Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:6572

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-07-2020
Datum publicatie
16-07-2020
Zaaknummer
09/765007-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling,

terwijl het feit de dood ten gevolge heeft en legt aan de verdachte een

gevangenisstraf voor de duur van 44 maanden op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2020/302
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/765007-19

Datum uitspraak: 16 juli 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

[geboortedatum] 1990 [geboorteplaats] ,

[adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 27 januari 2020 (regie) en ter terechtzitting van 29 juni 2020 en 2 juli 2020 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr.

C.J. Kroon en van hetgeen door de verdachte en zijn raadvrouw mr. K. Logtenberg naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 februari 2018 te Den Haag [slachtoffer] heeft mishandeld door na te laten hem uit het water te helpen en/of hulp in te schakelen om hem uit het water te (doen) helpen, terwijl het aan verdachte bekend was dat deze [slachtoffer] in het koude water lag en/of in nood verkeerde, welk feit de dood van [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 februari 2018 te Den Haag grovelijk, althans aanmerkelijk nalatig is geweest door [slachtoffer] niet uit het (koude) water te helpen en/of geen hulp in te schakelen om hem uit het water te (doen) helpen, terwijl het aan verdachte bekend was dat deze [slachtoffer] in het koude water lag en/of in nood verkeerde, waardoor het aan de schuld van verdachte te wijten is dat [slachtoffer] is overleden;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 februari 2018 te Den Haag, terwijl hij getuige was van het ogenblikkelijk levensgevaar waarin [slachtoffer] verkeerde, heeft nagelaten deze die hulp te verlenen of te verschaffen die hij hem, zonder gevaar voor zichzelf of anderen redelijkerwijs te kunnen duchten, verlenen of verschaffen kon, terwijl de dood van deze [slachtoffer] is gevolgd.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Op 19 februari 2018 heeft [moeder slachtoffer] melding gedaan van vermissing van haar 17-jarige zoon [slachtoffer] ). In de dagen daarna zijn eerst de familie en vrienden van [slachtoffer] naar hem gaan zoeken. Ook de politie heeft een onderzoek ingesteld naar de vermissing van [slachtoffer] . Hieruit is gebleken dat de verdachte de avond voor de vermissing contact heeft gehad met [slachtoffer] en dat [slachtoffer] enige tijd in de wijk waar de verdachte woonachtig was, heeft rondgelopen. De verdachte is vervolgens als getuige gehoord en heeft verklaard dat hij die avond een date had met [slachtoffer] naast het ‘ooievaarseiland’ op zijn ponton, waarop hij een ingericht schuurtje heeft, die hij gebruikt om vanaf te vissen. De verdachte heeft toen tegen de politie gezegd dat hij niet wist wat er met [slachtoffer] was gebeurd nadat hij hem na de date weer aan de kant had afgezet.

Op 25 en 26 februari 2018 zijn anonieme meldingen bij de politie binnengekomen inhoudende dat [slachtoffer] was verdronken in de grote plas in Ypenburg nabij het fietsbruggetje/aan de kant van de [straatnaam 7] . [slachtoffer] zou daar zeker al een week liggen. Bij één van de meldingen werd de naam van de verdachte genoemd. Vervolgens is op 26 februari 2018 het levenloze lichaam van [slachtoffer] aangetroffen in het water “De Blauwe Loper” in Ypenburg, Den Haag. Er heeft daarna een grootschalig onderzoek plaatsgevonden, wat heeft geleid tot aanhouding van de verdachte.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld wat er die bewuste nacht met [slachtoffer] is gebeurd, in hoeverre de verdachte hierbij betrokken is geweest, en zo ja of die betrokkenheid een strafbare gedraging oplevert en welke van de drie ten laste gelegde gedragingen dan bewezen kan worden verklaard.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair ten laste gelegde (mishandeling van [slachtoffer] met de dood ten gevolge) en tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde (dood door schuld).

Op zijn nadere standpunten zal hierna, voor zover relevant, nader worden ingegaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs.

Op haar nadere standpunten zal, voor zover relevant, door de rechtbank hierna worden ingegaan.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

3.4.1

De revelante bewijsmiddelen en verklaringen van de verdachte

Om de vraag te kunnen beantwoorden wat er de bewuste nacht met [slachtoffer] is gebeurd en in hoeverre de verdachte hierbij betrokken kan zijn geweest, heeft de rechtbank gelet op de volgende bewijsmiddelen.

De processen-verbaal van bevindingen en het sectieverslag

Op 25 februari 2018 heeft een anonieme beller via de alarmlijn 112 een melding bij de politie gedaan waarin hij zei dat hij belde over de vermiste jongen [slachtoffer] . Hij wist dat [slachtoffer] was verdronken in de grote plas bij het fietsbruggetje naast de [straatnaam 4] en dat hij daar al een week zou liggen.2 Na onderzoek te hebben gedaan naar de identiteit van de anonieme beller, vermoedt de politie dat de latere [getuige 1] ) de anonieme beller is.3 [getuige 1] heeft later toegegeven dat hij inderdaad 112 heeft gebeld en de anonieme beller is geweest.4

Vervolgens is op 26 februari 2018 in het water “De Blauwe Loper”, gelegen tussen het [straatnaam 2] en het [straatnaam 3] te Den Haag, het stoffelijk overschot aangetroffen van [slachtoffer] .5 Het stoffelijk overschot was volledig aangekleed en lag vastgezogen op zijn buik op de bodem van voornoemd water.6 In de jas van [slachtoffer] is een iPhone aangetroffen.7

Uit de sectie op het lichaam van [slachtoffer] is niet gebleken van een anatomische of toxicologische doodsoorzaak. Gelet op de situatie bij vinding moet verdrinking volgens het sectieverslag als mogelijke doodsoorzaak worden overwogen. Verdrinking kan met een sectie niet worden aangetoond of uitgesloten.8

De Forensische Opsporing Rotterdam heeft een tekening gemaakt van de situatie ter plaatse. Hierop zijn de posities aangegeven van het ponton van de verdachte, het eiland waaraan het ponton lag en de plaats waar [slachtoffer] is aangetroffen.9 Op de tekening is te zien dat [slachtoffer] ongeveer 55 meter van de kade is aangetroffen, ongeveer 12 meter van het eiland en ongeveer 16 meter vanaf het ponton van de verdachte.10

Uit onderzoek van de iPhone van [slachtoffer] is verder het volgende gebleken. Op 19 februari 2018 zijn er om 00:05:16 uur, 00:06:31 uur en 00:08:39 uur locatiebepalingen vastgelegd via Snapchat, te weten de locatie [straatnaam 3] ter hoogte van de openbare [naam school] te Den Haag.11

In verband met het onderzoek naar de vermissing en het overlijden van [slachtoffer] zijn er beelden veiliggesteld door bewoners van de [straatnaam 5] en [straatnaam 6] .

Omstreeks 00:56:27 is vermoedelijk [slachtoffer] voor het laatst te zien op deze camerabeelden. Hij beweegt dan in de richting van het [straatnaam 3] .12

Door [verbalisant] van het team Digitale Opsporing is onderzoek verricht naar de batterijregistraties van de iPhone van [slachtoffer] van 19 februari 2018.

Hij heeft geconstateerd dat die nacht tussen 00:52 uur en 01:06 uur sprake was van een grote temperatuurafname van de batterij van 9,9 graden naar 5,9 graden Celsius. Tussen 01:06 uur en 01:08 uur was sprake van een temperatuurafname van de batterij van 5,9 graden naar 4,7 graden Celsius. Verder was er tussen 01:06 uur en 01:08 uur sprake van een grote afname van het batterijlevel, te weten van 22% naar 6%. Dit laatste kan volgens [verbalisant] duiden op een calamiteit. De laatste registratie was op 19 februari 2018 om 01:14 uur. Op dit tijdstip is de iPhone vermoedelijk uitgegaan.13

[naam 2] , werkzaam als senior medewerker handhaving bij het Hoogheemraadschap van Delfland, heeft op vragen informatie verstrekt over het water waarin [slachtoffer] is aangetroffen betreffende de periode van 18 februari 2018 tot en met 26 februari 2018, inhoudende:

“Hierbij de gevraagde info mbt het water waar [slachtoffer] gevonden is. Dit gebied Ypenburg heet bij ons [straatnaam 8] .

Uit gegevens van onze afdeling peilbeheer blijkt dat het gemaal niet heeft gedraaid van 15 februari tot 26 februari rond 9 uur. Op 26 februari is pomp 2 gaan draaien. In [de] praktijk beteken[t] dit dus dat op 26 februari omstreeks 09:00 uur er een lichte stroming is ontstaan vanaf de vindplaats van [slachtoffer] in de richting van Delft (ons gemaal).

