Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:6845

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-07-2020
Datum publicatie
28-07-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 3592
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning verleend met toepassing van o.a. artikel 4, onderdeel 11, bijlage II van het BOR voor het oprichten van 16 tijdelijke wooneenheden ten behoeve van ex-thuis en-daklozen op een grasveld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 20/3592 en 20/3661

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 juli 2020 op de verzoeken om een voorlopige voorziening van

Bewonersgroep Verdamstraat -Kernstraat- Burggravenlaan , te Leiden, verzoekers

(gemachtigde: mr. M.F.A. Dankbaar),

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder

(gemachtigde: J.J. Turenhout).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Woonstichting Ons Doel, te Leiden

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2020 (primair besluit I) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen van een bouwwerk, gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan en maken van een uitweg ten behoeve van het project: “het tijdelijk plaatsen van 16 wooneenheden en het realiseren van een verharde baan betontegels met in- en uitrit, kadastraal bekend [X] ( [straat] )” voor de periode van 15 april 2020 t/m 15 april 2030.

Bij besluit van 24 april 2020 (primaire besluit II) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van twee berkenbomen op het perceel kadastraal bekend [X] .

Verzoekers hebben tegen de primaire besluiten bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen.

Bij beslissing van 15 juni 2020 heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel getroffen met betrekking tot de kap van de twee berkenbomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2020. Verzoekers zijn verschenen, vertegenwoordigd door [A] , [B] en [C] , bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [medewerker gemeente 1] en [medewerker gemeente 2] , beide werkzaam bij de gemeente Leiden, bijgestaan door zijn gemachtigde. Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Het geschil

2. Woonstichting Ons Doel (de woonstichting) wil op het grasveld aan de [straat] -Fruinlaan (hierna: de locatie) 16 tijdelijke wooneenheden bouwen. Deze wooneenheden zijn bestemd voor ex-thuis en -daklozen. Om de bouw van de wooneenheden mogelijk te maken moeten twee berkenbomen worden gekapt.

2.1.

Verweerder heeft omgevingsvergunningen verleend voor de kap van de bomen en het bouwen van de wooneenheden. De wooneenheden zijn op grond van de geldende bestemmingsplannen op de locatie niet toegestaan, maar verweerder heeft artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht (Bor) toegepast om hiervan af te wijken. Aan primair besluit I is de voorwaarde verbonden dat de wooneenheden na tien jaar worden verwijderd en dat de locatie daarna in zijn oorspronkelijke staat moet worden hersteld.

2.2.

Eisers wonen in de straten om de locatie. Zij willen niet dat het grasveld verloren gaat. Daarnaast vrezen zij dat de wooneenheden zullen zorgen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat. Eisers hebben voorlopige voorzieningen gevraagd om te voorkomen dat de bomen worden gekapt en de wooneenheden worden gebouwd voordat op hun bezwaren is beslist.

Spoedeisend belang

3. De voorzieningenrechter acht spoedeisend belang bij de verzoeken aanwezig. Verweerder heeft aangegeven dat de besluiten op bezwaar waarschijnlijk pas in oktober zullen worden genomen. De woonstichting heeft gezegd hierop niet te wachten en zo snel mogelijk te beginnen met de kap van de bomen en de bouw van de wooneenheden.

Artikel 4, onderdeel 11, van Bijlage II van het Bor

4. Verzoekers betogen dat de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen niet op grond van artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Bor kon worden verleend. Verzoekers voeren in dit kader aan dat sprake is van een activiteit als bedoeld in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer) en dat het niet reëel is dat de wooneenheden na tien jaar worden verwijderd.

4.1.

Op grond van artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Bor komen voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking: ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.

Op grond van artikel 5, lid 6, is artikel 4, onderdeel 11 van bijlage II van het Bor niet van toepassing op een activiteit als bedoeld in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit mer.

Categorie 11.2 van onderdeel D, behorend bij het Besluit mer luidt: Activiteit: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.

4.2.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer de uitspraak van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) hangt het antwoord op de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit mer af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling een rol spelen.

