsregeling. Dit belang, dat in de discussie over de ‘actorenproblematiek’ door de jaren heen veel aandacht heeft gekregen, is niet het enige belang dat moet worden gediend met de overgangsregeling. SIKB moest een overgangsregeling treffen die voorzag in een redelijk evenwicht tussen enerzijds het zwaarwegend maatschappelijk belang dat wordt gediend met de academische opleidingseis en anderzijds de economische belangen van de niet-academische actoren, die niet aan die eis voldoen. SIKB zou in strijd met de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm handelen als dat evenwicht ontbreekt, omdat dan – zoals [eiser] stelt – te weinig rekening is gehouden met het economisch belang van de niet-academische actoren.

4.12.

Volgens [eiser] is een ‘generaal pardon’ de oplossing die het meest recht doet aan de economische belangen van de niet-academische actoren. Het zwaarwegend maatschappelijk belang van het garanderen van de kwaliteit van archeologisch werk in een geliberaliseerde markt, verzet zich echter tegen zo’n overgangsregeling die de niet-academische actoren, zonder toetsing van hun kennis en kunde, louter op basis van hun in het verleden verrichtte werkzaamheden in staat stelt om kritische processtappen uit te (blijven) voeren die op grond van het KNA niet zonder reden zijn voorbehouden aan academisch geschoolde actoren. Een generaal pardon is dus een te eenzijdige benadering.

4.13.

Het met de opleidingseis gediende zwaarwegend maatschappelijk belang van het garanderen van de kwaliteit van het archeologisch werk in een geliberaliseerde markt rechtvaardigde naar het oordeel van de rechtbank dat SIKB bij de vormgeving van de overgangsregeling vasthield aan de academische opleidingseis voor kritische processtappen. SIKB hoefde niet ervoor te zorgen dat alle niet-academische actoren aan het werk konden blijven in de archeologie, ook als zij niet feitelijk voldeden aan de academische opleidingseis of dat binnen afzienbare tijd konden bereiken met bijscholing. Het is niet zo dat de overgangsregeling pas adequaat is en voldoende recht doet aan de economische belangen van de niet-academische actoren als zij allemaal zonder meer hun werkzaamheden onveranderd konden blijven vervullen. Wel kon van SIKB worden verwacht dat zij niet-academische actoren die reeds beroepshalve kritische processtappen uitvoerden, in staat stelde daarmee voort te gaan – en dus hun baan te behouden – indien zij feitelijk voldeden aan de academische opleidingseis of daar binnen afzienbare tijd met bijscholing feitelijk aan konden voldoen. Anders dan [eiser] betoogt betekent dat niet dat SIKB moest voorzien in een alternatief voor het (al dan niet met vrijstellingen alsnog) behalen van een academische graad.

4.14.

Er waren echter ook niet-academische actoren die niet feitelijk aan de academische opleidingseis voldeden en dat ook niet door bijscholing voor elkaar zouden kunnen krijgen. Dat dit het mogelijke gevolg zou zijn van het invoeren van de opleidingseis was te voorzien. Het economisch belang van deze niet-academische actoren vergde dat de overgangsregeling voorzag in redelijke termijn om uit te zien naar ander werk. De rechtbank stelt vast dat dit aspect weinig tot geen aandacht heeft gekregen in de discussie die, mede naar aanleiding van de kritiek van de NVAO, is gevoerd in het CCvD over het EVC-traject als al dan niet adequate overgangsregeling. Ook in het partijdebat is weinig tot geen aandacht geschonken aan dit aspect; SIKB heeft dit tijdsaspect aan de orde gesteld door erop te wijzen dat de academische opleidingseis al vanaf 2001 bekend was. De rechtbank stelt vast dat het verwijt van [eiser] kennelijk niet ziet op dit aspect van de overgangsregeling. Gesteld noch gebleken is dat de overgangsperiode te kort is geweest en te weinig recht deed aan de economische belangen van de niet-academische actoren.

4.15.

Dat niet alle niet-academische actoren, waaronder [eiser] , het EVC-traject met succes hebben kunnen doorlopen, betekent dus niet dat dit traject geen adequate overgangsregeling was.

4.16.

In het EVC-traject werd waarde toegekend aan een bepaalde mate en een bepaald niveau van kennis en ervaring, als alternatief voor (delen van) de vereiste academische opleiding op het gebied van archeologie. Het EVC-traject stelde daarmee niet-academische actoren in staat (binnen een bepaalde termijn) aan te tonen feitelijk te voldoen aan de academische opleidingseis. Daarmee deed het EVC-traject zowel recht aan het zwaarwegend maatschappelijk belang dat werd gediend met het stellen van de academische opleidingseis als aan het economisch belang van niet-academische actoren, die hun in de praktijk opgedane kennis en kunde konden laten toetsen en – al dan niet met bijscholing – aan de academische opleidingseis van het KNA konden voldoen. SIKB heeft dus met het EVC-traject een adequate overgangsregeling getroffen.

4.17.

