Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:6694

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-07-2020
Datum publicatie
20-07-2020
Zaaknummer
C/09/595193 / FA RK 20-4110
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming vakantie naar Italië bij code "geel" in combinatie met gezondheid minderjarige die tot risicogroep COVID-19 hoort afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0197
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 20-4110

Zaaknummer: C/09/595193

Datum beschikking: 17 juli 2020

Vervangende toestemming vakantie

Beschikking op het op 29 juni 2020 ingekomen verzoek van:

[Y]

de vader,

wonende te [woonplaats]

advocaat: mr. L.M.J. Duijverman te ‘s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[X]

de moeder,

wonende te [woonplaats]

advocaat: mr. E.J.W. Schuijlenburg te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift.

Op 16 juli 2020 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader en de moeder, bijgestaan door hun advocaten en mevrouw [medewerker RvdK] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Verzoek en verweer

De vader heeft in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht hem toestemming te verlenen, welke de toestemming van de moeder vervangt, om met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar [streek in Italië] , Italië, te reizen via Duitsland en Zwitserland van 19 juli 2020 tot en met 5 augustus 2020, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en met veroordeling van de moeder in de proceskosten.

De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

  • -

    De moeder en de vader zijn met elkaar gehuwd geweest van [huwelijksdatum] 2008 tot [echtscheidingsdatum] 2016.

  • -

    Zij zijn de ouders van de volgende twee nu nog minderjarige kinderen:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geb. datum MJ 1] 2008 te [geb. plaats MJ 1]

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geb. datum MJ 2] 2011 te [geb. plaats MJ 2]

  • -

    De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit.

  • -

    Bij beschikking van deze rechtbank van [beschikking echtscheiding] 2016 is de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken en is bepaald dat het aangehechte convenant en ouderschapsplan deel uitmaken van die beschikking. In dat ouderschapsplan zijn de ouders onder meer overeengekomen dat [minderjarige 2] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft, dat [minderjarige 1] haar hoofdverblijfplaats bij de vader heeft, dat er een zorgregeling geldt zoals is opgenomen in bijlage 1 van dat ouderschapsplan alsmede een verdeling van de vakanties en feestdagen.

  • -

    Bij beschikking van deze rechtbank [datum beschikking 1] 2020 is onder meer een voorlopige zorgregeling conform aangehecht schema vastgesteld en is iedere verdere beslissing over het hoofdverblijf, de zorgregeling, de kinder- en partneralimentatie aangehouden in afwachting van het traject [zorgtraject] waar de ouders zich via de gemeente [gemeente] voor hebben aangemeld.

  • -

    Bij beschikking van deze rechtbank van [datum beschikking 2] 2020 is, nu het traject bij [zorgtraject] voortijdig is beëindigd, aan de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten over de vraag welke hoofdverblijfplaats in het belang van [minderjarige 1] is en welke zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is en iedere verdere beslissing over het hoofdverblijf, de zorgregeling, de kinder- en partneralimentatie is pro forma aangehouden tot 1 december 2020.

  • -

    Op 19 juni 2020 heeft de vader aan de moeder gemaild:“ We hebben geboekt van 20 juni tot 4 aug en hebben dan nog een dagje heen en terug reistijd. So you know…”.

  • -

    De moeder heeft hierop op 20 juni 2020 teruggemaild: “gezien de huidige medische omstandigheden, ga ik hier niet mee akkoord. Dit is weer zonder overleg. Ik ga dit doorgeven aan de advocaat voor de rechtszaak. (…) P.s. ik neem aan dat je 20 juli bedoelt ipv juni.

  • -

    Hierop heeft vader teruggemaild: “aan [afkorting naam X]
    Kan je me dit uitleggen? Het ministerie van buitenlandse zaken vind Italie namelijk veilig.

