Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:6329

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-06-2020
Datum publicatie
11-07-2020
Zaaknummer
NL20.11509
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Syrische nationaliteit, internationale bescherming in Denemarken, status niet ingetrokken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.11509


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

v-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. H.C.Ch. Kneuvels),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Bondarev).


Procesverloop
Bij besluit van 18 oktober 2019 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard1. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Op 29 november 2019 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, het beroep gegrond verklaard (zaaknummer: NL19.24929). Verweerder is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State2. Op dit beroep is nog niet beslist. Tevens heeft verweerder een nieuw besluit genomen.

Bij dit nieuwe besluit van 27 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser opnieuw niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.11510, plaatsgevonden op 18 juni 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] . Op 2 oktober 2019 heeft hij in Nederland een asielverzoek ingediend.

2. Bij besluit van 18 oktober 2019 heeft verweerder de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser in Denemarken internationale bescherming zou genieten. Bij uitspraak van deze zittingsplaats van 29 november 2019 heeft de rechtbank dit besluit vernietigd, omdat onvoldoende duidelijk bleek wat de verblijfsrechtelijke positie van eiser bij terugkeer in Denemarken was. Het besluit is vernietigd en verweerder is opgedragen om een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag opnieuw niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser volgens verweerder nog steeds internationale bescherming geniet in Denemarken. Uit navraag bij de Deense autoriteiten blijkt dat de verblijfsvergunning (residence permit) van eiser weliswaar is vervallen, maar dat dit niet betekent dat hij in Denemarken niet langer over een verblijfsrecht beschikt en hij bij terugkeer in Denemarken zijn verblijfsvergunning kan laten valideren.

4. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder er ten onrechte vanuit gaat dat hij in Denemarken nog internationale bescherming geniet.

De rechtbank overweegt als volgt.

5. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling3 volgt dat het verlenen van de subsidiaire beschermingsstatus van een onderdaan van een derde land of staatloze moet worden onderscheiden van het verstrekken van een verblijfstitel aan personen met een dergelijke status. Hoewel de geldigheid van een verblijfstitel kan worden beperkt, kan hieruit niet worden afgeleid dat met het verlopen van de geldigheidsduur van een aan een vreemdeling verstrekte verblijfstitel ook de aan een vreemdeling verstrekte beschermingsstatus eindigt. Een dergelijke uitleg zou immers het risico met zich brengen dat een vreemdeling die niet tijdig om verlenging van de aan hem verstrekte verblijfstitel heeft verzocht, reeds daarom zou kunnen worden uitgezet naar zijn land van herkomst.

6. Uit het dossier blijkt dat eiser in 2014 in Denemarken asiel heeft aangevraagd en dat hem die internationale bescherming ook is verleend. Eiser heeft daarbij een verblijfsvergunning (‘opholdstilladelse’ ofwel residence permit) gekregen met een geldigheidsduur tot – in beginsel – [datum] 2019. Uit de door verweerder thans overgelegde brieven van het Deense Ministry of Immigration and Integration van 4 en 10 maart 2020 blijkt dat eiser echter op [datum 2] 2017 werd geregistreerd als ‘absconded’ en dat de ‘residence permit has lapsed ex lege’, omdat eiser zich had gevestigd buiten de lidstaten (van de Europese Unie). Uit deze brieven van de Deense autoriteiten blijkt niet dat zij de aan eiser verleende status van internationale bescherming hebben ingetrokken. Uit de brieven blijkt daarenboven dat eiser kan terugkeren naar Denemarken waar hij kan verzoeken om herleving van zijn verblijfsvergunning (residence permit). Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser in Denemarken nog altijd internationale bescherming geniet.

7. Voor zover eiser zich beroept op artikel 16 van de Dublinverordening4, omdat boven beide brieven staat ‘Dublin Regulation – Article 34’, heeft verweerder ter zitting onweersproken uitgelegd dat deze koptekst samenhangt met een praktisch en efficiënt gebruik van communicatiekanalen tussen de diverse nationale autoriteiten.

8. Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen5 is in een dergelijke situatie, alleen al omdat eiser in Denemarken internationale bescherming geniet, voldaan aan het bepaalde in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser met Denemarken een zodanige band heeft dat het voor hem redelijk zou zijn hiernaar terug te keren. Uit het bestaan van deze band volgt dat verweerder de asielaanvraag terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.

9. Nu verweerder de asielaanvraag niet-ontvankelijk heeft verklaard, heeft hij terecht niet getoetst aan artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden6.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.E. Paulus, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

2 201908800/1/V3

3 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1253 en van 18 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1971.

4 Verordening (EU) nr., 604/2013.

5 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 6 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2621 en van 9 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1253.

6 Artikel 3.6a, tweede lid, van het Vb.