De gemeten watertemperatuur is als gemeten in [het] hoof[d]water [straatnaam 9] bij ons gemaal te Rotterdam. Deze is nagenoeg vergelijkbaar met de watertemperatuur in de [straatnaam 8] nabij Ypenburg. De watertemperatuur schommelt dus zo tussen de nul en twee graden.” 14

De getuigenverklaringen

[getuige 1] heeft op 5 maart 2018 verklaard dat hij goed contact met de verdachte heeft en dat de verdachte hem op 21 februari 2018 heeft verteld dat hij op zondagavond een date had gehad met [slachtoffer] . Hij had hem opgepikt en afgezet bij het schooltje en had daarna [slachtoffer] opeens in het water gezien vanaf zijn ponton en hem ‘help’ horen roepen. De verdachte hoorde angst in zijn stem en hij zag [slachtoffer] onder water gaan. Hij zag de handen van [slachtoffer] krom gaan en dat er heel lang luchtbellen waren. Volgens [getuige 1] heeft de verdachte toe staan kijken. De verdachte is er met zijn bootje naartoe gegaan en heeft vervolgens goed om zich heen gekeken of er geen andere mensen waren. Hij heeft de ov-chipkaart van [slachtoffer] , in hele kleine stukjes verknipt. De verdachte heeft tegen hem gezegd dat hij misschien wel gelijk 112 had moeten bellen.15

[getuige 1] is op 7 maart 2018 nogmaals door de politie gehoord en heeft toen verklaard dat de verdachte hem had verteld dat de verdachte op zijn bed lag op het vlot toen hij een gil hoorde en [slachtoffer] zag verdrinken.16

[getuige 2] heeft verklaard dat de verdachte een vriend van hem is en dat hij altijd met hem vist. De verdachte vertrouwt hem en hij lucht zijn hart bij hem. De verdachte doet dit ook bij ene [getuige 1] . De verdachte heeft hem op 19 februari 2018 verteld dat hij de afgelopen nacht iemand had horen roepen. De verdachte sliep die nacht op zijn pontonboot. Op 20 februari is de verdachte weer over dat verhaal begonnen en heeft toen tegen [getuige 2] verteld dat hij een date had gehad en dat hij iemand had horen schreeuwen. De verdachte had iemand in het water gezien en onder zien gaan. Hij had gezien dat de beiden armen nog omhoog staken en dat dit was bij het kleine eiland bij de brug. De verdachte heeft de naam van de jongen genoemd en dat was [slachtoffer] . Op 23 februari heeft de verdachte hem uitleg gegeven over de plek waar de jongen vermoedelijk naar de bodem was gezonken en tegen hem gezegd dat de jongen zijn verkrampte handen omhoog hield en onder ging. Hij had de jongen afgezet bij de basisschool en is daarna teruggevaren naar zijn pontonboot. Vervolgens had hij iemand horen roepen. Op dat moment was hij binnen in zijn hut. Het klonk alsof iemand schrok van het koude water alsof hij een koude douche over zich heen kreeg. Hij dacht dat [slachtoffer] de wijk was rondgelopen omdat hij vermoedde dat [slachtoffer] zijn HTM-pas was vergeten op zijn pontonboot. De verdachte had verteld dat hij dat pasje had weggegooid en dat hij dit had gedaan omdat hij wilde voorkomen dat er bewijzen waren dat [slachtoffer] die avond op zijn pontonboot was geweest.

[getuige 2] heeft aan de verdachte gevraagd waarom hij niet direct de politie had gebeld toen [slachtoffer] onderging. De verdachte heeft toen gezegd dat het de schuld van [slachtoffer] was en dat hij dan maar niet moest gaan zwemmen en dat hij hem gewoon had kunnen bellen om te vertellen dat hij iets vergeten was. Op de vraag hoe groot de afstand was tussen de boot van de verdachte en de plek waar [slachtoffer] onder water is gezakt, heeft [getuige 2] geantwoord dat de verdachte tegen hem heeft verteld dat [slachtoffer] voor hem te ver weg was om nog iets te doen en dat [slachtoffer] kennelijk toch al onderkoeld zou zijn.17

De OVC-gesprekken

Tijdens de vertrouwelijke communicatie die is opgenomen in de woning van de verdachte en diens ouders, is het volgende gezegd:

[vader van de verdachte]

[verdachte]

[moeder van de verdachte]

12-3-2018:

[vader van de verdachte] : “…Jij hebt aan iemand verteld dat die jongen daar ligt. Aan wie heb je dat verteld?”

[verdachte] : “ [getuige 1] ”

[vader van de verdachte] : “Wanneer leer jij nou een keer je muil te houden”.

[verdachte] : “…Ik heb het niet tegen jullie verteld om jullie te beschermen”

[vader van de verdachte] : “…Hoe kom je dan bij je bolle hersens om het wel aan [getuige 1] te vertellen?”

[verdachte] : “Omdat ik hem vertrouwde”

[vader van de verdachte] : “ [getuige 1] is niet te vertrouwen. Dat zie je nu wel die hangt je gewoon op. [getuige 2] en [getuige 1] die hebben jou gewoon opgehangen.”

[vader van de verdachte] : “Heb je hem zien zinken?”

[verdachte] : ”Ja ik heb hem Ik heb hem gezien ja”

[vader van de verdachte] : “Hoe ver was hij van je vlot af?”

[verdachte] : “Een meter of 15, 20”

[verdachte] : “…Hij moet daar heen gezwommen zijn…”

[vader van de verdachte] : “Aan wie heb je het nog meer verteld?”

[verdachte] : “Alleen tegen [getuige 2] ”

13-3-2018

[vader van de verdachte] : “Die vrijdagavond dat die vent die agent voor de deur stond? Toen zat [getuige 1] bij je op je vlot. Heb je het toen verteld?”

[verdachte] : “Nee volgens mij niet…dat was bij hem thuis”

….

[vader van de verdachte] : “En was dat nadat ze hem gevonden hadden of was dat daarvoor?”

[verdachte] : “Daar voor nog”

[vader van de verdachte] : “ [getuige 1] wist dat jij een afspraakje had met die gozer?”

[verdachte] : “Ja”

[vader van de verdachte] : “…Wist hij toen wel dat hij er lag?”

[verdachte] : “Ja…”

….

[vader van de verdachte] : “ja hij zegt ik hem daar afgezet ik lag in bed ik hoorde een hoop geschreeuw, ik kijk door het raampje en toen zag ik handen in het water. Toen heb ik me aangekleed en naar buiten en toen was hij weg. Ja, dat kan.”

[moeder van de verdachte] : “Ja…Maar dan moet hij dan toch vertellen!!! Zeg het dan ook.”

[moeder van de verdachte] wil weten hoe [getuige 1] wist dat die jongen daar lag. [verdachte] zegt dat hij dat [getuige 1] heeft verteld.

[verdachte] : “Hij was er ineens…hoe hij daar gekomen is.”

[moeder van de verdachte] : “Waar was hij ineens?”

[verdachte] : “In het water”

[moeder van de verdachte] : “Waar in het water? Vlak bij je vlot?”

[verdachte] : “Een stukje verder waar die gevonden is.”

19-3-2018

[verdachte] zegt tegen zijn vader dat hij hem gewoon zag zwemmen, dat hij iemand heeft zien verdrinken, dat hij geschreeuw hoorde en dat hij denkt “help” te hebben gehoord.18

De verklaringen van de verdachte

De verdachte heeft op 23 februari 2018 als getuige verklaard dat hij op zondag 18 februari 2018 een date met [slachtoffer] heeft gehad op zijn ponton, maar dat hij hem daarna weer heeft afgezet op de kant en hem niet meer heeft gezien.

De verdachte heeft tijdens zijn politieverhoor van 12 maart 2018 het volgende verklaard.

Hij beschouwt [getuige 2] als zijn beste vriend en beschouwt [getuige 1] ) als vriend. Als [getuige 1] hulp nodig heeft dan helpt hij hem. Andersom geldt dit ook.

De verdachte had zondag de 18e met [slachtoffer] afgesproken. Het was die dag een graad of vier boven nul. Het was net voor de vorstperiode. Vlak voordat [slachtoffer] bij hem wegging wilde [slachtoffer] verbinding maken met de telefoon van de verdachte om tegen zijn moeder te zeggen dat hij naar huis zou gaan. De verdachte heeft [slachtoffer] met zijn boot weer bij de school afgezet. Hij heeft daarna zijn hond uitgelaten en is gaan slapen. Terwijl hij lag te slapen hoorde hij een hoop geschreeuw. Het was heel veel geschreeuw. Hij hoorde “help” of “help mij nou” of zoiets. Hij hoorde aan het stemgeluid dat het [slachtoffer] was. Hij zag een paar luchtbellen. De luchtbellen zag hij een meter of 15 van hem vandaan.

