Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:6768

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-07-2020
Datum publicatie
27-07-2020
Zaaknummer
AWB - 20 / 4154
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening - woningsluiting op grond van de Opiumwet. Er zijn geen meldingen van overlast of andere aangetroffen goederen. Noodzakelijkheid niet gebleken. Toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/4154

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 juli 2020 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. E.A. Breetveld),

tegen

de waarnemend burgemeester van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: S.E. el Boustati en S. Buvelot).

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder gelast de woning aan de [straat] [huisnummer] te [plaats ] (de woning) voor de duur van zes maanden te sluiten, ingaande op 6 mei 2020.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft per telefoon- en beeldverbinding plaatsgevonden op 6 juli 2020. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Uit de bestuurlijke rapportage van de politie van 18 maart 2020 blijkt dat naar aanleiding van een bedreiging met een vuurwapen de woning is doorzocht. Tijdens de doorzoeking zijn de volgende goederen aangetroffen:

- 70 paars gekleurde pillen in de vorm van dominostenen in een transparant plastic zakje, tezamen met het zakje wegend 31,1 gram (een losse pil weegt 0,4 gram);

- 12 patronen in een plastic zakje, vermoedelijk 9 millimeter;

- een vuurwapen met daarin een patroonhouder met 5 patronen; en,

- een losse patroonhouder.

Volgens de bestuurlijke rapportage zijn de pillen onderworpen aan een indicatieve test en zijn de pillen positief getest op MDMA/XTC. Verder blijkt hieruit dat verzoeker antecedenten heeft en dat hij bij de politie bekend staat als harddrugsgebruiker.

Op grond van de bestuurlijke rapportage acht verweerder zich bevoegd tot sluiting van de woning op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet over te gaan. Verweerder overweegt dat in het gebied Zuiderpark gedeald wordt in verdovende middelen en dit deel van Escamp bekend staat als een wijk waar veel dealers en gebruikers actief zijn. Verboden wapenbezit en handel in verdovende middelen brengt ongewenste risico’s met zich mee.

Vervolgens overweegt verweerder dat er een gewicht van 31,1 gram aan XTC/MDMA (harddrugs) is aangetroffen in de woning. XTC/MDMA staat vermeld op lijst II van de Opiumwet waardoor een gewicht van meer dan 0,5 gram maakt dat de aangetroffen drugs als handelshoeveelheid wordt aangemerkt. Verweerder ontleent hieraan een ernstig vermoeden dat de drugs aanwezig waren ter verkoop, aflevering of verstrekking.

Op basis van alle feiten en omstandigheden en met inachtneming van de Beleidsregel artikel 13b Opiumwet inzake woningen, lokalen en publiek toegankelijke inrichtingen, niet zijnde een horeca-, of seksinrichting (de Beleidsregel) acht verweerder de tijdelijke sluiting van de woning voor de duur van zes maanden passend en stelt dat niet met een waarschuwing kan worden volstaan.

3. Verzoeker vraagt om de sluiting van de woning op te schorten en voert aan dat hij door de politierechter is vrijgesproken voor wat betreft de Opiumwet. De onschuldpresumptie van artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden maakt dat verweerder niet na een strafrechtelijke vrijspraak twijfels mag uiten over de onschuld van verzoeker. Hij verwijst hierbij naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 januari 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:205). In zijn bezwaarschrift betoogt verzoeker dat verweerder onvoldoende heeft betrokken dat het een eerste overtreding is en hij niet eerder is gewaarschuwd. Ook stelt hij dat in de bestuurlijke rapportage geen aanwijzingen zijn voor handel in verdovende middelen en dat onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden, zoals een observatie, buurtonderzoek of uitlezing van de telefoon of computer van verzoeker. Verweerder had moeten volstaan met een waarschuwing of een sluiting van drie maanden.

4. De voorzieningenrechter acht in beginsel spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening aanwezig. Het gaat namelijk om een woningsluiting die een verregaande impact heeft op verzoeker.

Bevoegdheid

5. Tussen partijen is allereerst in geschil of verweerder bevoegd is met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet tot sluiting van de woning over te gaan.

5.1.