  • -

    De vader heeft bij brief van 24 juni 2020 de moeder verzocht alsnog schriftelijke toestemming te verlenen. Hij heeft toen tevens vermeld het advies van het ministerie van buitenlandse zaken te volgen. “(…) Het is veilig in Italië en in de tussenliggende landen (Duitsland en Zwitserland). Er wordt door het ministerie geen nieuwe lockdown verwacht. Als de veiligheidssituatie verandert zullen we handelen volgens het advies van het ministerie door eventueel de reis te annuleren, of eerder af te breken. (…)”

  • -

    Bij monde van haar advocaat laat de moeder op 25 juni 2020 weten niet in te stemmen met de vakantie en dat de vader zijn vakantieplannen moet wijzigingen en in Nederland doorbrengen of zonder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar Italië afreizen. Daarbij heeft de advocaat vermeld dat in de afgelopen periode de verhoudingen tussen partijen er helaas niet beter op zijn geworden en daaraan draagt helaas bij dat de vader zonder enig overleg met de moeder een vakantie met de kinderen blijkt te hebben geboekt naar Italië.

Beoordeling

Op grond van artikel 1:253a, eerste lid BW kunnen, ingeval van gezamenlijke uitoefening van het gezag, geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders, of één van hen, aan de rechtbank worden voorgelegd. Partijen waren ter zitting niet te verenigen. De rechtbank zal daarom nu een zodanige beslissing nemen als haar in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wenselijk voorkomt.

De vader stelt dat de ouders bij [zorgtraject] zijn overeengekomen dat hij de moeder zal informeren over een volgende vakantie voordat hij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] informeert en dat de moeder daarbij geen inspraak heeft in de keuze van het vakantieland. In aanvulling daarop heeft de vader ter zitting desgevraagd verklaard dat de ouders zijn overeengekomen dat de moeder in redelijkheid geen inspraak zou hebben op de vakantiebestemming. Hij is van mening dat er geen reden is voor zijn ex-partner om te bepalen waar hij naartoe gaat op vakantie en dat dit ook zo is besproken bij de mediator. Nu geen sprake is van code “oranje” of code “rood” en geen extra zwaarwegend bezwaar in verband met de fysieke conditie van [minderjarige 2] , dient hem de toestemming voor de vakantie te worden verleend, aldus de vader.

De moeder betwist de door de vader gestelde afspraak bij [zorgtraject] te hebben gemaakt. Zij stelt dat de ouders bij de mediator hebben besproken dat zij vanwege co-ouderschap zouden overleggen over de vakantiebestemming. Reden voor de onthouding van de toestemming van de moeder is dat voor de vakantiebestemming van de vader, Italië, code “geel” geldt. Dit betekent dat sprake is van veiligheidsrisico’s. Daarbij komt dat [minderjarige 2] tot een risicogroep behoort voor COVID-19. [minderjarige 2] is met een ontwikkelingsachterstand (zuurstofgebrek en een longontsteking) geboren. Hij heeft overgewicht en een slechtere algehele conditie dan een gemiddeld kind. Daarnaast is [minderjarige 2] het hele jaar door verkouden. De moeder maakt zich dan ook zorgen. Zij vindt het onverantwoord dat vader onder deze omstandigheden met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op vakantie naar Italië wil. Zou geen sprake zijn van de COVID-19-problematiek dan zou zij geen bezwaar hebben tegen een vakantie van beide kinderen naar Italië.

De rechtbank overweegt het volgende. Tegenover de betwisting van de moeder heeft de vader de door hem gestelde afspraak bij [zorgtraject] niet onderbouwd. De rechtbank kan hiervan dus niet uitgaan.

Ter zitting is namens de vader nog naar voren gebracht dat de ouders in het ouderschapsplan enkel een verdeling van de vakanties zijn overeengekomen en dus niet expliciet dat de moeder inspraak zou hebben op de vakantiebestemming. Ook hieruit zou moeten worden afgeleid dat de moeder zich bij de keus van de vader om naar Italië met vakantie te gaan heeft neer te leggen. De rechtbank volgt deze stelling evenmin. Immers, uit de wet vloeit voort dat bij gezamenlijk gezag toestemming van de andere ouder voor (vakantie)reizen naar het buitenland nodig is; dit betreft zowel de periode alsook de bestemming. Vanzelfsprekend is het juist in het geval van reizen naar het buitenland van groot belang dat de andere gezaghebbende ouder zich kan vinden in de locatie waar de andere ouder met de kinderen zijn vakantie wenst door te brengen, althans dat die andere ouder daartegen in redelijkheid geen bezwaar kan hebben.