4.3.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan de bouw van 16 wooneenheden niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in het Besluit mer. Volgens de woonstichting hebben de wooneenheden een totaal gezamenlijk oppervlakte van ongeveer 330 m² en een hoogte van ongeveer 8 m. De voorzieningenrechter acht het ruimtebeslag en de ruimtelijke uitstaling hiervan beperkt. De locatie ligt in een stedelijke omgeving, waar de omliggende woningen en woontorens groter en hoger zijn dan de wooneenheden. Een deel van het grasveld op de locatie zal bovendien worden behouden. Het door verzoekers genoemde project van 160 tijdelijke wooneenheden en in totaal 1.940 m² aan bebouwing, waarover het ging in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 september 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3055), is naar het oordeel van de voorzieningenrechter van een andere orde dan het bouwproject in deze zaak.

4.4.

Zoals verder volgt uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is voor de toepasbaarheid van artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Bor uitsluitend vereist dat het feitelijk mogelijk en aannemelijk moet zijn dat de vergunde activiteit zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd (vergelijk de uitspraak van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1112). Niet in geschil is dat het feitelijk mogelijk is om de wooneenheden weer van de locatie te verwijderen. Dat volgens verzoekers nog niet vast staat of er voldoende budget zal zijn om de wooneenheden over tien jaar weer te verwijderen, kan in het licht van deze jurisprudentie er niet toe leiden dat artikel 4, onderdeel 11, van Bijlage II van het Bor niet mocht worden toegepast.

4.5.

De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat aan de vereisten voor toepassing van artikel 4, onder 11, van bijlage II van het Bor is voldaan. Dat verzoekers vinden dat verweerder vanwege de impact van het bouwproject toch had moeten afzien van toepassing hiervan, maakt niet dat het besluit op dit punt onrechtmatig is.

Het grasveld

5. Verzoekers voeren aan dat het bouwproject ten koste gaat van het aanwezige grasveld op de locatie. Volgens verzoekers wordt door de plaatsing van de 16 wooneenheden met bijhorende toegangspaden en overige verharding het op het grasveld aanwezige voetbalveld gehalveerd en de kinderspeelplaats feitelijk onbruikbaar gemaakt. Verzoekers stellen dat in de buurt een tekort is aan groen en speelplekken. Volgens verzoekers is compensatie van het verlies aan groen in de buurt niet mogelijk.

5.1.

Verweerder geeft aan dat het bouwproject een deel van het grasveld in beslag zal nemen. Volgens verweerder is het niet mogelijk om dit in kwantitatieve zin te compenseren, maar dit zal wel in kwalitatieve zin worden gecompenseerd. Het grasveld zal in overleg met omwonenden opnieuw worden ingericht. Daarbij zal het veld grotendeels geschikt blijven voor sport en recreatie. Bovendien zijn op korte afstand andere locaties voor sporten en spelen aanwezig, aldus verweerder.

5.2.

Vast staat dat door het bouwproject een deel van het grasveld verloren gaat. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekers dit erg jammer vinden. Verweerder heeft echter toegelicht dat de wooneenheden nodig zijn voor de beoogde doelgroep en dat dit in een volgebouwde stad zoals Leiden onvermijdelijk ten koste gaat van een deel van het groen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het verlies aan groen niet maakt dat het bouwproject niet kan doorgaan. De voorzieningenrechter vindt hierbij van belang dat ruim de helft van het grasveld behouden blijft. Dit deel heeft een oppervlakte van ongeveer 2400 m² en is naar het oordeel van de voorzieningenrechter groot genoeg om op te spelen, sporten en recreëren. Daarnaast zal verweerder het verlies aan groen proberen te compenseren door de kwaliteit van de locatie te verbeteren met nieuwe bomen of een nieuwe sportplek. Ten slotte heeft verweerder er terecht op gewezen dat op relatief korte afstand van de locatie nog andere sport- en recreatieplekken zijn, zoals een sportveldje aan de [sportveld 1] en een open sportpark aan de [sportveld 2] .

Woon- en leefklimaat

6. Verzoekers voeren verder aan dat het bouwproject leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Verzoekers vrezen een beperking van privacy, uitzicht en lichtinval en een toename van schaduwwerking en geluidshinder. Volgens verzoekers zullen de woningen werken als een klankkast en de toekomstige bewoners van de wooneenheden zich veel buiten op het grasveld ophouden.