Verzoeker betwist de bevoegdheid met de stelling dat de politierechter hem heeft vrijgesproken omdat de politierechter er niet van overtuigd is dat de 70 pillen MDMA zijn. Verzoeker heeft ter zitting aangevoerd dat in de bestuurlijke rapportage staat dat er een indicatieve test is uitgevoerd en dat er geen test is uitgevoerd door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). In het strafrecht is de afwezigheid van een onderzoek door het NFI reden voor vrijspraak, wat in het geval van verzoeker de aanleiding is geweest om hem vrij te spreken voor het voorhanden hebben van MDMA. Volgens verzoeker is niet vast komen te staan dat de aangetroffen pillen (hard)drugs zijn waardoor niet is bewezen dat er een handelshoeveelheid drugs in de woning aanwezig was.

5.2.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 31 juli 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2625) overwogen dat, anders dan verzoeker betoogt, in een bestuursrechtelijke procedure als deze geen strafrechtelijke bewijsregels gelden. Verweerder mag, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid om het bewijs zelf vast te stellen, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal dan wel boeterapport, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het proces-verbaal dan wel boeterapport weergeven. Indien verzoeker de bevindingen betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.

5.3.

In de op ambtseed opgestelde bestuurlijke rapportage van 18 maart 2020 is vermeld dat uit een indicatieve test is gebleken dat de pillen positief testen op MDMA/XTC. De voorzieningenrechter is van oordeel – net zoals de Afdeling in voornoemde uitspraak – dat een verklaring van het NFI niet is vereist omdat in het bestuursrecht een andere bewijslast geldt dan in het strafrecht. De indicatieve test maakt voldoende aannemelijk dat de aangetroffen stoffen harddrugs waren. Niet is gebleken van aanwijzingen dat de indicatieve test ten onrechte positief is noch dat de bestuurlijke rapportage onjuistheden bevat. Het betoog van verzoeker dat niet kan worden uitgesloten dat de indicatieve test onjuist is, is hiervoor onvoldoende. De verklaring van verzoeker dat de pillen lustopwekkende middelen zijn, is niet met stukken onderbouwd en volgt de voorzieningenrechter daarom niet.

5.4.

De voorzieningenrechter overweegt hierbij dat de politierechter verzoeker niet heeft vrijgesproken omdat vast is komen te staan dat de pillen geen harddrugs betreffen, maar vanwege een gebrek aan bewijs. In de strafrechtelijke procedure van verzoeker is niet vast komen te zijn dat de pillen geen harddrugs zijn.

5.5.

De voorzieningenrechter is vervolgens van oordeel dat verweerder bevoegd is om de woning te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Als uitgangspunt in vaste rechtspraak, bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 17 maar 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:754), geldt dat bij een aanwezigheid van meer dan 0,5 gram drugs (het door het openbaar ministerie gehanteerde criterium voor eigen gebruik) de aangetroffen hoeveelheid harddrugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Verzoeker heeft dit uitgangspunt niet bestreden. Het is dan aan verzoeker om aannemelijk te maken dat de aangetroffen hoeveelheid drugs niet voor verkoop, verstrekking of aflevering aanwezig was.

5.6.

Het betoog van verzoeker dat verweerder nader onderzoek had moeten doen, zoals een buurtonderzoek of het uitlezen van de telefoon en computer van verzoeker, volgt de voorzieningenrechter in het kader van de bevoegdheid van verweerder niet. Uit het voorgaande volgt dat de aangetroffen hoeveelheid harddrugs voldoende is om de bevoegdheid van verweerder aan te nemen. De enkele stelling van verzoeker dat de drugs voor eigen gebruik zijn, leidt niet tot een ander oordeel.

Noodzakelijkheid en evenredigheid

6. Vervolgens dient aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van een woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Als sluiting van een woning in beginsel noodzakelijk wordt geacht, neemt dat niet weg dat de sluiting ook evenredig moet zijn.

6.1.

De voorzieningenrechter is van voorlopig oordeel dat verweerder in het primaire besluit onvoldoende de omstandigheden van verzoeker en de betreffende woning betrekt in zijn besluitvorming. Verweerder verwijst voor zijn motivering naar uitspraken van de Afdeling, zoals de overzichtsuitspraak van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2912). Hiermee gaat verweerder echter niet, dan wel onvoldoende in op de omstandigheden die verzoeker aanvoert in zijn zienswijze. Zo heeft verzoeker aangevoerd dat de woning keurig is ingericht, er geen overlastmeldingen zijn en geen feitelijke drugshandel is geconstateerd. Verweerder neemt echter – onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling – aan dat er zich een situatie van drugshandel voordoet. Hij gaat hiermee onvoldoende in op de feitelijke situatie zoals verzoeker die naar voren brengt.

