Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:6231

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-07-2020
Datum publicatie
09-07-2020
Zaaknummer
NL20.2910
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak na tussenuitspraak.

Motiveringsgebrek hersteld. Geen groepsvervolging/systematische vervolging van de Fur/niet-Arabische bevolkingsgroepen afkomstig uit Darfur.

Asielrelaas ongeloofwaardig. Geen beperkte/geringe indicaties. Beroep gegrond, rechtsgevolgen in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.2910


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2020 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. W. de Vilder),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).

Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond. Daarnaast heeft verweerder geweigerd om aan eiser ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen en heeft verweerder aan eiser geen uitstel van vertrek verleend.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Bij tussenuitspraak van 1 april 2020 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld het geconstateerde motiveringsgebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.

Eiser heeft hierop een schriftelijke zienswijze (de zienswijze) gegeven.

De rechtbank heeft, met toepassing van het bepaalde in artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden en het standpunt van verweerder verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak van 1 april 2020. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.1 Die doen zich hier niet voor. De rechtbank blijft dus bij haar beslissing in de tussenuitspraak dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat in Darfur sprake is van een 15c-situatie.

2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat uit het ambtsbericht, de uitspraak van het Upper Tribunal van het Verenigd Koninkrijk van 29 juli 2019 en pagina’s 20 en 21 uit het rapport van Amnesty International Nederland van maart 2019 volgt dat met name de niet-Arabische stammen afkomstig uit Darfur het doelwit zijn van geweld in Darfur en dat zij daarnaast een verhoogd risico lopen om bij terugkeer naar Soedan het slachtoffer te worden van ernstige mensenrechtenschendingen. Verweerder had nader moeten motiveren waarom deze omstandigheden, op zichzelf en in onderlinge samenhang bezien, niet maken dat niet-Arabische bevolkingsgroepen afkomstig uit Darfur als groep vervolgd worden dan wel dat zij als groep systematisch worden blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen. De rechtbank heeft beslist dat aan het bestreden besluit dan ook een motiveringsgebrek kleeft. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld dit te herstellen door te motiveren waarom hij, gelet op de genoemde informatie, voor niet-Arabische bevolkingsgroepen afkomstig uit Darfur niet heeft aangenomen dat zij als groep vervolgd worden dan wel dat zij als groep systematisch worden blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen. Verweerder heeft een aanvullende motivering ingediend.

Heeft verweerder het motiveringsgebrek hersteld?

3. Eiser stelt in de zienswijze dat verweerder met zijn aanvullende motivering het motiveringsgebrek niet heeft hersteld. Op wat eiser daartoe heeft aangevoerd, gaat de rechtbank hierna in.

3.1.

Verweerder wijst er in zijn aanvullende motivering op dat er in Darfur ongeveer 10 miljoen mensen wonen, dat 70% van de totale bevolking in Darfur behoort tot een niet-Arabische bevolkingsgroep en dat de grootste niet-Arabische bevolkingsgroep de Fur is. Dit is door eiser niet betwist. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak overwogen dat de in het ambtsbericht opgenomen tabellen inzichtelijk maken dat het totaal aantal burgerslachtoffers in Darfur in de periode van 2017 tot en met augustus 2019 in alle regio’s van Darfur sterk is afgenomen ten opzichte van 2016. Uit die tabellen volgt dat het aantal slachtoffers in 2018 het hoogst was in Zuid-Darfur met een aantal van 108. In de periode in 2019 was dit het hoogst in Centraal Darfur met een aantal van 32. De rechtbank heeft er in het tussenvonnis echter ook op gewezen dat in het ambtsbericht was opgenomen dat in 2019 sprake was van een verslechtering van de veiligheidssituatie en mensenrechtensituatie. Dit hing onder meer samen met de demonstraties voor en na het gedwongen aftreden van president Bashir in april van 2019. Verweerder wijst er in zijn aanvullende motivering op dat, gelet op onder meer de rapporten van de Speciale VN rapporteur2 over de periode van april 2019 tot 31 januari 2020, het aantal incidenten van gewapend geweld tussen de regering en gewapende troepen in Darfur en het aantal slachtoffers nadien verder is afgenomen en dat ook het aantal incidenten in Darfur waarbij de veiligheidsdiensten gewelddadig optraden, in intensiteit afnam en relatief beperkt is. Zo was er in de periode van 11 april tot 27 juni 2019 nog sprake van 109 incidenten, met 34 doden en 201 gewonden, was er in de periode van 27 juni tot 15 oktober 2019 sprake van 22 incidenten met de veiligheidsdiensten, waarbij 60 gewonden en geen doden zijn gevallen en was in de periode van 15 oktober 2019 tot 31 januari 2020 sprake van 85 incidenten, met als gevolg één dode en 12 gewonden. Wel heeft verweerder aangegeven dat uit het rapport van de Speciale VN rapporteur van 15 oktober 2019 volgt dat het aantal criminele incidenten is toegenomen, met name in de IDP-kampen, en dat er in 2019 sprake was van een toename van het aantal boerderijen dat vernietigd werd en van illegale landtoe-eigeningen.

