Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:6266

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-06-2020
Datum publicatie
10-07-2020
Zaaknummer
AWB 19/8172 (beroep)
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Beroep niet tijdig beslissen op mvv-aanvraag. De kennisgeving kan niet worden aangemerkt als een (inwilligend) besluit op de mvv-aanvraag. Vw heeft niet tijdig beslist en is een dwangsom verschuldigd. Beroep gegrond. Vovo afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 19/8172 (beroep)

AWB 19/8173 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 19 juni 2020 in de zaak tussen

[eiseres/verzoekster] , geboren op [1979] , van Chinese nationaliteit, eiseres/verzoekster

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. M. van der Lubbe)

Procesverloop

1. Op 20 mei 2019 is namens eiseres/verzoekster (verder: eiseres), wonende in [woonplaats] (China), een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (verder: mvv) ingediend met als doel ‘arbeid als kennismigrant’.

1.1.

Bij kennisgevingen 22 mei 2019 en nogmaals op 27 mei 2019 heeft verweerder de gemachtigde van eiseres ervan in kennis gesteld dat hij geen bezwaar heeft tegen de afgifte van een mvv aan eiseres.

1.2.

Eiseres heeft verweerder op 19 juli 2019 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 20 mei 2019. Op 22 augustus 2019 heeft eiseres verweerder nogmaals in gebreke gesteld.

1.3.

Eiseres heeft op 24 oktober 2019 beroep (zaaknummer AWB 19/8172) ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 20 mei 2019. Ook heeft eiseres bezwaar gemaakt bij het consulaat te [woonplaats] tegen de feitelijke handeling van het niet plaatsen van een mvv-sticker.

1.4.

Op 24 oktober 2019 heeft eiseres een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (zaaknummer AWB 19/8174) connex aan het beroep en zij heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (zaaknummer AWB 19/8173) connex aan het bezwaar .

1.5.

Verweerder heeft op 10 november 2019 gereageerd op de ingebrekestelling en heeft op 23 december 2019 een verweerschrift ingediend.

1.6.

Op 29 januari 2020 heeft verweerder de rechtbank een kopie gestuurd van de kennisgeving van 28 januari 2020 waarin verweerder de kennisgevingen van 22 en 27 mei 2019 intrekt en de aanvraag om een mvv afwijst. Eiseres heeft op 31 januari 2020 gereageerd en heeft op 18 februari 2020 laten weten dat zij haar beroep handhaaft.

1.7.

Op 22 april 2020 heeft verweerder (nader) briefverweer ingediend en op 11 mei 2020 heeft eiseres gereageerd.

1.8.

De rechtbank heeft de zaken behandeld op de zitting van 2 juni 2020 met een videoverbinding. Namens partijen waren de gemachtigden daarbij aanwezig. Op de zitting heeft eiseres het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer AWB 19/8174 ingetrokken.

Overwegingen en oordeel van de rechtbank

Het beroep (AWB 19/8172)

2. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat verweerder in elk geval op 28 januari 2020 een beslissing heeft genomen op de mvv-aanvraag van eiseres. Het procesbelang van eiseres is gelegen in de vraag of verweerder een bestuurlijke dwangsom heeft verbeurd omdat hij niet tijdig heeft beslist op de mvv-aanvraag. Voor het beantwoorden van die vraag is van belang of verweerder met de kennisgevingen van 22 en 27 mei 2019 een besluit heeft genomen op de mvv-aanvraag van 20 mei 2019.

3. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat de kennisgevingen van 22 en 27 mei 2019 niet op rechtsgevolg zijn gericht en dat daarmee nog niet is beslist op de aanvraag. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de kennisgeving wel een besluit is gericht op rechtsgevolg, namelijk een inwilligend besluit op de mvv-aanvraag onder de opschortende voorwaarden zoals die in de kennisgeving staan vermeld. Volgens verweerder is hij daarom niet in gebreke om tijdig op de aanvraag van 20 mei 2019 te beslissen en is er dus ook geen dwangsom verschuldigd.

4. De rechtbank is van oordeel dat de kennisgevingen van 22 en 27 mei 2019 niet kunnen worden aangemerkt als een besluit tot inwilliging van de mvv-aanvraag van 20 mei 2019. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

5. De rechtbank stelt vast dat verweerder met de kennisgevingen van 22 en 27 mei 2019 de gemachtigde van eiseres ervan in kennis stelt dat hij geen bezwaar heeft tegen afgifte van een mvv aan eiseres en dat hij de Nederlandse vertegenwoordiging te [woonplaats] (China) hierover heeft geïnformeerd. Voor het opstarten van de procedure voor afgifte van de mvv‑visumsticker wordt eiseres verwezen naar de Nederlandse vertegenwoordiging te [woonplaats] . Verweerder heeft er verder in de kennisgevingen op gewezen dat de Nederlandse vertegenwoordiging de mvv alleen afgeeft als eiseres aan de in de kennisgeving genoemde voorschriften voldoet.1 De daadwerkelijke afgifte van de mvv geschiedt vervolgens door het plaatsen van een mvv‑visumsticker in het paspoort van de vreemdeling. Hiermee kan de vreemdeling naar Nederland reizen waar de gevraagde vergunning wordt verstrekt.

