Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:6486

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-06-2020
Datum publicatie
14-07-2020
Zaaknummer
NL20.6266
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, statushouder Griekenland

Artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.6266

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. H. Loth),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. K. Elias).

Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting van 24 maart 2020 heeft vanwege de maatregelen die zijn getroffen in verband met het coronavirus niet plaatsgevonden. De rechtbank heeft partijen toestemming gevraagd om de zaak zonder zitting af te doen. Verweerder heeft die toestemming gegeven en eiser heeft niet gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.1

Overwegingen

1. Eiser stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1996] .

Het bestreden besluit

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat de Griekse autoriteiten op 10 januari 2018 aan hem een verblijfsvergunning hebben verleend. Dit resultaat is volgens verweerder leidend. Als de verblijfstatus is ingetrokken zijn de lidstaten immers verplicht dit resultaat uit het systeem te verwijderen. Eiser heeft zijn stelling over de relocatie niet onderbouwd.

1. Op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht.

Het is verder aan eiser om de rechten die hij heeft verkregen als statushouder te effectueren. Het is dan ook aan eiser om bij de autoriteiten navraag te doen over de huidige stand van zaken omtrent zijn status en de relocatie. Er is volgens verweerder geen aanleiding om te concluderen dat niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan of dat eiser bij terugkeer naar Griekenland in een situatie in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zou belanden. Van eiser mag worden verwacht dat hij zich bij voorkomende problemen wendt tot de (hogere) Griekse autoriteiten dan wel tot de daartoe geëigende instanties, aldus verweerder in het bestreden besluit.

Het standpunt van eiser

3. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en voert aan dat er onvoldoende zekerheid bestaat ten aanzien van zijn asielaanvraag in Griekenland. In het bestreden besluit stelt verweerder dat eiser op 10 juli 2017 in Griekenland asiel heeft aangevraagd en dat aan hem een vergunning is verleend op 10 januari 2018. Het is volgens eiser onduidelijk of deze vergunning geldig is of ingevolge de Procedurerichtlijn2 aan eiser bekend is gemaakt. Eiser acht de handelwijze van verweerder onzorgvuldig en ongemotiveerd, omdat verweerder niet op dit aangehaalde standpunt uit de zienswijze is ingegaan. Voorts wordt hetgeen eiser heeft opgemerkt over de relocatie procedure ten onrechte voor zijn rekening en risico gelaten. Verweerder heeft geen enkele intentie getoond in het kader van de op hem rustende samenwerkingsverplichting hier (enig nader) onderzoek naar te doen. Niet valt zonder meer uit te sluiten dat de gegevens administratief verkeerd zijn geregistreerd als een asielaanvraag in plaats van de afwikkeling van het niet doorgaan van de relocatie.

Het oordeel van de rechtbank

4.1

Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 1 september 20163, mag de staatssecretaris in beginsel afgaan op informatie van een andere lidstaat, zoals een weergegeven Eurodac-resultaat. Daarvoor is van belang dat het tijdsverloop sinds het onderzoek in het Eurodac-systeem beperkt is. Voorts dient uit de informatie duidelijk te worden wat de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling bij terugkeer is. Indien het resultaat uit het Eurodac-onderzoek onvoldoende recent is dan wel onvoldoende verblijfsrechtelijke informatie over de vreemdeling bevat, dient de staatssecretaris nader onderzoek te doen naar de vraag of de vreemdeling nog steeds over een door de desbetreffende lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning dan wel een andere toestemming tot verblijf beschikt. Uit de uitspraak van de ABRvS van 10 augustus 20164 volgt tevens dat op de Griekse autoriteiten de verplichting rust om de markering van de vreemdeling als persoon die internationale bescherming geniet te verwijderen uit het Eurodac-systeem wanneer zijn status is ingetrokken of beëindigd.

4.2

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder er in beginsel vanuit mocht gaan dat het Eurodac-resultaat nog steeds actueel is en verweerder heeft gelet daarop de asielaanvraag niet-ontvankelijk mogen verklaren. Het onderzoek in het Eurodac- systeem heeft op 20 februari 2020 plaatsgevonden en het bestreden besluit is van 3 maart 2020. Hieruit blijkt dat het tijdsverloop beperkt is.

2 Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming. 3 ECLI:NL:RVS:2016:2441.

4 ECLI:NL:RVS:2016:2279.

Ook volgt uit het Eurodac-resultaat voldoende duidelijk wat de verblijfsrechtelijke positie van eiser is bij terugkeer. Het Eurodac-resultaat vermeld immers ’Date of grant the international protection 10-01-2018’. Hieruit volgt genoegzaam dat aan eiser internationale bescherming is toegekend. Voorts heeft eiser niet gestaafd dat zijn verblijfsstatus door de Griekse autoriteiten is ingetrokken dan wel dat de Griekse autoriteiten zich niet aan de op hen rustende verplichting hebben gehouden. Verweerder was aldus anders dan eiser stelt niet gehouden om bij de Griekse autoriteiten navraag te doen over de huidige stand van zaken omtrent eiser zijn status, noch om nader onderzoek te verrichten in het kader van de samenwerkingsverplichting. Verweerder heeft zich verder voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het niet aannemelijk is dat het Eurodac-resultaat een administratieve fout betreft. Eiser heeft dit standpunt niet onderbouwd terwijl hij wel heeft verklaard dat hij documenten betreffende de relocatie heeft gehad. Dat eiser deze documenten niet meer heeft komt voor zijn eigen rekening en risico. De beroepsgrond slaagt niet.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, rechter, in aanwezigheid van mr. E. de Jong, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

25 juni 2020

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.