Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:6319

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-06-2020
Datum publicatie
21-07-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 7607
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

duur van het inreisverbod - ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/7607

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2020 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.M. Polman),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. I. Boon).

Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.
Eiser is geboren op 9 maart 2001 en heeft de Albanese nationaliteit.

2. In het terugkeerbesluit heeft verweerder bepaald dat eiser de Europese Unie
onmiddellijk moet verlaten, nu volgens verweerder het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Hierover heeft verweerder als zware gronden vermeld dat eiser:

- zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
- heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

en als lichte gronden dat eiser:

- geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; en
- niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

In gevolg van het terugkeerbesluit heeft verweerder op grond van artikel 66a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een inreisverbod aan eiser uitgevaardigd voor de duur van twee jaar.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert hiertoe aan dat hij om een korter inreisverbod heeft verzocht. Eiser heeft te kennen gegeven dat hij, als gevolg van het overlijden van zijn vader, kostwinner is van zijn gezin en mogelijkheden heeft om in de Italiaanse landbouw te werken. Het inreisverbod zou deze mogelijkheid beperken. Verweerder is zonder nadere motivering aan het voorgaande voorbijgegaan.

4.
Volgens artikel 11, tweede lid, van de Richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn) wordt de duur van het inreisverbod bepaald volgens alle relevante omstandigheden van het individuele geval en bedraagt deze in principe niet meer dan vijf jaar. De duur kan meer dan vijf jaar bedragen, indien de onderdaan van een derde land een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

Op grond van artikel 6.5a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste twee jaren.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

In geschil is of verweerder in de individuele omstandigheden van eiser aanleiding had moeten zien om de duur van het inreisverbod te verkorten.

5.2.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 15 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9112 en ECLI:NL:RVS:2012:BW9115) volgt dat uit artikel 4:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, voortvloeit dat de betrokken vreemdeling in de gelegenheid moet worden gesteld om individuele omstandigheden, op grond waarvan volgens hem aanleiding zou bestaan voor een verkorting van de duur van het inreisverbod, aan te voeren. Indien de vreemdeling zodanige omstandigheden heeft aangevoerd, zal verweerder, indien hij daarin geen aanleiding ziet het inreisverbod te verkorten, ingevolge artikel 3:46 van de Awb dit standpunt dienen te motiveren.

5.3.

Uit het proces-verbaal van het gehoor blijkt dat eiser is geïnformeerd over het aan hem op te leggen terugkeerbesluit en inreisverbod, waarna hij in de gelegenheid is gesteld enkele verklaringen af te leggen. Eveneens blijkt uit het proces-verbaal dat aan eiser is uitgelegd dat individuele omstandigheden mogelijk tot een kortere duur van het inreisverbod zouden kunnen leiden en dat het aan hem is om zodanige omstandigheden aan te voeren. Aan eiser is specifiek gevraagd of er bijzondere omstandigheden zijn waarom de duur van het inreisverbod zou moeten worden verkort. De rechtbank constateert dat eiser op deze laatste vraag antwoordde dat hij een korter inreisverbod wil, maar dat hij hier geen redenen voor kan aangeven. Eiser heeft enkel verklaard dat hij geen vader meer heeft en dat hij voor zijn familie moet zorgen en werken.

Nu eiser zelf heeft verklaard geen redenen aan te kunnen geven waarom de duur van het inreisverbod verkort zou moeten worden, heeft verweerder in eisers individuele omstandigheden geen aanleiding hoeven zien om de duur van het inreisverbod te verkorten. Het betoog dat eiser mogelijkheden heeft om in de Italiaanse landbouw te werken en dat het inreisverbod dit beperkt, leidt niet tot een ander oordeel. Los van het feit dat eiser deze omstandigheid niet eerder heeft genoemd, overweegt de rechtbank dat dit betoog niet is onderbouwd door eiser.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 19 juni 2020.

griffier rechter


Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.