Hij had tegen [getuige 1] verteld dat hij ’s-nachts geschreeuw had gehoord, althans dat hij toen wat had gehoord en dat er iemand was verdronken. Hij heeft het ook tegen [getuige 2] verteld. Hij weet ook wel dat hij 112 had moeten bellen.

Hij heeft door het raampje gekeken. Ongeveer een meter of 15 van hem vandaan zag hij [slachtoffer] in het water. Hij zag dat [slachtoffer] aan het zwemmen was en dat hij boven wou blijven. De OV-chipkaart lag op de boot, die was [slachtoffer] vergeten. Die kaart heeft hij weggegooid in de ondergrondse container.19

De verdachte heeft in zijn politieverhoor van 23 april 2018 het volgende verklaard.

[slachtoffer] was om ongeveer 21:00 uur bij zijn ponton. Hij heeft [slachtoffer] na de date met zijn bootje afgezet, is daarna teruggevaren, heeft zijn hond uitgelaten en is op bed gaan liggen. Terwijl hij sliep, hoorde hij opeens geschreeuw/gekrijs buiten. Hij dacht dat hij geschreeuw en help hoorde. Via het grote raam aan de achterzijde van zijn ponton dacht hij dat hij iemand zag zwemmen richting de [straatnaam 4] . Op de vraag wat hij deed toen hij hem eerst zag zwemmen en daarna niet meer, heeft de verdachte geantwoord dat hij niets deed.

Ten slotte heeft de verdachte nog verklaard: “Ik kon geen eerste hulp verlenen omdat ik niet het water in kon springen omdat het fataal zou zijn voor mij omdat het water te koud was.”20

De verdachte heeft op 29 juni 2020 ter terechtzitting verklaard dat hij niet meer weet wat er die bewuste avond is gebeurd of wat hij heeft gezien en dat dit komt omdat hij door de politie onder druk is gezet.

3.4.2.

Bewijsminimum

Juridisch kader

Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat op grond van het voorgaande is voldaan aan het bewijsminimum dat onder meer is verankerd in artikel 341, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en overweegt daartoe als volgt.

Het bewijsminimum houdt in dat de bewezenverklaring van een feit niet enkel op een verklaring van de verdachte mag steunen. Volgens vaste jurisprudentie geldt dit voorschrift ten aanzien van de bewezenverklaring als geheel, niet ten aanzien van elk afzonderlijk onderdeel (o.m. ECLI:NL:HR:2013:BZ1890). Dit houdt concreet in dat niet elk onderdeel van de bewezenverklaring steun hoeft te vinden in minstens twee bewijsmiddelen, maar dat er wel voldoende steunbewijs aanwezig moet zijn voor een aantal belangrijke specifieke punten van de verklaring van de verdachte die als bewijsmiddel wordt gebruikt. Hierbij is tevens van belang in hoeverre de verklaringen van de verdachte betrouwbaar kunnen worden geacht.

Beoordeling van de rechtbank

De rechtbank constateert dat de verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd over wat er gebeurd is op 18 en 19 februari 2018. Eerst verklaart hij dat hij [slachtoffer] niet meer heeft gezien nadat hij hem had afgezet. Vervolgens heeft hij verklaard dat hij heeft gezien dat [slachtoffer] is verdronken en tot slot heeft hij ter terechtzitting verklaard dat hij niet meer weet wat er die avond is gebeurd.

Dat de verdachte enkel heeft meegepraat met de politie omdat hij onder druk is gezet en beïnvloedbaar zou zijn, zoals door de raadsvrouw is aangevoerd, is niet aannemelijk geworden. De rechtbank merkt hierover op dat de politie weliswaar enige druk heeft uitgeoefend, maar niet is gebleken dat de verdachte daardoor anders is gaan verklaren dan hij wilde. Dit blijkt ook uit de verhoren zelf waarin door de politie weliswaar mondjesmaat informatie wordt gedeeld met de verdachte, maar het de verdachte is die daarop voortborduurt met gedetailleerde aanvullende informatie. Zo is het punt van de verkrampte handen door de verdachte aangevuld met de wijze waarop en wanneer hij dat heeft gezien; door het raam van zijn ponton net nadat hij geschreeuw had gehoord.

De rechtbank zal de hierboven aangehaalde verklaringen van 12 maart en 23 april 2018 waarbij de verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] heeft zien verdrinken en hierop niets heeft gedaan, gebruiken voor het bewijs. De rechtbank acht deze het meest betrouwbaar. Immers, deze worden ondersteund door de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] en het feit dat [slachtoffer] ook daadwerkelijk is gevonden op de plek die [getuige 1] in zijn 112-melding heeft genoemd en waarover hij gehoord heeft van de verdachte. Daarbij ondersteunen de aangehaalde OVC-gesprekken deze verklaringen. Dit terwijl de verdachte zich toen in zijn eigen veilige omgeving en onbespied waande.

De rechtbank overweegt daarbij dat de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] ook betrouwbaar zijn. De verdachte heeft op 12 maart 2018 bij de politie en tegenover zijn vader – tijdens de OVC-gesprekken – verklaard dat hij deze getuigen, nog vóórdat [slachtoffer] was gevonden, heeft verteld over wat er met hem is gebeurd die avond. De verklaringen van deze getuigen zijn daarnaast tot op detailniveau onderling consistent. Zo hebben zij beiden verklaard dat de verdachte tegen hen heeft verteld over de kromme/verkrampte handen van [slachtoffer] en dat hij [slachtoffer] onder water heeft zien gaan. Ook hebben zij beiden verklaard over het wegmaken van de ov-chipkaart/htm-pas van [slachtoffer] .

Dat deze getuigen mogelijk afspraken met elkaar hebben gemaakt over wat zij zouden gaan verklaren bij de politie, zoals door de raadsvrouw aangevoerd, is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Het is slechts gebleven bij de enkele mededeling van de raadsvrouw dat die mogelijkheid open is gebleven. Er is in het dossier geen enkel aanknopingspunt te vinden voor deze stelling. Dat deze getuigen uit rancune een leugenachtige verklaring zouden hebben afgelegd, blijkt nergens uit. Integendeel, de verdachte heeft zelf verklaard dat hij beide getuigen als vriend beschouwt en [getuige 2] zelfs als zijn beste vriend. De verdachte zou goed contact hebben met de getuigen en zijn hart altijd bij hen luchten, aldus [getuige 2] . Dat de verdachte hen vertrouwde valt ook wel af te leiden uit het feit dat hij

– blijkens de OVC-gesprekken – eerst tegen deze getuigen heeft verteld over de gebeurtenissen met [slachtoffer] en dat hij pas daarna hierover heeft gesproken met zijn ouders. Dit verweer wordt dan ook gepasseerd.

Conclusie

De verklaringen van de verdachte van 12 maart en 23 april 2018 vinden naar het oordeel van de rechtbank gelet op het voorgaande voldoende steun in andere bewijsmiddelen en aldus is voldaan aan het bewijsminimum.

3.4.3.

Tussenconclusies

De rechtbank trekt uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen de volgende tussenconclusies.

 Uit de verklaringen van de verdachte blijkt dat de verdachte en [slachtoffer] in de avond van 18 februari 2018 een date met elkaar hadden. De verdachte heeft hem die avond opgehaald met zijn bootje en is samen met [slachtoffer] naar zijn ponton gevaren, dat zich op dat moment bevond in het water De Blauwe Loper. Daar hebben zij samen enige tijd doorgebracht;

 Uit de telefoongegevens van [slachtoffer] blijkt dat hij rond 00:05 uur weer bij de kade aan het [straatnaam 3] was;

 Blijkens de camerabeelden is er op 19 februari 2018 om 00:56 uur voor het laatst een teken van leven geweest van [slachtoffer] . Op de beelden is te zien dat [slachtoffer] op dat moment loopt in de richting van het [straatnaam 3] ;

 Gelet op de bevindingen van de batterij van de iPhone van [slachtoffer] van 19 februari 2018, in combinatie met de locatie waar [slachtoffer] voor het laatst is gezien, de locatie waar zijn lichaam is aangetroffen en het feit dat de iPhone bij zijn stoffelijk overschot is aangetroffen, concludeert de rechtbank dat [slachtoffer] met zijn iPhone op 19 februari 2018 rond 01:00 uur te water moet zijn geraakt in het water De Blauwe Loper in Den Haag;

 Op basis van de hiervoor vermelde verklaring van een medewerker van het Hoogheemraadschap van Delfland, concludeert de rechtbank dat de watertemperatuur van De Blauwe Loper in de nacht van 19 februari 2018 ongeveer 1 graad Celsius moet zijn geweest.

