Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:6574

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-04-2020
Datum publicatie
22-07-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2897
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bodemprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/2897

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 april 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. G.V. van der Bom),

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. van Dongen).

Procesverloop

Bij besluit van 11 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het rijbewijs van eiser ongeldig verklaard vanaf 18 januari 2019.

Bij besluit van 27 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2020.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1 Op 4 juli 2018 heeft een hoofdagent van politie Eenheid Den Haag aan verweerder een schriftelijke mededeling gedaan, inhoudende dat het vermoeden bestaat dat eiser niet beschikt over de vereiste geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven. Het vermoeden is gebaseerd op het feit dat eiser op 4 juli 2018 een aanrijding heeft veroorzaakt. Eiser reed slingerend, heeft een geparkeerde bestelauto geraakt en heeft een lantaarnpaal omver gereden.

1.2 In het proces-verbaal van bevindingen van 4 juli 2018 heeft een hoofdagent van de politie Eenheid Den Haag vermeld dat hij ter plaatse was in verband met een aanrijding en aldaar heeft gesproken met eiser. Tijdens het gesprek zag hij dat de hand van eiser in een voor hem vreemde positie stond. Eiser vertelde dat hij een spieraandoening heeft en dat zijn spieren aan de linkerkant van zijn lichaam korter zijn dan dat zij normaal horen te zijn. Tijdens het gesprek zag de hoofdagent dat eiser beide armen aanspande en dat deze behoorlijk aan het trillen waren. Hij had beide vuisten gebald. Tevens merkte hij dat eiser gespannen en schichtig gedrag vertoonde. Hij keek veelvuldig om zich heen, het gesprek ging van de hak op de tak en eiser kon niet stil staan.

1.3 Naar aanleiding van de mededeling heeft verweerder eiser bij besluit van 7 augustus 2018 een onderzoek naar de rijgeschiktheid opgelegd. Eiser heeft zijn medewerking aan dit onderzoek verleend.

1.4 Verweerder heeft bij het primaire besluit het rijbewijs van eiser ongeldig verklaard vanaf 18 januari 2019, omdat eiser meer dan één epileptische aanval in de voorgeschiedenis heeft gehad, waardoor hij ongeschikt is voor rijbewijzen voor groep 1 tot een jaar na de laatste aanval. Verweerder heeft het besluit gebaseerd op de rapporten van [neuroloog] , neuroloog, van 15 oktober 2018 en 11 december 2018.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, met verwijzing naar het tweede rapport van de neuroloog van 11 december 2018. Op de hoorzitting in bezwaar bleek eiser niet bekend te zijn met het tweede rapport, waarna de voorzitter van de commissie eiser een afschrift hiervan heeft verstrekt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het gebrek van het niet verstrekken van het tweede rapport hierdoor is geheeld. Verweerder heeft voorts opgemerkt dat eiser geen bewijs heeft overgelegd waaruit blijkt dat het incident op 4 juli 2018 het gevolg was van een mankement aan zijn auto.

3. Eiser heeft in beroep verwezen naar het eerste rapport van de arts, waarvan de conclusie luidt dat indien de auto geen technische mankementen vertoont, het niet te bepalen is hoe het ongeval precies is veroorzaakt. Pas tijdens de hoorzitting hoorde eiser dat er een tweede medisch rapport was en kreeg hij een kopie. Eiser is toen niet in de gelegenheid gesteld om in rust van het rapport kennis te nemen. Het gebrek is dan ook niet geheeld door het rapport alsnog op de hoorzitting te overhandigen. De besluitvorming is onzorgvuldig geweest.

Eiser wijst er op dat de keurend arts in het eerste rapport heeft geconcludeerd dat niet kan worden vastgesteld of het ongeval plaatsvond als gevolg van een technisch defect aan de auto dan wel door een epileptische aanval. Eiser kan zich het gehele incident ook herinneren en heeft hier uitgebreid over verklaard bij de arts. De arts deelde daarop tijdens het gesprek mede dat een volledige herinnering aan het incident niet mogelijk zou moeten zijn bij een epileptische aanval. De politie ter plaatse neemt ook niet waar dat eiser onderhevig is aan een epileptische aanval, dan wel dat hij deze vlak daarvoor zou hebben gehad.

Eiser stelt tot slot dat het incident wel degelijk heeft plaatsgevonden als gevolg van een technisch defect aan zijn auto. Eiser verwijst daartoe naar het rapport van garage [B.V.] . ( [B.V.] ) van 8 april 2019.