6.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de wooneenheden op een redelijk afstand van de bestaande woningen zullen worden gebouwd. Aan de kant van de [straat] worden de wooneenheden aan het zicht onttrokken door een bestaand hekwerk met een haag en ten opzichte van de [laan 1] geldt dat de wooneenheden worden geplaatst in de lijn van de open ruimte tussen de flats. De wooneenheden worden zodoende zorgvuldig ingepast zodat het ruimtelijk effect beperkt is. De kopse zijden van de wooneenheden zullen niet worden voorzien van ramen, maar van beplanting. Dit betekent volgens verweerder dat de privacy van de bewoners aan de Burgravenlaan en de [straat] niet zal worden aangetast. De wooneenheden hebben een hoogte van 8 m vanaf het maaiveld en dat is aanmerkelijk lager dan de bestaande woningen in de omgeving. De wooneenheden zullen daarom niet leiden tot een grote aantasting van zicht en licht. Daarnaast volgt uit de bezonningsstudie dat de wooneenheden niet zullen zorgen voor schaduwwerking op de bestaande woningen, aldus verweerder. Verweerder verwacht verder geen onaanvaardbare geluidsoverlast van de nieuwe bewoners van de wooneenheden.

6.2.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de bouw van de wooneenheden enige negatieve gevolgen zal hebben voor het woon- en leefklimaat van de omwonden van de locatie. Zij kijken nu uit op een open grasveld, terwijl het bouwproject zal zorgen voor vermindering van dit uitzicht en de privacy. Verder is niet uitgesloten dat de bewoners van de wooneenheden soms kunnen zorgen voor geluidhinder. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat deze negatieve gevolgen niet zo groot zijn dat niet meer kan worden gesproken van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de omwonenden.

6.3

De aantasting van de privacy is naar het oordeel van de voorzieningenrechter beperkt. Het gebouw wordt uitgevoerd zonder ramen in de kopse zijdes, zodat bij de woontorens aan de [laan 1] en bij de woningen aan de [straat] geen sprake zal zijn van inkijk vanuit de nieuwe wooneenheden. Verweerder heeft ter zitting bovendien toegelicht dat de trappen en galerij van de wooneenheden met een scherm zullen worden afgeschermd zodat van hieruit ook geen sprake zal zijn van inkijk. De woningen aan de Kernstraat liggen op een afstand van ruim 50 m van de wooneenheden, zodat hier geen sprake zal zijn van verminderde privacy.

6.4

De vermindering van het uitzicht zal zich met name voordoen bij de woontorens aan de [laan 1] , waar de wooneenheden het dichtst bij staan, op ruim 10 m. Verweerder heeft hiermee rekening gehouden door de manier waarop het bouwproject is ingepast. Op de bouwtekeningen is te zien dat het bouwproject in lijn met de open ruimte tussen de woontorens komt te liggen. De woontorens aan de [laan 1] behouden hierdoor het grootste deel van het uitzicht. Uit de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat een zekere mate uitzichtbelemmering inherent kan zijn aan het wonen in een stad (vergelijk de uitspraak van 4 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4081). Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder de vermindering van het uitzicht in redelijkheid niet onaanvaardbaar hoeven achten.

6.5.

Uit de door verweerder overgelegde bezonningsstudie volgt verder dat het bouwproject weinig bijdraagt aan schaduwwerking in de omgeving. Volgens verzoekers heeft een architect gezegd dat deze studie niet klopt, maar deze enkele stelling is voor de voorzieningenrechter onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van de bezonningsstudie. Het is aan verzoekers om aan de hand van concrete stukken aan te geven om welke reden en op welke punten de bezonningsstudie niet juist zou zijn. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen eisers hebben aangevoerd ook nog geen aanleiding voor het oordeel dat het bouwproject zal zorgen voor een onaanvaardbare vermindering van de lichtinval bij de woningen in de omgeving.

6.6

Ten slotte is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder zich ook in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van onaanvaardbare geluidhinder geen sprake zal zijn. De wooneenheden zullen elk door één persoon worden bewoond, zodat sprake is van een toename van hooguit 16 personen in de buurt. De voorzieningenrechter acht het niet aannemelijk dat deze 16 personen voor zoveel geluidshinder zullen zorgen dat dit onaanvaardbaar moet worden geacht. De voorzieningenrechter vindt ook hierbij relevant dat enige mate van geluidhinder inherent is aan het wonen in de stad. Dat de wooneenheden zouden zorgen voor een klankkasteffect acht de voorzieningenrechter, mede gelet op de afstand tot de woningen aan overzijde aan de Kernstraat, niet aannemelijk.