De rechtbank kan niet vaststellen hoe en waar [slachtoffer] te water is geraakt. De rechtbank kan enkel vaststellen dát [slachtoffer] die nacht in het ijskoude water terecht is gekomen en dat de verdachte [slachtoffer] zag verdrinken en niets heeft gedaan om hem te helpen. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het geen hulp bieden aan [slachtoffer] de verdachte strafrechtelijk kan worden verweten.

3.4.4.

Mishandeling

Juridisch kader

De verdachte wordt primair verweten dat hij [slachtoffer] heeft mishandeld door na te laten hem uit het water te helpen en/of hulp in te schakelen om hem uit het water te (doen) helpen, terwijl het aan de verdachte bekend was dat [slachtoffer] in het koude water lag en/of in nood verkeerde.

Vooropgesteld moet worden dat het hier, anders dan bij de meeste mishandelingsfeiten, niet een verwijt betreft richting de verdachte dat hij opzettelijk een actieve geweldshandeling heeft verricht, maar juist dat hij opzettelijk passief is gebleven. De verdachte wordt hier niet verweten dat hij een situatie door zijn nalaten in het leven heeft geroepen, maar dat hij door zijn nalaten die al bestaande situatie heeft laten voortduren, terwijl hij deze had kunnen en moeten beëindigen. Iemand mishandelen kan zonder de ander lichamelijk te raken, door bijvoorbeeld deze opzettelijk in gevaar te brengen of te laten, waarbij de ander mishandeld wordt.

Wat onder ‘mishandeling’ in de zin van art. 300 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) moet worden verstaan is voorts niet alleen het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn, maar ook het onder omstandigheden bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam (ECLI:Nl:HR:2014:2677).

In zijn arrest van 11 februari 1929 (NJ 1929, p 503) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het in het water gooien van een persoon, waardoor deze nat en koud wordt, kan worden beschouwd als een min of meer hevige onlust veroorzakende lichamelijke gewaarwording in of aan het lichaam.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het laten voortduren van het in het ijskoude water liggen van een persoon die om hulp roept, gekwalificeerd kan worden als mishandeling, omdat dit een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan diens lichaam teweegbrengt. Daarnaast is nog relevant of er ook sprake is van opzet op een dergelijke wijze van mishandeling.

Gedragingen van de verdachte

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte bovengenoemde wijze van mishandeling heeft begaan. Daartoe wordt als volgt overwogen.

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat [slachtoffer] op 19 februari 2018 omstreeks 01:00 uur te water is geraakt in het water De Blauwe Loper in Den Haag van ongeveer 1 graad Celsius.

De verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] nog om hulp heeft horen schreeuwen terwijl hij in het water lag en dat hij [slachtoffer] onder water heeft zien gaan. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte [slachtoffer] nog drijvend in het water van de Blauwe Loper heeft zien liggen en dat hem dus bekend was dat [slachtoffer] in dit ijskoude water lag en hulp wilde hebben. Vaststaat verder dat de verdachte toen niet het alarmnummer 112 heeft gebeld of dat de verdachte nog heeft geprobeerd [slachtoffer] te redden. Daardoor is de min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam van [slachtoffer] blijven voortduren.

Opzet?

Vervolgens moet de vraag beantwoord worden of de verdachte ook opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, had op het laten voortduren van die situatie. Van vol opzet is de rechtbank in ieder geval niet gebleken.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Daarnaast moet de verdachte wetenschap hebben van die kans en moet hij die kans ten tijde van de gedraging bewust hebben aanvaard (op de koop toe hebben genomen).

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregel aanmerkelijk is te achten.

Zojuist heeft de rechtbank vastgesteld dat het in ijskoud water laten liggen van een persoon die om hulp roept een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam van die persoon teweegbrengt. Daarmee is de aanmerkelijke kans gegeven.

De verdachte was zich ook bewust van die kans. De verdachte heeft immers zelf bij de politie verklaard: “Ik kon geen eerste hulp verlenen omdat ik niet het water in kon springen omdat het fataal zou zijn voor mij omdat het water te koud was.” Bovendien beschouwt de rechtbank dit als een feit van algemene bekendheid. De verdachte heeft deze aanmerkelijke kans ook bewust aanvaard. Hij heeft immers gezien dat de handen van [slachtoffer] op enig moment verkrampten terwijl [slachtoffer] in het water lag. De verdachte heeft op dit cruciale moment, terwijl [slachtoffer] in nood verkeerde, nagelaten hulp voor hem in te schakelen. Daar komt bij dat hij tegen [getuige 2] heeft gezegd dat hij niets kon doen voor [slachtoffer] omdat hij kennelijk toch al onderkoeld zou zijn, maar ook dat het de schuld van [slachtoffer] was en dat hij dan maar niet moest gaan zwemmen. Dat de verdachte, zoals de officier van justitie heeft betoogd, slechts onverschillig is geweest en zich niet bewust is geweest van deze situatie kan de rechtbank gelet hierop dan ook niet volgen.

De rechtbank komt dit alles afwegende tot het oordeel dat de verdachte, door geen einde te maken aan de penibele situatie van [slachtoffer] , willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het lichaam van [slachtoffer] in het koude water zou blijven liggen en dat het onaangename gevoel dat [slachtoffer] ervaarde bleef voortduren.

Conclusie

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld.

Dat de verdachte op enig moment heeft verklaard dat hij met een bootje is gaan kijken naar de plek waar [slachtoffer] onder was gegaan, hetgeen hij overigens ter terechtzitting niet meer weet, doet niet af aan het voorgaande, omdat de verdachte zelf nooit heeft verklaard dat hij met zijn boot [slachtoffer] daadwerkelijk te hulp wilde schieten. Dit blijkt ook overigens nergens uit, eerder het tegendeel omdat hij tegen [getuige 1] zou hebben gezegd goed om zich heen gekeken te hebben of er geen andere mensen waren. Dat de verdachte daadwerkelijk hulp heeft verleend door [slachtoffer] uit het water (proberen) te halen is dan ook niet aannemelijk geworden.

3.4.5

De causaliteit tussen de mishandeling van [slachtoffer] en diens dood

3.4.5.1 Het juridisch kader

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of er een causaal verband bestaat tussen de hierboven vastgestelde mishandeling door nalaten en de dood van [slachtoffer] . Vooropgesteld moet worden dat de beantwoording van de vraag of dit causaal verband bestaat moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaf of die dood redelijkerwijs als gevolg van de mishandeling aan de verdachte kan worden toegerekend. Opzet op de dood is in dit geval niet vereist.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet zonder meer kan worden vastgesteld dat de mishandeling (het nalaten) in de keten van de gebeurtenissen een noodzakelijke factor is geweest voor het overlijden van [slachtoffer] . Maar dat betekent nog niet dat daarmee al vaststaat dat er van causaal verband geen sprake kan zijn. Voor het niettemin redelijkerwijs toerekenen van de dood van [slachtoffer] aan de mishandeling door de verdachte is dan ten minste vereist dat:

I. wordt vastgesteld dat de mishandeling een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot de dood van [slachtoffer] hebben geleid, en daarnaast

II. ook aannemelijk is dat de dood van [slachtoffer] met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door die mishandeling is veroorzaakt.

Of en wanneer sprake is van een dergelijke aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling daarvan kan als hulpmiddel dienen of in de gegeven omstandigheden de mishandeling naar haar aard geschikt is om die dood teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard is dat zij het vermoeden wettigt dat deze heeft geleid tot het intreden van de dood van [slachtoffer] . Daarbij kan ook worden betrokken dat andere, niet aan de bewezenverklaring gerelateerde oorzaken hoogstwaarschijnlijk niet tot dat gevolg hebben geleid (vgl. Hoge Raad 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4491).

3.4.5.2 De relevante bewijsmiddelen

Om deze vragen te kunnen beantwoorden heeft de rechtbank gelet op de volgende stukken.