4. De van belang zijnde wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

5.1 Aan de orde is de vraag of verweerder met recht de ongeldigverklaring van het rijbewijs van eiser heeft gehandhaafd. De rechtbank stelt vast dat in beide rapporten van de neuroloog [neuroloog] de mogelijkheid open wordt gehouden dat het ongeval is veroorzaakt door een technisch mankement aan de auto of een epileptische aanval. In het eerste rapport van 15 oktober 2018 meldt de neuroloog: “Het is niet duidelijk of het gebeurde plaats vond op basis van een technisch defect aan de auto van betrokkene of door een partieel complexe epilepsie aanval.”… “Indien de auto geheel geen mankementen toont is niet te bepalen hoe het ongeval precies is veroorzaakt. Maar een complex epileptische aanval, die niet door betrokkene zelf is gemerkt zou tot de mogelijkheden kunnen behoren. De pertinente anamnese van betrokkene pleit hier echter tegen.” Verweerder heeft de arts vervolgens op 28 november 2018 om nadere informatie gevraagd. Op 11 december 2018 heeft de arts het rapport aangevuld en vermeld: “omdat er geen sprake is van mogelijk technisch defect aan de auto van betrokkene, moet het incident van 4 juli 2018 worden betracht als zijnde het gevolg van een epileptische aanval zoals die in het verleden reeds meermalen is voorgekomen.

Eiser heeft aangevoerd dat het ongeval juist wel heeft plaatsgevonden door een technisch mankement aan de auto en heeft daartoe verwezen naar het door hem overgelegde rapport van [B.V.] van 8 april 2019, waarin wordt vermeld dat de achterophanging uit de carrosserie is gescheurd en dat dit defect het ongeluk van 4 juli 2018 heeft kunnen veroorzaken. In zijn verweerschrift heeft verweerder daarop in reactie gesteld dat de scheuring van de achterophanging uit de carrosserie ook een gevolg van de aanrijding kan zijn geweest.

5.2 De rechtbank komt tot het volgende oordeel. Nu uit het rapport van [B.V.] van 8 april 2019 blijkt dat het ongeval wel degelijk mogelijk door een technisch defect aan de auto is veroorzaakt en de door verweerder ingeschakelde neuroloog slechts tot de conclusie komt dat het ongeval het gevolg moet zijn geweest van een epileptische aanval, omdat er geen sprake is van een mogelijk technisch defect aan de auto, had verweerder zijn besluit nader moeten motiveren. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat de neuroloog in het eerste rapport opmerkt dat de pertinente anamnese van eiser pleit tegen een complex epileptische aanval. De enkele opmerkingen van verweerder dat het defect ook door het ongeluk kan zijn veroorzaakt en dat eiser een belang kan hebben bij het ontkennen van een epileptische aanval en de verklaring daarom niet conform de waarheid hoeft te zijn, zijn onvoldoende. Er is dan ook sprake van een motiveringsgebrek.

De overige gronden behoeven geen bespreking meer.

6. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht het geschil finaal te beslechten door zelf in de zaak te voorzien, omdat het aan verweerder is om het onder rechtsoverweging 5.2 geconstateerde gebrek te herstellen. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

7. De rechtbank bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht dient te vergoeden en veroordeelt hem in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,-, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.S.F. de Nijs, rechter, in aanwezigheid van

mr. M. Tijsma, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dit zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op rechtspraak.nl.

griffier rechter

de griffier is verhinderd de uitspraak

mede te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage | Juridisch kader

Wegenverkeerswet 1994

In artikel 130, tweede en derde lid van de WvW 1994 is bepaald dat indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling doen aan het CBR onder vermelding van feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Op grond van artikel 134, eerste lid, van de WvW 1994, voor zover van belang, stelt het CBR zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de bevindingen van de deskundige of deskundigen, de uitslag van het onderzoek vast. Op grond van het tweede lid van deze bepaling besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Op grond van het derde lid, eerste volzin, van die bepaling deelt het CBR, indien het voornemens is het rijbewijs ongeldig te verklaren, dit aan de houder mede, onder mededeling van de bevoegdheid van betrokkene om binnen twee weken een tweede onderzoek te verlangen.

Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Op grond van artikel 27, aanhef en onder b, van de Regeling 2011 besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, als bedoeld in artikel 134, derde lid, van de WvW 1994, indien de uitslag van het onderzoek, onderscheidenlijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene niet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen voldoet.

Regeling eisen geschiktheid 2000

Op grond van artikel 2 van de Regeling 2000 worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

In paragraaf 7.2.2 onder a. van de bijlage bij de Regeling 2000 staat dat personen met meer dan één epileptische aanval in de voorgeschiedenis ongeschikt zijn voor rijbewijzen van groep 1 tot een jaar na de laatste aanval.