Alternatieven

7. Verzoekers voeren verder aan dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar alternatieve locaties voor de wooneenheden. Verzoekers hebben 21 alternatieve locaties voorgesteld waar de wooneenheden ook kunnen worden geplaatst. Volgens verzoekers heeft verweerder bij het onderzoeken van deze locaties niet zorgvuldig gehandeld, doordat hij de voorgestelde plekken voor wooneenheden heeft veranderd, de beoordelingscriteria niet consistent heeft toegepast en een nieuw ‘knock-out’-criterium heeft geïntroduceerd. Als gevolg hiervan heeft verweerder geconcludeerd dat slechts één alternatieve locatie in aanmerking had kunnen komen, maar dat hiervoor niet wordt gekozen omdat dan een nieuw participatietraject had moeten worden doorlopen.

7.1.

Verweerder heeft onderzoek gedaan naar de 21 alternatieve locaties die door verzoekers zijn voorgesteld. De uitkomsten hiervan zijn vastgelegd in de ‘aanvullende quick scan ruimtelijke inpassing’ van februari 2020. In deze aanvullende quick scan zijn de alternatieve locaties beoordeeld aan de hand van 8 criteria. In de aanvullende quick scan staat dat alleen de locatie aan de [laan 2] voldoet aan 7 van de 8 criteria.

7.2.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat verweerder moet beslissen aan de hand van de aanvraag zoals die is ingediend. Het bestaan van alternatieven kan slechts tot het onthouden van planologische medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door gebruikmaking van deze alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:819).

7.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een onzorgvuldig onderzoek naar de voorgestelde alternatieve locaties. Uit de aanvullende quick scan volgt dat alle locaties zijn beoordeeld aan de hand van vaste criteria. Dat verweerder heeft gekozen om alle locaties die in de Groene Hoofdstructuur liggen af te wijzen, maakt niet dat het onderzoek onzorgvuldig of onjuist is. Zoals volgt uit de hiervoor genoemde jurisprudentie dient het onderzoek naar alternatieven te gaan om een locatie met aanmerkelijk minder bezwaren. Verweerder kan in redelijkheid zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat bij locaties in de Groene Hoofdstructuur per definitie meer bezwaren bestaan. Dat verweerder de wooneenheden bij de alternatieve locatie [sportveld 2] en bij andere locaties anders heeft gepositioneerd, betekent naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ook niet dat het onderzoek niet zorgvuldig is geweest. De voorzieningenrechter ziet vooralsnog niet dat verweerder dit heeft gedaan om de alternatieve locaties minder aantrekkelijk te maken, zoals verzoekers stellen. De locatie [sportveld 2] is bovendien afgevallen omdat deze locatie volgens verweerder reeds is betrokken in de uitbereiding/revitalisatie van het [park] .

7.4.

In de aanvullende quick scan wordt geconcludeerd dat op de alternatieve locatie aan de [laan 2] een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt. Voor deze locatie geldt ook dat de wooneenheden ten koste gaan van het aanwezige groen en een speelvoorziening. Verweerder heeft toegelicht dat als voor deze locatie zou worden gekozen een nieuw participatietraject moet worden doorlopen. Bovendien moet voor deze locatie een ecologische quick scan worden gemaakt, een brug worden aangelegd om het speelveld bereikbaar te maken en de wooneenheden bouwkundig worden aangepast. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat daardoor geen sprake is van aanmerkelijk minder bezwaren. Dit betekent dat verweerder in de alternatieve locatie aan de [laan 2] geen aanleiding heeft hoeven zien om niet mee te werken aan het bouwproject.

Conclusie

8. De voorzieningenrechter ziet ook in hetgeen verzoekers verder hebben aangevoerd geen aanleiding om te veronderstellen dat de besluiten in bezwaar geen stand zullen houden. De voorzieningenrechter is mede gelet hierop van oordeel dat het belang van verzoekers bij het treffen van voorlopige voorzieningen minder zwaar weegt dan de belangen van verweerder en de woonstichting bij het realiseren van de wooneenheden. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding tot het treffen van voorlopige voorzieningen.

9. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. De beslissing van 15 juni 2020 tot het treffen van een ordemaatregel met betrekking tot de kap van de berkenbomen vervalt.

Proceskosten

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorzieningen af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.P. Jadoenathmisier, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.