Rapport en aanvullende verklaring ter terechtzitting van 2 juli 2020 van D. Reis Miranda ,

In het rapport van D. Reis Miranda , anesthesioloog-intensivist van het Erasmus MC Rotterdam, van 1 juli 2020 is het volgende te lezen. Na verdrinking wordt neurologisch herstel beïnvloed door de tijdsduur waarbij het hoofd onder water is geweest (submersie) en de oppervlakte van een patiënt ten opzichte van de massa. Waarschijnlijk hebben kinderen daarom een betere overlevingskans dan volwassenen. Volwassenen die korter dan 10 minuten submersie hebben gehad, hebben een goede neurologische prognose. Volwassenen die langer dan 25 minuten submersie hebben gehad, hebben een slechte neurologische prognose.21 Ter terechtzitting heeft Reis Miranda toegelicht dat de overlevingskans van iemand die korter dan tien minuten onder water is geweest tussen de 60 en 80 procent ligt. Indien iemand zich meer dan 25 minuten onder water heeft bevonden, is de overlevingskans rond de 5 procent. Dat betekent dus dat de overlevingskans van iemand die tussen de 10 en 25 minuten onder water heeft gelegen, varieert tussen de 5 en 60 procent, aldus Reis Miranda .22 Daarbij wordt gesteld dat deze tijden opgerekt kunnen worden indien de submersie in “ice-cold water” is.23 Ter terechtzitting heeft Reis Miranda daar aan toegevoegd dat “ice-cold water” water van 0 graden tot 1 graad Celsius is.24

Reis Miranda heeft verder toegelicht dat het protocol van het Erasmus MC voorschrijft dat als iemand onder water heeft gelegen waarvan de temperatuur minder dan 10 graden is, deze persoon altijd wordt aangesloten op de hart-longmachine, tenzij er sprake is van een contra-indicatie, zoals interne bloedingen door een ongeval. Pas als er sprake is van een submersietijd van (langer dan) één uur zal niet meer ingegrepen worden.25

Volgens Reis Miranda zou er, indien er sprake is van een submersie van ongeveer 15 minuten, zeker een traumahelikopter zijn ingeschakeld. Dat is opgenomen in het meldkamerprotocol. In deze casus zou [slachtoffer] naar het Erasmus MC zijn gebracht, gelet op de plek waar hij is gevonden, en zou hij ook zeker aan de hart-longmachine zijn gekoppeld. Wanneer iemand als hij zich in het water bevindt, eerst nog om hulp roept, is er ook nog sprake geweest van “immersie”. Immersie houdt in dat iemand zich al wel in het water bevindt, maar dat diens hoofd nog boven het water uitsteekt. Deze immersietijd moet dan ook niet worden opgeteld bij de hiervoor genoemde tijdsperiodes. Indien er in deze casus sprake is geweest van immersie, levert dit bescherming op voor het lichaam omdat de verkoeling van het lichaam dan al intreedt - en er dus al sprake is van een daling in het metabolisme en minder vraag naar zuurstof - terwijl er nog wel sprake is van normale zuurstoftoevoer. Bij stress zou de zuurstofvraag wel weer toenemen. Indien sprake is geweest van immersie, levert dit een betere neurologische prognose op dan wanneer alleen sprake is geweest van submersie. De lichaamsbouw van [slachtoffer] zou volgens Reis Miranda eveneens een gunstig effect kunnen hebben op zijn neurologische prognose.26

In het rapport is verder te lezen dat in het algemeen Nederlandse artsen “te veel hersenschade” beschouwen als een situatie met dermate veel blijvende hersenschade dat redelijkerwijs op korte en langere termijn (weken tot maanden) de kans op een herstel waarbij sprake is van voldoende “kwaliteit van leven” verwaarloosbaar is. Reis Miranda spreekt daarbij over “te veel hersenschade” omdat “onomkeerbare hersenschade” ook simpelweg een klein deel van de hersenen kan betreffen. Dan is weliswaar een deel onomkeerbaar, maar verenigbaar met een goede of acceptabele neurologische prognose.27 De mate van invloed op het functieverlies van hersenschade is afhankelijk van de plek waar de schade optreedt. Er kan sprake zijn van een klein deel van de hersenen met een onomkeerbare beschadiging, waarbij toch sprake is van een groot functieverlies en van de omgekeerde situatie.28

Ten aanzien van deze neurologische prognose heeft Reis Miranda ter terechtzitting toegelicht dat in de reanimatieliteratuur wordt gewerkt met CPC-scores29, van 1 t/m 5. Bij een score van 1 is sprake van restloos herstel. Bij een score van 2 is sprake van milde neurologische afwijkingen waarbij een persoon nog wel zelfstandig kan functioneren in het algemeen dagelijks leven en algemeen dagelijkse dingen kan doen. Bij een score van 3 is sprake van een ernstige neurologische beschadiging. Iemand met een score van 3 kan geen zelfstandig leven meer leiden. Deze persoon zal hulp nodig hebben bij eten en boodschappen doen maar is nog wel communicatief. Bij een score van 4 is sprake van een vegetatieve status en is de persoon niet meer communicatief. Iemand met een score van 5 is overleden. In de literatuur wordt met een goed neurologisch herstel een persoon met een score 1 of 2 bedoeld. Bij een score van 3 of 4 is sprake van een slecht neurologisch herstel. De scheidslijn is dus of je nog zelfstandig kunt functioneren in het dagelijks leven. Reis Miranda heeft verder nog verklaard dat een leek eigenlijk niet kan beoordelen of het nog zin heeft om in te grijpen of niet, omdat dat zelfs voor de deskundigen moeilijk kan zijn en dat iemand altijd 112 moet bellen.30

Proces-verbaal van bevindingen aanrijtijden politie, ambulance en brandweer

In het proces-verbaal over de aanrijtijden van de hulpdiensten is beschreven wat er zou zijn gebeurd als er door de verdachte 112 zou zijn gebeld. Er was 24 uur per dag een waterongevallenvoertuig beschikbaar bij de brandweer.31 Een dergelijk voertuig zou in 9.53 minuten vanaf de kazerne in Delft ter plaatse geweest kunnen zijn.32 Na aankomst zou een duiker nagenoeg direct te water hebben kunnen gaan. Het is volgens de verbalisant niet te zeggen hoe lang het vervolgens zou hebben geduurd totdat [slachtoffer] zou zijn gevonden. In dit scenario zou de verdachte wel de plek aanwijzen waar [slachtoffer] onder water was gegaan.33 De politie zou een aanrijtijd hebben gehad van 7 minuten34 en de ambulance zou na ongeveer 10 minuten35 ter plaatse zijn gekomen. In het proces-verbaal is verder beschreven dat deze tijden zijn gebaseerd op een normale snelheid in het verkeer en niet op de verhoogde snelheid bij een uitruk in de nachtelijke uren en met licht- en geluidssignalen. De verbalisant beschrijft dat het zeer aannemelijk is dat alle disciplines eerder ter plaatse zouden zijn geweest.36

Overige stukken

Bij het oordeel met betrekking tot de causaliteit betrekt de rechtbank ook het hiervoor onder 3.4.1 genoemde sectierapport, de verklaringen van de verdachte zoals daar weergegeven en het eerdergenoemde proces-verbaal met betrekking tot de temperatuur van het water. Uit dit laatstgenoemde proces-verbaal leidt de rechtbank af dat het water ongeveer 1 graad Celsius moet zijn geweest die nacht en er nauwelijks stroming was.

3.4.5.3 Het oordeel van de rechtbank omtrent de deskundigheid van Reis Miranda

De raadsvrouw heeft de deskundigheid van de heer Reis Miranda in zoverre in twijfel getrokken, dat zij aanvoert dat een neuroloog beter in staat zou zijn geweest om antwoorden te geven op de in deze zaak aan de orde zijnde vragen. Ook heeft zij gesteld dat uit moet worden gegaan van de stellingen van professor H.A.M. Daanen dat na 4 tot 10 minuten onomkeerbaar hersenletsel zou zijn ontstaan en dat de kans op overleven na 20 minuten onder water nihil is. Zij heeft daar nog aan toegevoegd dat zij zelf contact heeft gehad met een neuroloog uit het Slingerlandziekenhuis, [naam 1] , en dat deze haar heeft verteld dat het protocol van dat ziekenhuis voorschrijft dat als sprake is van een harstilstand en er negen minuten geen zuurstof meer bij de hersenen is gekomen er niet meer wordt ingegrepen omdat er in dat geval geen kans meer is op een normaal leven/herstel.

De rechtbank oordeelt als volgt. De heer Reis Miranda is sinds 2006 anesthesioloog-intensivist en 2,5 jaar werkzaam als trauma-arts op een traumahelikopter. Hij werkt op de Intensive Care en is betrokken bij het verlenen van reanimatiezorg. Zijn specialisme is het gebruik van de hart-longmachine. Naar oordeel van de rechtbank is hij dan ook bij uitstek deskundig om iets te kunnen zeggen over overlevingskansen bij submersie, de reanimatietijden en of en binnen welke periode het nog zin heeft om iemand aan de hart-longmachine te koppelen. Hij kan daarbij putten uit eigen ervaring. Bovendien heeft de officier van justitie laten weten dat hij eerst contact had met een neuroloog die hem vervolgens gezien de aard van de vragen heeft doorverwezen naar Reis Miranda. Professor Daanen heeft zelf ter terechtzitting van 29 juni 2020 verklaard dat hersenschade niet zijn expertise is en dat hij de gegevens in zijn rapport daaromtrent aan de literatuur heeft ontleend. Gelet hierop zal de rechtbank op dit punt het rapport en de aanvullende verklaring ter terechtzitting van 2 juli 2020 van Reis Miranda als uitgangspunt nemen en het rapport van professor Daanen op dit punt niet volgen. De stellingen van de neuroloog Siegersma maken dit niet anders. Daarvoor is redengevend dat aan de rechtbank niet duidelijk is welke vragen de raadsvrouw precies aan de neuroloog heeft gesteld en bovendien heeft Reis Miranda ter terechtzitting verklaard dat in het Slingerlandziekenhuis geen hart-longmachine aanwezig is, zodat de protocollen reeds daarom niet vergelijkbaar zijn. De rechtbank ziet dan ook geen reden om te twijfelen aan de bevindingen en toelichting van Reis Miranda en acht hem deskundig.

