Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:6384

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
16-07-2020
Zaaknummer
C/09/590432 / JE RK 20-692
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ondertoezichtstelling en nieuwe machtiging uithuisplaatsing en een gesloten accommodatie voor jeugdhulp

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaaksgegevens: C/09/590432 / JE RK 20-692

Datum uitspraak: 23 juni 2020

Beschikking van de kinderrechter

Ondertoezichtstelling en nieuwe machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp

in de zaak naar aanleiding van het op 25 maart 2020 ingekomen verzoekschrift van:

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden (hierna te noemen: de Raad),

betreffende:

- [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] ,

advocaat mr. S.I. Kouwenhoven, te Naaldwijk.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de man] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats 1] , verblijvende in Tunesië op een bij de rechtbank onbekend adres.

[de vrouw]

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats 2] .

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden (hierna te noemen: de gecertificeerde instelling).

Het procesverloop

Bij beschikking d.d. 3 april 2020 van de kinderrechter in deze rechtbank is de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd van 7 april 2020 tot 25 juni 2020, en is een machtiging verleend om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp, zoals bedoeld in artikel 6.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet. De behandeling van het verzoek voor het overige werd aangehouden tot onderhavige zitting.

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:

  • -

    voornoemde beschikking d.d. 3 april 2020;

  • -

    het rapport van de Raad met als bijlage het verleningsbesluit d.d. 17 juni 2020, ingekomen op 19 juni 2020;

  • -

    de instemmingsverklaring d.d. 22 juni 2020 van een gedragswetenschapper als bedoeld in artikel 6.1.2, zesde lid, van de Jeugdwet, die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht.

Op 23 juni 2020 is de behandeling van de zaak ter zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij zijn verschenen:

  • -

    [minderjarige] , bijgestaan door haar advocaat mr. Kouwenhoven;

  • -

    [vertegenwoordiger van de GI] , namens de gecertificeerde instelling;

  • -

    [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad;

  • -

    mevrouw [A.] , tolk voor de moeder in de Arabische taal.

De moeder heeft een deel van de zitting telefonisch bijgewoond. Vanwege de geldende coronamaatregelen was zij niet in de mogelijkheid om de zitting fysiek bij te wonen.

De vader is op zijn woonadres opgeroepen, maar niet ter zitting verschenen.

[minderjarige] is op 23 juni 2020 ook, in aanwezigheid van haar advocaat, in raadkamer gehoord.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft de Raad voor Rechtsbijstand gelast een advocaat aan [minderjarige] toe te voegen.

Verzoek

Het verzoek strekt tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de periode van één jaar en tot machtiging [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de periode van zes maanden, welk verzoek tussentijds is gewijzigd naar drie maanden. De Raad heeft ter zitting het verzoek ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp gewijzigd naar een periode van één maand.

Aan het verzoek ligt ten grondslag dat er zorgen zijn over de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige] . [minderjarige] groeit op in het midden van twee werelden; er zijn veel cultuurverschillen, hetgeen een weerslag heeft op [minderjarige] . [minderjarige] is zelfbepalend, waardoor met name moeder de grip op [minderjarige] verloren is. [minderjarige] is regelmatig weggelopen uit het logeerhuis waar zij voorafgaand aan de plaatsing in gesloten setting verbleef. Daarnaast zijn er zorgen over het grote schoolverzuim van [minderjarige] . Gedurende de plaatsing in gesloten jeugdzorg zijn onderzoeken afgerond en verder is gebleken dat [minderjarige] vooruitgang heeft geboekt; zij beschikt over zelfreflectie en werkt aan een gedragsverandering. Er zal binnen één maand moeten worden gezocht naar een nieuwe plek in open setting voor [minderjarige] , zodat zij meer vrijheden krijgt en aan zichzelf kan werken, waarna vervolgens kan worden toegewerkt naar terugplaatsing bij de moeder.