De kanttekeningen van ProErfgoed bij de evaluatie van het EVC-traject en de bevindingen van Hobéon, maken dat niet anders. De kanttekeningen van ProErfgoed over de besluitvorming in het CCvD raken niet de vraag of het EVC-traject een adequate overgangsregeling was. Die vraag is juist bevestigend beantwoord in het ProErfgoed rapport. Hobéon heeft getoetst aan de kwaliteitscode EVC (2009). Deze stelt procedurele en kwaliteitseisen voor EVC-regelingen in het kader van de certificering ervan. Deze eisen zijn echter niet relevant voor het antwoord op de door de rechtbank te beantwoorden vraag of met de EVC-regeling een redelijk evenwicht is bereikt tussen het met de opleidingseis gediende zwaarwegende maatschappelijk belang en de (economische) belangen van de niet-academische actoren. Verder heeft SIKB onweersproken toegelicht dat zij een deel van de overwegend procedurele aanbevelingen van Hobéon heeft opgevolgd en dat zij het certificeringstraject heeft gestaakt vanwege het tijdelijk karakter van het EVC-traject als eenmalige overgangsregeling. Dat het EVC-traject de toets aan de kwaliteitscode EVC (2009) niet doorstond, betekent dus niet dat het EVC-traject geen deugdelijke overgangsregeling in de in 4.16 genoemd zin bood, zoals [eiser] stelt. Dat geldt ook voor het ontbreken van een klachtregeling, een in de kwaliteitscode EVC (2009) gestelde voorwaarde voor certificering. De overgangsregeling voorzag in de mogelijkheid van een heroverweging van de uitkomst van het EVC-traject na een daartegen gericht bezwaar. Er is geen rechtsregel waaruit volgt dat de mogelijkheid van beroep tegen dergelijke beslissingen op bezwaar vereist was.

4.18.

Het is duidelijk dat [eiser] heel erg ongelukkig is over de manier waarop het EVC-traject in zijn geval is verlopen en dat hij zeer teleurgesteld is over de uitkomst, waarover hij andere verwachtingen had die volgens hem ook door SIKB zijn gevoed. Uit het verloop van [eiser] EVC-traject, kan echter niet worden afgeleid dat het SIKB met het EVC-traject geen adequate overgangsregeling heeft getroffen. Net als andere niet-academische actoren, heeft [eiser] met het EVC-traject de gelegenheid gekregen om zijn in de praktijk opgedane kennis en kunde te laten toetsen en daaraan aan de academische opleidingseis gerelateerde waarde toe te kennen, zodat hij – al dan niet met bijscholing – aan de academische opleidingseis kon voldoen of – als dat niet zou lukken of hij dat niet wilde – kon uitzien naar een andere werkkring. Of en in hoeverre de uitkomst van deze toetsing recht doet aan de kwaliteiten van [eiser] als archeoloog, is niet aan de rechtbank ter beoordeling.

slotsom

4.19.

De slotsom luidt dat SIKB niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] door de academische opleidingseis in te voeren, met een overgangsregeling (onder meer) in de vorm van het EVC-traject. Dit reeds leidt tot afwijzing van zijn vorderingen. Aan de vraag of de maatwerkregeling de door [eiser] gestelde onrechtmatigheid van het EVC-traject al dan niet heeft weggenomen, wordt niet toegekomen. Ook de andere geschilpunten, zoals het beroep op verjaring van SIKB, de aanwezigheid van causaal verband en de verdere schadediscussie, kunnen onbesproken blijven.

4.20.

[eiser] wordt als de in het ongelijk gesteld partij veroordeeld in de proceskosten. Deze worden begroot op € 1.724 (€ 638 aan griffierecht en € 1.086 aan advocatenkosten (2 punten tarief II).

4.21.

Er is geen grond voor de door SIKB gevraagde veroordeling in de nakosten. De kostenveroordeling als bedoeld in art. 237 lid 1 Rv heeft betrekking op zowel de voor als de na de uitspraak gemaakte kosten, en levert dus voor alle kosten een executoriale titel op.20 De nakosten op deze titel zijn nu reeds bekend en kunnen uitgaande van het daarvoor geldende liquidatietarief worden begroot op € 157 zonder betekening, verhoogd met € 82 in geval van betekening.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van SIKB, die tot aan deze uitspraak worden begroot op € 1.724;

5.3.

begroot de nakosten op € 157 zonder betekening, verhoogd met € 82 in geval van betekening;

5.4.

verklaart de onder 5.2 bedoelde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. L. Alwin, M.A. van de Laarschot en J.M. Willems en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2020.

1 Europese Verdrag inzake de bescherming van het archeologische erfgoed, Trb. 1992, 97.

2 Staatscourant 1999, 237 pagina 9.

3 Staatscourant 2001, 190 pagina 9.

4 Staatscourant 2001, 207 pagina 7.

5 Artikel 7 aanhef en sub c Beleidsregels opgravingsbevoegdheid.

6 Artikel 8, aanhef en onder a en b Beleidsregels opgravingsbevoegdheid

7 Beleidsregel van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 15 juni 2005, nr. WJZ/2005/26210 (8163), tot wijziging van de Beleidsregels opgravingsbevoegdheid, Staatscourant 2005, 120 pagina 16.

8 Wet van 21 december 2006 tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en enkele andere wetten ten behoeve van de archeologische monumentenzorg mede in verband met de implementatie van het Verdrag van Valletta (Wet op de archeologische monumentenzorg), Stb. 2006, 336.

9 Artikel 45 lid lid 1 en 2 Monw 1988 (nieuw).

10 Artikel 48 lid 1 Monw 1988 (nieuw).

11 Artikel 48 lid 2 Monw 1988 (nieuw).

12 Kamerstukken II, 2003-2004, 29 259, nr. 3 (MvT Wamz).

13 MvT Wamz, p. 17-18.

14 Besluit van 9 augustus 2007, houdende regels ter uitvoering van de Wet op de archeologische monumentenzorg en enkele technische wijzigingen van het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (Stcrt. 2007, 292).

15 ECLI:NL:RBSGR:2007:BB3777.

16 Kwaliteitscode van het Nationaal Kenniscentrum EVC.

17 Wet van 9 december 2015, houdende bundeling en aanpassing van regels op het terreinvan cultureel erfgoed (Erfgoedwet), Stb. 2015, 511.

18 Burgerlijk Wetboek.

19 Zie de toelichting op het Bamz.

20 Verg. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116 en HR 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:335.