6.2.

In de door verweerder aangehaalde uitspraak van 28 augustus 2019 wordt overwogen dat als blijkt dat drugshandel niet in of vanuit de woning plaatsvindt, er in mindere mate een ‘loop’ naar de woning is wat afbreuk doet aan de noodzaak om de woning te sluiten gelet op het herstellende karakter van de maatregel. Verweerder kan de feitelijke handel in of vanuit de woning aannemelijk maken op grond van politiewaarnemingen, meldingen en verklaringen of in de woning aangetroffen attributen die te relateren zijn aan drugshandel (zoals een weegschaal, verpakkingsmaterialen of een grote hoeveelheid contant geld en wapens). Nu verweerder stelt dat er een noodzaak is om de woning te sluiten ter bescherming van het woon- en leefklimaat, is het aan hem om in het kader van de noodzakelijkheid deze omstandigheden aannemelijk te maken of te motiveren.

6.3.

In dit kader acht de voorzieningenrechter van belang dat slechts één type harddrugs is aangetroffen, geen attributen van drugsgebruik, geen attributen van drugshandel, geen grote hoeveelheden contant geld en er geen meldingen van overlast of een loop zijn. Het ligt op de weg van verweerder om nader te motiveren waarom de enkele aanwezigheid van drugs aannemelijk maakt dat de woning betrokken is bij drugshandel en het om die reden gesloten moet worden ter bescherming van het woon- en leefklimaat, of om de feitelijke drugshandel en ‘loop’ naar de woning aannemelijk te maken.

6.4.

De voorzieningenrechter overweegt verder dat verweerder in het primaire besluit motiveert dat uit de bestuurlijke rapportage volgt dat in het gebied Zuiderpark gedeald wordt in verdovende middelen en dit deel van Escamp bekend staat als een wijk waar veel dealers en gebruikers actief zijn, maar deze omstandigheden volgen niet uit de bestuurlijke rapportage. Het is aan verweerder, indien gewenst, om nader te motiveren en te onderbouwen waarom dit specifieke woon- en leefklimaat van de wijk bijdraagt aan de noodzakelijkheid van de woningsluiting.

6.5.

Ook motiveert verweerder in het primaire besluit dat hij concludeert dat verzoeker al geruime tijd in de woning zich structureel bezig houdt met de handel in verdovende middelen in en vanuit de woning. Verweerder heeft echter niet gemotiveerd waaruit blijkt dat er vanuit de woning een structurele handel in verdovende middelen plaatsvindt. De antecedenten van verzoeker met betrekking tot de Opiumwet zijn uit 2011 en 2013 en volgens de Beleidsregel van verweerder wordt voor recidive een verjaringstermijn van drie jaar gehanteerd.

6.6.

De voorzieningenrechter ziet in de aanwezigheid van het vuurwapen, de patroonhouder en patronen, mede gelet op wat verzoeker hierover heeft verklaard, in de specifieke omstandigheden van dit geval onvoldoende aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

7. De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of bij afweging van de betrokken belangen aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord. Hoewel niet valt uit te sluiten dat verweerder in de bezwaarschriftprocedure zijn standpunt nader zal kunnen onderbouwen, dient bij de huidige stand van zaken de belangenafweging in het voordeel van verzoeker uit te vallen. Gelet op de voor verzoeker zeer ingrijpende gevolgen van de sluiting van zijn woning weegt het belang van verzoeker bij het treffen van een voorlopige voorziening zwaarder dan het belang van verweerder bij de onmiddellijke uitvoering van het primaire besluit. De voorzieningenrechter zal het besluit schorsen tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

8. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toewijst, bepaalt hij dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 178,- vergoedt.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat aanleiding. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1050,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    schorst het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht aan verzoeker te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1050,-, te betalen aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G.A. Verhoeven, griffier. De uitspraak is gedaan op 20 juli 2020.

griffier voorzieningenrechter

Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.