3.4.5.4 Het oordeel van de rechtbank omtrent de causaliteit

Doodsoorzaak

Hoewel verdrinking met een sectie niet kan worden aangetoond of uitgesloten, valt uit het hierboven weergegeven sectierapport wel te ontlenen dat gelet op de situatie zoals [slachtoffer] is aangetroffen verdrinking als mogelijke doodsoorzaak moet worden overwogen. De rechtbank gaat er gelet op dit sectierapport vanuit dat [slachtoffer] is verdronken. Immers is van enige andere doodsoorzaak niet gebleken en wordt verdrinking ook ondersteund door de verklaringen van de verdachte over het zien van [slachtoffer] in het water.

Ad I

De hierboven weergegeven vraag I, of kan worden vastgesteld dat de mishandeling een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot de dood van [slachtoffer] hebben geleid, beantwoordt de rechtbank bevestigend. Immers, het is een feit van algemene bekendheid dat het niet bieden van hulp aan een persoon die in ijskoud water ligt en in nood verkeert zeker tot verdrinking en dus de dood kan leiden. Reis Miranda heeft bovendien verklaard dat een leek niet kan beoordelen hoe lang iemand kan overleven onder water en dat dus altijd 112 moet worden gebeld.

Ad II

De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord is of ook aannemelijk is dat de dood van [slachtoffer] met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door die mishandeling is veroorzaakt waarbij de rechtbank betrekt of de mishandeling naar haar aard geschikt is om die dood teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard is dat zij het vermoeden wettigt dat deze heeft geleid tot het intreden van de dood van [slachtoffer] .

Uit bovenvermelde verklaringen van de verdachte kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat de verdachte [slachtoffer] in het water heeft zien liggen, terwijl deze nog niet onder was gegaan. Vanaf dat moment had de verdachte 112 kunnen bellen of zelf hulp kunnen bieden.

Naar het oordeel van de rechtbank is het niet bellen van 112 of het nalaten op andere wijze hulp te bieden aan iemand die in ijskoud water ligt naar zijn aard geschikt om de dood te veroorzaken. Uit het rapport en de nadere verklaring van Reis Miranda volgt dat iemand die op tijd uit dat water gered wordt restloos kan herstellen, dan wel - naar gelang de tijd van submersie langer is geweest - nog kan overleven met (ernstige) hersenschade.

Ten aanzien van de vraag of het niet handelen door de verdachte naar ervaringsregels van dien aard is dat zij in dit geval het vermoeden wettigt dat deze heeft geleid tot het intreden van de dood van [slachtoffer] overweegt de rechtbank het navolgende.

Uit het proces-verbaal van de aanrijtijden van de hulpdiensten leidt de rechtbank af dat het watervoertuig met de duiker binnen tien minuten na het bellen van 112 ter plaatste zou zijn geweest. Gelet op de alarmerende situatie van een persoon in ijskoud water acht de rechtbank het aannemelijk te veronderstellen dat de brandweer met verhoogde uitruksnelheid zou hebben gereden en licht- en geluidssignalen zou hebben gevoerd en aldus sneller dan 9.53 minuten ter plaatse zijn gekomen. De duiker zou direct het water in zijn gegaan en op de plek die de verdachte zou hebben aangewezen zijn gaan zoeken. Hoewel de rechtbank niet de exacte tijd kan vaststellen waarbinnen de duiker [slachtoffer] had gevonden, is het op basis van de diepte op de plek waar [slachtoffer] is gevonden en het gebrek aan stroming in het water die nacht, aannemelijk dat het betrekkelijk kort moet hebben geduurd alvorens [slachtoffer] zou zijn gevonden waarna reanimatie was gestart. Dat, zoals de raadsvrouw stelt, het lichaam van [slachtoffer] in werkelijkheid pas na 12 minuten door een duiker is gevonden, zoals de verhoorders van de verdachte hem hebben voorgehouden op pagina 443 maakt dit niet anders. Vooropgesteld moet worden dat de duiker is gaan zoeken na een MMA-melding waarin was aangegeven dat [slachtoffer] al verdronken was. Ook werd in die melding weliswaar een plaats in het water aangegeven maar deze was niet zeer specifiek. Dit betekent dat er op dat moment geen spoed meer was en dat er eerst met sonarapparatuur moest worden gekeken waar het lichaam van [slachtoffer] lag. Dat is een wezenlijk andere situatie dan de situatie die nacht waarbij de verdachte de plek aan had kunnen wijzen en er sprake was van een levensbedreigende situatie. Dit alles maakt dat deze tijd van 12 minuten niet als uitgangspunt kan worden genomen voor de tijd die het zou hebben geduurd om [slachtoffer] te vinden.

Al de genoemde factoren in aanmerking genomen acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat men binnen 15 tot 20 minuten na het bellen van 112 zou zijn begonnen met het reanimeren van [slachtoffer] .

Uit het rapport en de aanvullende verklaring van Reis Miranda leidt de rechtbank af dat hoe langer iemand onder water heeft gelegen hoe slechter de neurologische prognose is bij reanimatie. Iemand die meer dan 25 minuten onder water heeft gelegen heeft een overlevingskans van 5 procent tegen de kans van 60 tot 80 procent dat iemand overleeft als deze minder dan 10 minuten onder water heeft gelegen. Bij iemand die 15 tot 20 minuten met zijn hoofd onder water heeft gelegen is de kans op overleven dus 5 tot 60 procent. De uiteindelijke goede of slechte neurologische prognose hangt bovendien af van de plek waar hersenschade al dan niet is opgetreden en wat dat voor invloed heeft op het functioneren. De rechtbank leidt verder uit hetgeen door Reis Miranda is gerapporteerd en verklaard af dat er in deze casus gunstige factoren aanwezig waren. Zo was het water ijskoud, wat de submersietijden met een goede neurologische prognose kan oprekken. Bovendien is hier sprake geweest van enige tijd van immersie waardoor het lichaam al afkoelde in het ijskoude water en de zuurstofbehoefte van de hersenen lager werd, wat een gunstig effect kan hebben op de kans op (restloos) herstel. Ook zou de lichaamsbouw van [slachtoffer] , gezien zijn oppervlakte ten opzichte van zijn massa, een gunstig effect kunnen hebben op zijn overlevingskansen. Daarbij volgt uit de verklaring van Reis Miranda dat in deze casus een traumahelikopter voor [slachtoffer] ter plaatse zou zijn gekomen en dat hij vervoerd zou zijn naar het Erasmus MC alweer hij was gekoppeld aan een hart-longmachine. Immers, er was zeker nog geen uur verstreken en er waren evenmin contra-indicaties zoals interne bloedingen. Deze zorg zou de kans op een goede neurologische prognose eveneens hebben vergroot. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat een slechte neurologische prognose van 3 (ernstige neurologische beperkingen) of 4 (vegetatieve staat) nog steeds leven is in de zin van de wet.

Dit alles in aanmerking genomen acht de rechtbank dat de kans dat [slachtoffer] na het bellen van 112 met een goede neurologische prognose of althans met een redelijke overlevingskans zou zijn gereanimeerd aanzienlijk. Daarom is het vermoeden gewettigd dat het nalaten van de verdachte om hulp in te schakelen heeft geleid tot het intreden van de dood van [slachtoffer] .

Onvoldoende duidelijk is of [slachtoffer] ook gered had kunnen worden als de verdachte met zijn bootje naar hem toe was gevaren en hem had geprobeerd uit het water te halen. Uit het dossier blijkt immers niet of [slachtoffer] tegen die tijd nog boven water was geweest. Van de verdachte had niet kunnen worden gevergd dat hij zelf in het ijskoude water was gesprongen om [slachtoffer] te redden. Het causaal verband tussen de dood en dít nalaten van de verdachte kan dan ook niet worden bewezen.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het overlijden van [slachtoffer] met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de gedraging – het nalaten – van de verdachte is veroorzaakt.

Eindconclusie

Nu beide vragen I en II bevestigend worden beantwoord door de rechtbank kan de dood van [slachtoffer] redelijkerwijs aan de verdachte worden toegerekend. De niet uit te sluiten mogelijkheid dat [slachtoffer] mét hulp van de verdachte door het bellen met 112 ook zou zijn overleden, staat niet aan toerekening aan de verdachte in de weg. Het is immers enkel de vraag of de dood in redelijkheid aan de verdachte kan worden toegerekend, absolute zekerheid is hiervoor niet vereist.

