Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:6548

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-06-2020
Datum publicatie
15-07-2020
Zaaknummer
C/09/594861 / FT RK 20/655
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening ex artikel 287 lid 4 Fw. Loonbeslag na start minnelijk traject. Verbod op tenuitvoerlegging.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventies – enkelvoudige kamer

rekestnummer: C/09/594861 / FT RK 20/655

Beschikking van 29 juni 2020

[verzoekster],

wonende te [adres]

[postcode en woonplaats],

verzoekster,

tegen

Hoist Finance AB,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

gemachtigde: GGN Mastering Credit.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als verzoekster en Hoist.

1 De procedure

1.1

Op 23 juni 2020 heeft verzoekster verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 287 vierde lid van de Faillissementswet (Fw). Tevens heeft verzoekster een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend.

1.2

Het verzoek strekt ertoe dat aan verweerster gedurende een termijn van zes maanden de tenuitvoerlegging van het executoriaal derdenbeslag bij de werkgever wordt verboden .

1.3

Het verzoekschrift is behandeld ter terechtzitting van 29 juni 2020. De verzoekster is verschenen en gehoord. Verweerster is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Namens Hoist is op 25 juni 2020 wel een brief ontvangen die als verweerschrift wordt aangemerkt. Hierin stelt Hoist zich op het standpunt dat het verzoek dient te worden afgewezen.

2 De beoordeling

2.1

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt het volgende:

-verzoekster is bij vonnis van 7 oktober 2013 veroordeeld tot betaling van € 3.034,51 aan Hoist;

-op 27 januari 2020 is verzoekster onder beschermingsbewind gesteld;

-de beschermingsbewindvoerder heeft in maart 2020 de haar bekende schuldeisers – waaronder Hoist – verzocht geen verdere kosten te maken in verband met het incasseren van voreringen;

-bij brief van 25 april 2020 heeft de beschermingsbewindvoerder alle haar bekende crediteuren (waaronder Hoist) in het kader van een minnelijk traject een voorstel tegen finale kwijting gedaan;

-op 29 mei 2020 is namens Hoist loonbeslag gelegd onder de werkgever van verzoekster;

-op 17 juni 2020 is verzoekster een overeenkomst tot schuldregeling aangegaan met Noordzij bewindvoerders.

2.2

Het is de rechtbank gebleken dat voorafgaand aan de beslaglegging een positief budgetplan was waarbij € 621,00 kan worden gespaard voor alle crediteuren. De financiële situatie is, in die zin, zodanig stabiel dat vaste lasten kunnen worden voldaan, zonder dat er nog nieuwe schulden ontstaan. Door het loonbeslag, dat is gelegd ná aanvang van het minnelijk traject, wordt het budgetplan van verzoekster negatief. Dit houdt in dat er nieuwe schulden zullen ontstaan. Bovendien komt het dienstverband van verzoekster in gevaar, omdat zij bij een negatief budgetplan geen geld heeft om haar woon-werk verkeer te bekostigen. Een en ander betekent dat de huidige stabiliteit, die ook nodig is voor toelating tot de WSNP, wordt doorbroken. Dat is niet in het belang van de gezamenlijke crediteuren, zeker niet nu ook het werk – en daarmee het inkomen – van verzoekster in gevaar komt.

2.3

De rechtbank is van oordeel dat tegen de hiervoor geschetste achtergrond, waarbij de financiële situatie van verzoekster inmiddels stabiel was en inmiddels een minnelijk traject was gestart, het belang van verzoekster zwaarder dient te wegen dan het belang van Hoist bij het gelegde beslag. Dat geldt te meer nu dat beslag is gelegd nádat het minnelijk traject was opgestart. Het verzoek zal dan ook worden toegewezen. Gelet op het verzoek tot toepassing van WSNP en het daarmee te bereiken doel, zal de rechtbank de gevraagde voorziening uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

De schuldsaneringsregeling

2.4

Een verzoek als het onderhavige dient niet te worden toegewezen, indien onaannemelijk is dat verzoekster tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zal worden toegelaten. Dat laatste is voorshands niet het geval.

2.5

Het verzoek tot toelating van de wettelijke schuldsaneringsregeling kan nog niet worden afgedaan, nu het minnelijke traject nog niet is afgerond. De verdere behandeling van dit verzoek zal plaatsvinden op 15 december 2020 om 09:30 uur, indien twee weken voor voornoemde datum een compleet verzoekschrift tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling of tot het opleggen van een dwangakkoord (inclusief bijlagen) is aangeleverd.

3 De beslissing

De rechtbank:

- verbiedt de tenuitvoerlegging van het namens Hoist gelegde executoriaal derdenbeslag onder RDW;

  • -

    bepaalt dat de werkgever van verzoekster (RDW) in afwijking van artikel 476 Rv geen gelden onder zich hoeft te houden en het loon uitbetaalt aan de beschermingsbewindvoerder van verzoekster, zulks zonder enige inhouding of reservering wegens het namens Hoist gelegde beslag;

  • -

    bepaalt dat de genoemde voorziening geldt totdat de uitspraak op het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling in kracht van gewijsde is gegaan of dit verzoek is ingetrokken;

  • -

    bepaalt dat de voorziening in ieder geval vervalt na verloop van zes maanden;

- bepaalt dat de voortgezette behandeling van het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal plaatsvinden op 15 december 2020 om 09:30 uur, indien twee weken voor voornoemde datum een compleet verzoekschrift tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling of tot het opleggen van een dwangakkoord (inclusief bijlagen) is aangeleverd;

- bepaalt het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Gewezen door mr. R.G.C. Veneman, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juni 2020 in tegenwoordigheid van A.F. Mooijman, griffier.