De gecertificeerde instelling vindt, anders dan de Raad, dat een machtiging uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden noodzakelijk is. In verband met gedane onderzoeken naar risico voor eergerelateerd geweld is de kindeigenproblematiek van [minderjarige] ondergesneeuwd geraakt, terwijl daar nog zeker werk aan de winkel is. Er is een persoonlijkheidsonderzoek voor kindproblematiek aangevraagd bij Family Support, zodat er kan worden onderzocht wat er aan het wegloopgedrag, middelengebruik en de impulsiviteit van [minderjarige] ten grondslag ligt. De gecertificeerde instelling meent dat er vanuit de gesloten setting moet worden toegewerkt aan terugplaatsing van [minderjarige] naar de open setting van [instelling] , waarna zij wellicht bij de moeder thuis kan terugkeren.

[minderjarige] heeft – mede bij monde van haar advocaat – ingestemd met het verzochte, althans heeft zich niet tegen de toewijzing daarvan verzet. [minderjarige] erkent dat zij al in de aankomende maand zal moeten gaan leren om met haar vrijheid om te gaan. Het weglopen in het verleden was impulsief van [minderjarige] ; zij heeft van haar fouten geleerd tijdens haar verblijf in de gesloten setting. [minderjarige] vindt het belangrijk dat zij dichtbij huis kan worden geplaatst, zodat zij meer contact kan hebben met de moeder, die zij erg mist. Daarnaast heeft de advocaat van [minderjarige] te kennen gegeven dat [minderjarige] graag na de zomervakantie een opleiding wil gaan volgen die aansluit bij haar intelligentieniveau, zodat zij kan werken aan haar toekomst.

De moeder heeft ingestemd met het verzochte, althans heeft zich niet tegen de toewijzing daarvan verzet. De moeder is van mening dat het niet in het belang van [minderjarige] is om nog drie maanden in een gesloten setting te verblijven en hoopt daarom dat [minderjarige] binnen een maand in een open setting zal worden geplaatst.

Beoordeling

De kinderrechter stelt vast dat de vader niet bereid is zich te doen horen, zodat het horen van deze persoon op grond van artikel 6.1.10, eerste lid onder a, Jeugdwet achterwege kan blijven.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat het verzoek de instemming heeft van een gedragswetenschapper, als bedoeld in artikel 6.1.2, zesde lid, van de Jeugdwet, [minderjarige] met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht.

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn en dat het noodzakelijk is de ondertoezichtstelling te verlengen als verzocht.

De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige] bestaan uit het hierna volgende. [minderjarige] groeit op in een familie met veel onderlinge cultuurverschillen. Er zijn zorgen over de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige] , mede omdat zij in het verleden regelmatig is weggelopen, nachten is weggebleven en het dan onbekend was met wie zij waar verbleef. [minderjarige] is zelfbepalend en heeft zich in het logeerhuis niet aan de daar geldende afspraken gehouden, waarna zij daar niet meer welkom was. Het is belangrijk dat [minderjarige] beschermd en begeleid wordt in het omgaan met vrijheden; eerst nog één maand in gesloten setting en daarna vanuit een open setting.

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [minderjarige] zich aan de jeugdhulp die zij nodig heeft onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.

De kinderrechter overweegt daarbij in het bijzonder dat het niet in het belang van [minderjarige] is om zonder begeleiding uit de gesloten setting naar huis terug te keren. In de komende maand zal een nieuwe plek voor [minderjarige] moeten worden gezocht waar [minderjarige] aan zichzelf en haar toekomst kan gaan werken.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

stelt [minderjarige] van 25 juni 2020 tot 25 juni 2021 onder toezicht van de Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, en verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

en

verleent een machtiging [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp zoals bedoeld in artikel 6.1.2, eerste lid, van de Jeugdwet, voor de duur van één maand, van 25 juni 2020 tot 25 juli 2020;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2020 door mr. E.M.M. Engbers, kinderrechter, in tegenwoordigheid van P.M. Hoekstra als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 2 juli 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.