5.1.

De rechtbank is van oordeel dat hieruit volgt dat de kennisgeving, het verlenen van de mvv door het plaatsen van een mvv-visumsticker en het verlenen van de verblijfsvergunning drie afzonderlijke besluiten zijn met een verschillend rechtsgevolg. De kennisgeving is dus een besluit maar het rechtsgevolg van dit besluit strekt niet tot het verlenen van de gevraagde mvv. De kennisgeving is immers niet onvoorwaardelijk en kan, gezien de daarin opgenomen zeer algemene opschortende voorwaarden, niet als een (inwilligend) besluit op de aanvraag om een mvv worden aangemerkt. Pas als verweerder de mvv-sticker plaatst of de mvv-aanvraag afwijst, heeft hij een (inwilligend dan wel afwijzend) besluit genomen op de aanvraag.

5.2.

Voor de situatie van eiseres betekent dit dat de kennisgevingen van 22 en 27 mei 2019 niet kunnen worden aangemerkt als een (inwilligend) besluit op de aanvraag om een mvv van 20 mei 2019.

6. Vervolgens is het de vraag of verweerder met het besluit van 28 januari 2020 tijdig op de aanvraag van 20 mei 2019 heeft beslist. Het bestuursorgaan beslist op een mvv-aanvraag in beginsel binnen negentig dagen.2 Dat betekent dat verweerder uiterlijk op 18 augustus 2019 op de aanvraag had moeten beslissen. Dat heeft verweerder niet gedaan. Daarmee staat vast dat verweerder de beslistermijn heeft overschreden en het beroep van eiseres is dus gegrond.

6.1.

Als een beschikking niet op tijd wordt genomen, is het bestuursorgaan een dwangsom verschuldigd voor elke dag (vanaf de vijftiende dag na ontvangst van de ingebrekestelling) dat het in gebreke is, voor ten hoogste 42 dagen.3 De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag.4

6.2.

Eiseres heeft de rechtbank verzocht om de dwangsom vast te stellen. De rechtbank doet dit met toepassing van artikel 8:55c van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiseres heeft verweerder op 22 augustus 2019 in gebreke gesteld. Dit betekent dat verweerder, gelet op artikel 6:12, tweede lid van de Awb, tot 5 september 2019 een besluit kon nemen, zonder een dwangsom te verbeuren. Vanaf deze datum zijn meer dan 42 dagen als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb verstreken. De door verweerder verschuldigde dwangsom bedraagt daarom het maximale bedrag van €1.442,-.

6.3.

De rechtbank zal verweerder niet opdragen om alsnog een besluit te nemen op de aanvraag van 20 mei 2019 omdat verweerder dit op 28 januari 2020 al heeft gedaan.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een wegingsfactor 1 en met een waarde per punt van € 525,-). De rechtbank is, gelet op wat onder 3 tot en met 5.2 is overwogen en gelet op het feit dat het beroep ter zitting is behandeld, van oordeel dat deze zaak niet van licht maar van gemiddeld gewicht is.

8. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht dat eiseres heeft betaald (€ 174,-) vergoeden.


Het verzoek om een voorlopige voorziening (AWB 19/8173)

9. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen het besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechter, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

9.1.

Eiseres heeft op 24 oktober 2019 bezwaar gemaakt bij het consulaat te [woonplaats] tegen de feitelijke handeling van het niet plaatsen van een mvv-sticker. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om het bevel te geven dat de mvv wordt afgegeven door het plaatsen van de mvv-sticker, totdat op het bezwaar is beslist.

9.2.

Voor een vreemdeling staat niet alleen bezwaar en beroep open tegen een besluit, maar ook tegen een feitelijke handeling. Dit staat in artikel 72, derde lid, van de Vw. Voor het aanmerken van een feitelijke handeling in die zin is vereist dat voor de vreemdeling geen andere adequate bestuursrechtelijke rechtsgang open staat.5

9.3.

Deze rechtsgang staat voor eiseres (inmiddels) wel open. Zij heeft immers bezwaar gemaakt tegen verweerders besluit van 28 januari 2020 waarbij verweerder de mvv‑aanvraag van eiseres heeft afgewezen. De weigering om een visumsticker te plakken in het paspoort van eiseres kan in dit geval dan ook niet (meer) worden aangemerkt als een feitelijke handeling in de hiervoor bedoelde zin.6

9.4.

Het bezwaar tegen de weigering van een mvv-sticker zal waarschijnlijk niet‑ontvankelijk worden verklaard. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- stelt de door verweerder verbeurde dwangsom vast op € 1.442,-;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.050,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres.

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan op 19 juni 2020 door mr. G.P. Loman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. N.R. Hoogenberk, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover die het beroep betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Deze gang van zaken is conform het beleid, zie B1/3.3.3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc).

2 Artikel 25, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000.

3 Artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4 Artikel 4:17, tweede lid, van de Awb.

5 Vgl. de uitspraak van de ABRvS 21 juli 2015, ECLI:NL:RVS: 2015:2423 en de uitspraak van 11 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3454.

6 Vgl. de bij het briefverweer van 22 april 2020 overgelegde uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 5 november 2019, AWB 19/6666.