De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de strafverzwarende omstandigheid ‘terwijl het feit de dood ten gevolge heeft’ wettig en overtuigend kan worden bewezen.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

hij op 19 februari 2018 te Den Haag [slachtoffer] heeft mishandeld door na te laten hulp in te schakelen om hem uit het water te doen helpen, terwijl het aan verdachte bekend was dat deze [slachtoffer] in het koude water lag en in nood verkeerde, welk feit de dood van [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte niet strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor het overlijden van [slachtoffer] , nu zijn reactie begrijpelijk is. Hij heeft immers iets traumatisch ervaren. Op een dergelijke ervaring kunnen mensen reageren door te vluchten, te vechten of te bevriezen. De verdachte heeft volgens de raadsvrouw gereageerd door te bevriezen en te vluchten: hij wist niet wat hij moest doen (i.e. hij bevroor) en is vervolgens gevlucht door zijn ponton te verplaatsen naar een andere plek en hoopte dat hij niet ten onrechte de schuld zou krijgen van de dood van [slachtoffer] .

Voor zover de raadsvrouw hiermee een beroep op een schulduitsluitingsgrond heeft willen doen, overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank wil wel aannemen dat het voor de verdachte bij eerste ontdekking shockerend was dat hij [slachtoffer] zag verdrinken, maar voor de stelling dat hij daardoor in een zodanige toestand was geraakt waardoor hij niet meer kón of hoefde te handelen, bieden het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting geen steun. Uit het dossier komt immers juist naar voren dat de verdachte het niet nodig vond hulp te bieden en niet wilde dat [slachtoffer] werd gevonden. Zo heeft de verdachte nadat [slachtoffer] was verdronken volgens [getuige 1] goed om zich heen gekeken of er andere mensen waren die het hadden gezien. Tegen [getuige 2] heeft hij op de vraag waarom hij de politie niet heeft gebeld, verklaard dat het niet zijn schuld was dat [slachtoffer] in het water terecht was gekomen, maar de schuld van [slachtoffer] . Met beide getuigen heeft hij zich afgevraagd hoe lang het zou duren voordat het lichaam van [slachtoffer] zou komen bovendrijven en heeft hij tegen [getuige 2] de mogelijkheid geopperd dat de palingen hem wel zouden opeten. Dat de verdachte het ponton heeft verplaatst omdat hij bang was dat hij zou opdraaien voor de dood van [slachtoffer] , betreft geen ‘vlucht’ als reactie op het zien van een traumatisch voorval, maar getuigt van een berekenende verdachte die weet dat hij fout zit en daarvoor niet verantwoordelijk wil worden gehouden.

Daarnaast heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij een Post Traumatische Stress Stoornis (PTSS) heeft als gevolg van de aanhouding en de bedreigingen die volgden op de verdenking. Op de specifieke vraag of het waarnemen van het verdrinken van [slachtoffer] ook een oorzaak is van die PTSS heeft de verdachte ontkennend geantwoord.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het volstrekt onaannemelijk dat de verdachte in een zodanige toestand was geraakt dat hij niet meer kón of hoefde te handelen. De rechtbank gaat daarom voorbij aan dit verweer van de raadsvrouw.

De verdachte is dus strafbaar, omdat ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte, ter zake van het subsidiair ten laste gelegde, wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat bij een eventuele strafoplegging rekening moet worden gehouden met strafverminderende omstandigheden. Op de specifieke standpunten zal de rechtbank hierna, voor zover relevant, nader in gaan.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling (door nalaten) terwijl hierdoor de pas 17-jarige [slachtoffer] is komen te overlijden. Toen de verdachte [slachtoffer] in het ijskoude water zag zwemmen en om hulp hoorde roepen, heeft hij geen hulpdiensten of anderen ingeschakeld om [slachtoffer] uit het water te kunnen halen, terwijl hij daarvoor wel de middelen beschikbaar had, zoals een telefoon. Voor [slachtoffer] moeten deze laatste minuten van zijn leven vol wanhoop, angst en pijn zijn geweest. Het is dan ook onbegrijpelijk waarom de verdachte niets heeft gedaan om [slachtoffer] te helpen. De verdachte heeft tegenover getuigen verklaard dat het de eigen schuld van [slachtoffer] was dat hij in het water terecht was gekomen en hem daarom niet heeft geholpen. Hieruit volgt dat de verdachte kennelijk niets gaf om het leven van [slachtoffer] en hem aan zijn lot heeft overgelaten. Dit terwijl de verdachte [slachtoffer] kende en op die avond enige uren met hem op zijn ponton had doorgebracht. De rechtbank neemt dit de verdachte zeer kwalijk.

Door het gedrag van de verdachte is de nabestaanden van [slachtoffer] onherstelbaar leed aangedaan. Zij zullen [slachtoffer] voor altijd moeten missen. De moeder van [slachtoffer] heeft dit ter terechtzitting tijdens het uitoefenen van het spreekrecht heel treffend naar voren gebracht. Het gemis van [slachtoffer] wordt nog elke dag erger, haar woedegevoelens jegens de verdachte groeien nog elke dag en de dag dat zij de dood van [slachtoffer] een plek kan geven, als die al komt, is nog heel ver weg. Geregeld heeft zij nachtmerries waarin [slachtoffer] verdrinkt en zij niet bij hem kan komen. De verdachte had dit leed kunnen beperken door in ieder geval te vertellen waar [slachtoffer] kon worden gevonden, maar dat heeft hij niet gedaan. De verdachte heeft immers ook later niet de politie (anoniem) gebeld om te vertellen waar [slachtoffer] kon worden gevonden. Dit terwijl hij wist waar het lichaam van [slachtoffer] lag en hem inmiddels bekend was geworden dat er door de politie en nabestaanden naar [slachtoffer] werd gezocht en zij zich ernstige zorgen maakten. De verdachte heeft hiermee doelbewust de nabestaanden langer dan noodzakelijk in onzekerheid en angst laten verkeren. Zoals de moeder van [slachtoffer] ter terechtzitting naar voren bracht, leken die acht dagen wel acht maanden. Ook dit neemt de rechtbank de verdachte zeer kwalijk.

In strafverzwarende zin houdt de rechtbank verder rekening met het volgende.

De verdachte heeft het politieonderzoek naar de vermissing van [slachtoffer] gefrustreerd. Hij heeft als getuige gelogen op de vraag wanneer hij [slachtoffer] voor het laatst had gezien en heeft niet verteld waar [slachtoffer] was. Daarnaast heeft hij doelbewust bewijsmateriaal, chatberichten en de ov-chipkaart/htm-pas van [slachtoffer] weggemaakt.

Verder heeft de verdachte aantoonbaar verwerpelijk en berekenend gedrag vertoond in de dagen nadat [slachtoffer] was verdronken. Zo is hij op de plek waar [slachtoffer] was verdronken gaan vissen en heeft hij een camera willen lenen om onder water te kunnen kijken. Tegenover zijn [vriend] heeft hij in een chat op 26 februari 2018 gedaan alsof hij van niets wist, gezegd dat hij het top vond wat ze (de politie) deden vooral voor de familie en vrienden, dat hij het verschrikkelijk vond en dat hij geen idee had hoe hij ( [slachtoffer] ) daar terecht gekomen is. Diezelfde avond is de verdachte met zijn vader aanwezig geweest op de plek waar de politie bezig was met het onderzoek nadat het lichaam van [slachtoffer] was aangetroffen. De verdachte heeft toen geïnformeerd naar de plek waar het lichaam was aangetroffen en zorgen geuit over zijn ponton dat inbeslaggenomen was.

Het bovenstaande getuigt van een groot gebrek aan moreel besef bij de verdachte en inzicht in de gevoelens en belangen van anderen. De verdachte denkt met name aan zichzelf en wat de gevolgen voor hem zijn. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.

Gezien de ernst van het feit en de houding van de verdachte kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 3 januari 2020. Hieruit blijkt dat hij voorafgaand aan dit feit niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Nadien heeft hij een strafbeschikking voor een winkeldiefstal gekregen.

Bij de verdachte is Pro Justitia onderzoek gedaan naar zijn geestvermogens. Dit heeft geleid tot het rapport van drs. F.M. Vuister, klinisch psycholoog, van 13 april 2020 en het rapport van een psychiater drs J.L.M. Dinjens, psychiater, van 29 mei 2020.