Vaststaat dat de moeder haar toestemming niet heeft gegeven, zodat de rechtbank dient te beoordelen of zij in haar plaats toestemming zal verlenen. Hiertoe overweegt de rechtbank verder als volgt. De omstandigheid dat de vader over de vakantiebestemming geen overleg heeft gepleegd, siert hem niet. Dit is, gelet op het hiervoor vermelde toetsingskader, echter onvoldoende om hem nu de verzochte vervangende toestemming te weigeren.

Ten tijde van de mondelinge behandeling en deze uitspraak geldt voor reizen naar Duitsland, Zwitserland en de gewenste eindbestemming in [streek in Italië] , Italië, code “geel”. Dat betekent dat reizen naar die landen is toegestaan, maar dat wel sprake is van veiligheidsrisico’s. Bij deze stand van zaken is ook de omstandigheid dat sprake is van code “geel” onvoldoende om geen toestemming te verlenen. Immers, het reizen is toegestaan en er zijn vele Nederlanders die ervoor kiezen in deze omstandigheden naar zo’n land met vakantie te gaan en niet in Nederland te blijven.

Echter, in het onderhavige geval is het de vraag of sprake is van een extra zwaarwegend bezwaar, gelegen in de gezondheid van [minderjarige 2] , om de toestemming niet te verlenen. Dat [minderjarige 2] destijds met een ontwikkelingsachterstand is geboren, brengt niet zonder meer met zich dat geen toestemming voor de vakantie zou moeten worden verleend. Relevant is immers hoe de fysieke (en mentale) situatie van [minderjarige 2] op dit moment is. Tussen partijen staat vast dat [minderjarige 2] cognitieve- en motorische beperkingen heeft. Verder is tussen partijen niet in geschil dat hij overgewicht heeft en dat hij in vergelijking met andere kinderen van zijn leeftijd een minder goede conditie heeft. [minderjarige 2] kan wel fietsen en dergelijke maar houdt dat minder lang vol. Dat [minderjarige 2] , zoals de moeder stelt, het hele jaar door verkouden is, kan de rechtbank niet vaststellen. De vader heeft dit betwist en de moeder heeft dit, tegenover zijn betwisting, niet onderbouwd.

De omstandigheden dat [minderjarige 2] overgewicht heeft alsook dat hij geen normale conditie heeft, brengen mee dat hij, zoals de moeder stelt, in een risicogroep valt voor COVID-19. In combinatie met de code “geel” zoals deze op dit moment geldt voor Duitsland, Zwitserland en Italië, waarbij reizen weliswaar is toegestaan maar sprake is van veiligheidsrisico’s, acht de rechtbank een vakantiereis naar Italië op dit moment niet in het belang van [minderjarige 2] . Deze reis geeft onnodig risico’s. De situatie die door de reis ontstaat is voor [minderjarige 2] en zijn gezondheid te onzeker.

Nu het partijdebat zich uitsluitend heeft gericht op de vraag of toestemming kan worden verleend voor een vakantie naar Italië met beide kinderen en de rechtbank een vakantie naar Italië op dit moment niet in het belang van [minderjarige 2] acht, zal de rechtbank het verzoek van de vader integraal afwijzen.

Bij deze stand van zaken is er geen reden om de moeder in de proceskosten te veroordelen. De rechtbank zal de proceskosten tussen de ouders compenseren, op de hierna vermelde wijze.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek van de vader af.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J. Alt-van Endt, kinderrechter, bijgestaan door

mr. S. Verhoef als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 17 juli 2020.