Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:6460

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
16-07-2020
Zaaknummer
C/09/592312 / JE RK 20-1041
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verlenging ondertoezichtstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaaksgegevens: C/09/592312 / JE RK 20-1041

Datum uitspraak: 30 juni 2020

Beschikking van de kinderrechter

Verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak naar aanleiding van het op 30 april 2020 ingekomen verzoekschrift van:

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland (hierna te noemen: de gecertificeerde instelling),

betreffende:

- [minderjarige] geboren op [geboortedag] 2005 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de man] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats 1] ,

[de vrouw] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats 2] .

Het procesverloop

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 30 april 2020;

  • -

    de meldbrief zijdens de vader, ingekomen op 20 mei 2020;

  • -

    de meldbrief zijdens [minderjarige] , ingekomen op 22 mei 2020;

  • -

    het e-mailbericht van de gecertificeerde instelling met als bijlage de reactie van de vader op het verzoekschrift, ingekomen op 13 mei 2020;

  • -

    het e-mailbericht van de gecertificeerde instelling met als bijlage de mening van [minderjarige] op het verzoekschrift, ingekomen op 29 juni 2020.

Op 30 juni 2020 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:

- de vader;

- de moeder;

- [vertegenwoordiger van de GI] , namens de gecertificeerde instelling.

[minderjarige] is op 30 juni 2020 ook in raadkamer gehoord.

Feiten

  • -

    Het geregistreerd partnerschap van de vader en de moeder is ontbonden.

  • -

    De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

  • -

    [minderjarige] verblijft feitelijk bij de moeder.

  • -

    De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 1 juli 2019 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd van 2 juli 2019 tot 2 juli 2020.

Verzoek

Het verzoek strekt tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de periode van één jaar. Aan het verzoek ligt ten grondslag dat [minderjarige] klem zit tussen haar ouders en daarom geen onbelast contact kan hebben met haar ouders. De ouders zijn, ondanks de inzet van hulpverlening, nog onvoldoende in staat om op een goede manier met elkaar te communiceren in het belang van [minderjarige] . Dit levert spanning en onduidelijkheid voor [minderjarige] op. De gecertificeerde instelling heeft – met name tijdens de coronaperiode - gezien dat de communicatie tussen de ouders aanzienlijk is verbeterd, maar stelt ook vast dat het einddoel nog niet is bereikt. De gecertificeerde instelling acht de verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk om de reeds ingezette hulpverlening voor de ouders voort te zetten, zodat een verlenging van de ondertoezichtstelling over een jaar mogelijk niet meer aan de orde is.

De vader heeft ter zitting ingestemd met het verzochte. De vader zegt zich te herkennen in hetgeen door de gecertificeerde instelling naar voren is gebracht. De vader is van mening dat de hulpverlening teveel stagneert door boosheid en oud zeer bij de ouders en erkent dat dit [minderjarige] geen goed doet.

De moeder heeft ook ter zitting ingestemd met het verzochte en kan zich eveneens vinden in hetgeen door de gecertificeerde instelling naar voren is gebracht. De moeder wil het komende jaar verder werken aan de verbetering van de communicatie met de vader en wenst dat de onderlinge strijd tussen haar en de vader stopt.

Beoordeling

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn en dat het noodzakelijk is de ondertoezichtstelling te verlengen als verzocht.

De kinderrechter overweegt dat [minderjarige] naar voren heeft gebracht dat niet zij, maar de ouders onder toezicht gesteld zouden moeten worden. Hieruit blijkt dat [minderjarige] klem zit tussen haar ouders, waardoor zij geen onbelast contact met hen kan hebben en zij wordt bedreigd in haar identiteitsontwikkeling. Hoewel [minderjarige] de leeftijd heeft en bekwaam is om haar eigen mening te vormen, dienen de ouders haar niet te belasten met volwassenenzaken die zij onderling met elkaar moeten afstemmen.

De kinderrechter is van oordeel dat continuering van de betrokkenheid van de jeugdbeschermer in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is, en acht daarom ook een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk. De kinderrechter ziet dat de ouders – dankzij de inzet van de gezinsvoogd – een positieve ontwikkeling hebben doorgemaakt en hoopt dat deze lijn wordt voortgezet.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] van 2 juli 2020 tot 2 juli 2021 met behoud van de Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland als gecertificeerde instelling die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2020 door mr. J.E.M.G. van Wezel, kinderrechter, in tegenwoordigheid van P.M. Hoekstra als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 9 juli 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.