Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:6383

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
16-07-2020
Zaaknummer
C/09/590870 / JE RK 20-768
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verlening ondertoezichtstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaaksgegevens: C/09/590870 / JE RK 20-768

Datum uitspraak: 23 juni 2020

Beschikking van de kinderrechter

Verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak naar aanleiding van het op 2 april 2020 ingekomen verzoekschrift van:

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

betreffende:

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2016 te [geboorteplaats] , België,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de vrouw] ,

hierna te noemen: de moeder,

[verblijvende] op een bij de rechtbank onbekend adres.

Het procesverloop

Bij beschikking van 26 mei 2020 van de kinderrechter in deze rechtbank is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd van 27 mei 2020 tot 27 juni 2020. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden tot de zitting.

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:

  • -

    voornoemde beschikking van 26 mei 2020;

  • -

    de e-mail met bijlage van de gecertificeerde instelling, ingekomen op 19 juni 2020.

Op 23 juni 2020 is de behandeling van de zaak ter zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij is [vertegenwoordiger van de GI] namens de gecertificeerde instelling verschenen.

De moeder heeft blijkens het door verzoekster overgelegde uittreksel uit het systeem ingevolge de wet BRP geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland. De moeder is daarom openbaar opgeroepen door middel van een advertentie in de Staatscourant d.d. 2 juni 2020. De moeder is evenwel niet verschenen.

Verzoek

Het verzoek strekt tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de periode van één jaar, welk verzoek bij e-mailbericht d.d. 19 juni 2020 is gewijzigd naar een verzoek voor de periode van zes maanden.

Aan het verzoek ligt het volgende ten grondslag. Omdat er grote zorgen waren over de omstandigheden waaronder [minderjarige] opgroeide, is hij op 13 maart 2019 (voorlopige) onder toezicht gesteld. Sedertdien is er echter geen zicht op [minderjarige] . Op 8 maart 2019 heeft de moeder telefonisch te kennen gegeven niet mee te werken en [minderjarige] verborgen te zullen houden. [minderjarige] verblijft al een poos met zijn moeder op [verblijfplaats] zo lijkt het. Er zijn grote zorgen om zijn basale verzorging, veiligheid en leefomstandigheden, aangezien er signalen zijn dat hij geen vaste opvoeder heeft en in verschillende landen bij diverse mensen verblijft. Het is schadelijk voor de ontwikkeling en hechting van een kind om steeds te moeten wisselen van opvoed- en leefsituatie. Op 18 juni 2020 heeft de gecertificeerde instelling contact gehad met de Voogdijraad te [verblijfplaats] , die binnenkort een huisbezoek zal brengen aan de moeder en daarbij zal onderzoeken hoe het met [minderjarige] gaat. De gecertificeerde instelling is van mening dat de verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is om contact te kunnen behouden met de instanties op [verblijfplaats] en zicht te krijgen op de huidige woon- en leefsituatie van [minderjarige] .

Beoordeling

Bevoegdheid Nederlandse rechter en toepasselijk recht

 De kinderrechter dient ambtshalve te toetsen of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek, aangezien de moeder als gezaghebbende ouder waarschijnlijk met [minderjarige] op [verblijfplaats] verblijft. De verblijfplaats is bepalend voor de bevoegdheid van de kinderrechter. In dit specifieke geval acht de kinderrechter zich bevoegd om kennis te nemen van het verzoek en naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek, gelet op het bepaalde in artikel 5 van het Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering, aangezien de zaak voldoende verbonden is met de rechtssfeer van Nederland. De kinderrechter stelt vast dat de bevoegdheid van de kinderrechter te Den Haag in onderhavig verzoek reeds is aangenomen bij (tussen)beschikking van 26 mei 2020, waarbij de ondertoezichtstelling van [minderjarige] is verlengd tot 27 juni 2020 en de behandeling van het verzoek voor het overige is aangehouden tot deze zitting.

Inhoudelijke beoordeling

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn en dat het noodzakelijk is de ondertoezichtstelling te verlengen, echter voor een kortere termijn dan verzocht.

Daarbij overweegt de kinderrechter dat er ernstige zorgen zijn over [minderjarige] en dat hij al lange tijd is vermist. Vermoedelijk verblijft hij sinds december 2018 niet meer in Nederland. Gedurende de ondertoezichtstelling is er geen zicht gekomen op de leefomstandigheden en ontwikkeling van [minderjarige] . De gecertificeerde instelling heeft zich, met behulp van de ondertoezichtstelling, ingezet om [minderjarige] op te sporen in samenwerking met het Openbaar Ministerie. De moeder verblijft, naar het zich laat aanzien, met [minderjarige] , op [verblijfplaats] en is er nu contact met de Voogdijraad aldaar. De kinderrechter concludeert dat de moeder en [minderjarige] zich hebben gevestigd buiten Nederland en dat de gecertificeerde instelling de zaak dient over te dragen aan de bevoegde autoriteiten van [verblijfplaats] . Om deze overdracht, gelet op de ernstige zorgen, zorgvuldig te laten verlopen zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengen voor de duur van twee maanden.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] van 27 juni 2020 tot 27 augustus 2020 met behoud van de Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland als gecertificeerde instelling die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2020 door mr. E.M.M. Engbers, kinderrechter, in tegenwoordigheid van P.M. Hoekstra als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 2 juli 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.