De verdachte heeft geen volledige medewerking verleend aan het psychologisch onderzoek. Hierdoor moeten de diagnostische conclusies van de psycholoog met de nodige omzichtigheid worden benaderd. In beide rapporten wordt geconcludeerd dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde niet leed aan een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling in de geestvermogens. Wel was er sprake van een stoornis in middelengebruik (cocaïne) maar deze was ten tijde van het bewezenverklaarde, in elk geval volgens de verdachte, volledig in remissie. Volgens de deskundigen heeft deze stoornis geen, althans slechts in zeer geringe mate, invloed gehad op de gedragskeuzes en de gedragingen van de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde. Beide deskundigen kunnen gezien de ontkennende noch bekennende houding van de verdachte geen advies geven over de mate waarin het bewezenverklaarde aan de verdachte kan worden toegerekend.

Op een aanvullende vraag van de verdediging heeft de psychiater geantwoord dat de verdachte beschikt over een niet-afwijkende, (beneden)gemiddelde intelligentie en dus in staat mag worden geacht zijn handelen (of het nalaten daarvan) te kunnen overzien.

De rechtbank is gelet op de conclusies van de deskundigen van oordeel dat het door de verdachte gepleegde feit volledig aan hem moet worden toegerekend.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van Reclassering Nederland, gedateerd 18 juni 2020 . In dit rapport wordt geconcludeerd dat de reclassering vindt dat, gelet op de conclusies uit het Pro Justitia-onderzoek en de inhoud van de gesprekken met de reclassering, er geen indicatie is voor gedragsbeïnvloeding middels behandeling. De reclassering ziet dan ook geen meerwaarde in een meldplicht.

De hoogte van de straf

Volgens het systeem van de wet kan de rechtbank in deze zaak voor het bewezenverklaarde feit een maximale gevangenisstraf opleggen van zes jaren. De rechtbank is van oordeel dat gelet op wat is overwogen bij de ernst van het feit de maximale gevangenisstraf weliswaar opgelegd had kunnen worden, maar acht het in deze zaak niet passend nu de verdachte voorafgaand aan dit feit nooit eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. De rechtbank acht al het voorgaande in aanmerking genomen een gevangenisstraf van vier jaren (48 maanden) passend en geboden. Daarbij geldt evenwel nog het volgende.

Strafvermindering

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het recht op een eerlijk proces is geschonden omdat de verdachte op 12 maart 2018 als verdachte enkel is ontboden en niet is aangehouden, waardoor hij geen advocaat kon raadplegen voor het verhoor nu hij die zelf niet kon betalen. Volgens de raadsvrouw moet dit leiden tot strafvermindering.

De rechtbank is van oordeel dat het feit dat de verdachte enkel is ontboden op het politiebureau en daarom niet van overheidswege (gratis) rechtsbijstand heeft gekregen geen schending van het recht op een eerlijk proces oplevert. De officier van justitie heeft met de ontbieding niet doelbewust de verdachte het recht op rechtsbijstand willen ontnemen, maar hiervoor gekozen om tactische redenen in het onderzoek. Bovendien is de verdachte in de ontbiedingsbrief gewezen op het recht op (betaalde) rechtsbijstand, hetgeen de verdachte in eerste instantie zelf niet nodig vond. Dat de verdachte in tweede instantie heeft verklaard geen advocaat te kunnen betalen en toch is doorgegaan met verklaren, is een eigen gemaakte afweging die voor rekening en risico van de verdachte zelf komt. Overigens heeft de verdachte zijn verklaring inhoudende dat hij [slachtoffer] heeft zien zwemmen en niets heeft gedaan herhaald in het verhoor van 23 april 2018, alwaar hij wel is bijgestaan door een advocaat. Het verweer van de raadsvrouw leidt daarom niet tot strafvermindering.

De raadsvrouw heeft verder nog aangevoerd dat op de verdachte ongeoorloofde druk is uitgeoefend tijdens de verhoren door de politie door tegen hem te schreeuwen, door hem voor te houden wat hij gezien zou moeten hebben en door hem te verwijten dat hij loog of het niet meer wist. De kans is groot dat hij dingen heeft verklaard omdat de politie dat van hem verwachtte, aldus de raadsvrouw, wat volgens haar moet leiden tot strafvermindering.

De rechtbank is van oordeel dat er in onderhavige zaak wel enige druk is uitgeoefend tijdens de verhoren, maar dat een zekere verbale en non-verbale druk in zware zaken als deze toelaatbaar is. Ook dit verweer van de raadsvrouw leidt daarom niet tot strafvermindering

De rechtbank is met de raadsvrouw en de officier van justitie van oordeel dat wel in strafverminderende zin rekening moet worden gehouden met het feit dat de verdachte na zijn aanhouding is lastiggevallen en bedreigd. De rechtbank zal de duur van de op te leggen gevangenisstraf daarom verminderen met twee maanden.

Verder geldt dat tussen de datum van het eerste verhoor van de verdachte en de datum van het eindvonnis een periode ligt van ruim twee jaren en vier maanden . Dit betekent dat er in de onderhavige zaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn . Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdachte, dient dit gecompenseerd te worden door vermindering van de op te leggen straf . De rechtbank zal de duur van de op te leggen gevangenisstraf daarom verminderen met nog eens twee maanden.

Conclusie

De rechtbank veroordeelt de verdachte daarom tot een gevangenisstraf van 44 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De rechtbank komt tot een hogere straf dan ter terechtzitting geëist, omdat zij anders dan de officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde, waarvoor een (veel) hogere maximale gevangenisstraf geldt.

7 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De inhoud van de vordering

[moeder slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 36,66, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en gevorderd dat de rechtbank aan de verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 36,66 ten behoeve van [moeder slachtoffer] .

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen opmerkingen gemaakt over de vordering.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De vordering, is namens de verdachte niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.

De rechtbank zal de vordering dan ook integraal toewijzen.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte voor het bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 36,66, ten behoeve van [moeder slachtoffer] .

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

36f, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 44 (vierenveertig) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

de vordering van de benadeelde partij;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [moeder slachtoffer], een bedrag van € 36,66;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 36,66, ten behoeve van [moeder slachtoffer];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 1 (één) dag.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. N.F.H. van Eijk, voorzitter,

mr. R.E. Perquin, rechter,

mr. J. Holleman, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.M.Th. Boeter, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 juli 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL2018053418, van de politie eenheid Rotterdam, district Oost, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 1584).

2 Proces-verbaal Beluisteren gesprek meldkamer, p. 30 en 31.

3 Proces-verbaal [getuige 1] gebruiker imei [nummer] , p. 251 en 252.

4 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] , p. 323 t/m 325.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 44 en proces-verbaal van bevindingen, p. 09 (TGO Grind FO Dossier).

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 10 (TGO Grind FO Dossier).

7 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, p. 13 (TGO Grind FO Dossier).

8 Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 13 september 2018, getiteld: Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, p. 142 (TGO Grind FO Dossier).

9 Zaakproces-verbaal Grind, p. 7 van dit proces-verbaal.

10 Een geschrift, te weten een tekening van een tekenaar van de Forensische Opsporing Rotterdam, p. 88.

11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 681 en 682.

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 131 en 132.

13 Proces-verbaal onderzoek telefoon, met een bijlage, p. 1489 t/m 1491 en proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen p. 681 t/m 691.

14 Proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen p. 57 /m 79.

15 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 302, 311 t/m 315, 318, 319, 324, 325 en 330.

16 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 1260.

17 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 232 t/m 235.

18 Proces-verbaal van bevindingen, p. 900, 917 t/m 919, 925, 927, 928, 936, 967 en 968.

19 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 368, 411 t/m 417, 426 t/m 428, 435 t/m 437, 439, 445, 446, 450, 451, 453, 476, 478, 479 en 498.

20 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 23 april 2018, p. 1267 en 1274 t/m 1276.

21 Rapport Dinis Reis Miranda d.d. 1 juli 2020 p. 1.

22 Verklaring D. Reis Miranda ter terechtzitting van 2 juli 2020.

23 Rapport Dinis Reis Miranda d.d. 1 juli 2020 p. 1.

24 Verklaring D. Reis Miranda ter terechtzitting van 2 juli 2020.

25 Verklaring D. Reis Miranda ter terechtzitting van 2 juli 2020.

26 Verklaring D. Reis Miranda ter terechtzitting van 2 juli 2020.

27 Rapport Dinis Reis Miranda d.d. 1 juli 2020 p. 2. NB. In hoeverre sprake is van een acceptabele neurologische prognose is per persoon zeer verschillend.

28 Verklaring D. Reis Miranda ter terechtzitting van 2 juli 2020.

29 CPC staat voor “Cerebral Performance Categories”.

30 Verklaring D. Reis Miranda ter terechtzitting van 2 juli 2020.

31 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 augustus 2019 p. 1530.

32 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 augustus 2019 p. 1531.

33 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 augustus 2019 p. 1531.

34 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 augustus 2019 p. 1532

35 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 augustus 2019 p. 1529

36 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 augustus 2019 p. 1533