3.2.

In tegenstelling tot wat eiser naar voren heeft gebracht, heeft verweerder uit deze informatie kunnen concluderen dat het aantal incidenten, afgezet tegen het aantal inwoners van Darfur, relatief beperkt is. Daarbij is het aantal incidenten na april 2019 gedaald. Dat de mensenrechtensituatie nog altijd slecht is en dat met name mensen van niet-Arabische bevolkingsgroepen het slachtoffer werden van geweld, doet hier niet aan af.

Ook als ervan moet worden uitgegaan dat al deze slachtoffers Fur zijn dan wel mensen van niet-Arabische bevolkingsgroepen, dan is dit aantal, afgezet tegen de omvang van de Fur dan wel van de niet-Arabische bevolkingsgroepen, relatief beperkt.

3.3.

Eiser heeft nog gewezen op het rapport van de Speciale VN rapporteur van 12 maart 2020, meer in het bijzonder de paragrafen 25 en 28, dat volgens eiser ook aantoont dat Arabische stammen het stelselmatig op niet-Arabische mensen gemunt hebben, waarbij ook minderjarigen - net als eiser - het slachtoffer zijn. In de door eiser genoemde paragrafen staat dat er in Darfur in de periode van 15 oktober 2019 tot 22 januari 2020 sprake was van 89 incidenten van mogelijke mensenrechtenschendingen en misbruik. Daarvan zijn 152 mensen het slachtoffer geworden, waaronder 16 minderjarigen; een stijging ten opzichte van de periode daarvoor. Deze incidenten zouden onder meer zijn veroorzaakt door mensen van Arabische bevolkingsgroepen en leden van de RSF. Verder staat er dat in de periode van 7 juli 2019 tot 22 januari 2020 sprake was van 37 incidenten waarbij er ten aanzien van 66 kinderen grove gewelddadigheden werden gepleegd en dat ook de RSF is betrokken bij deze gewelddadigheden. Ook deze aantallen zijn echter, zelfs als ervan moet worden uitgegaan dat al deze slachtoffers Fur zijn dan wel mensen van niet-Arabische bevolkingsgroepen, afgezet tegen de omvang van de Fur dan wel van de niet-Arabische bevolkingsgroepen, relatief beperkt.

3.4.

Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat, gelet op het aantal geweldsincidenten in Darfur, afgezet tegen de omvang van de Fur, dan wel de niet-Arabische bevolkingsgroepen in Darfur, niet gezegd kan worden dat de situatie in Darfur voor deze bevolkingsgroepen zo slecht is dat voor hen moet worden aangenomen dat zij als groep vervolgd worden dan wel dat zij als groep systematisch worden blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn standpunt dat verweerder in zijn aanvullende motivering niet of niet voldoende is ingegaan op de situatie van de Fur in Darfur.

3.5.

Verweerder heeft in zijn aanvullende motivering verder uiteengezet waarom het ambtsbericht, de uitspraak van het Upper Tribunal en de pagina’s uit het rapport van Amnesty International Nederland van maart 2019 geen aanleiding geven om aan te nemen dat niet-Arabische bevolkingsgroepen afkomstig uit Darfur enkel vanwege hun terugkeer naar Soedan te vrezen hebben voor vervolging of onmenselijke behandeling. Daarbij heeft verweerder gewezen op de door de staatssecretaris beantwoordde Kamervragen3, op de inhoud van het ambtsbericht en op de voorzichtig positieve ontwikkelingen in Soedan4. Bij dit laatste punt heeft verweerder meegewogen dat de veiligheidsdiensten minder hard dan voorheen optreden tegen protesten in Darfur. Volgens eiser is dit tegenstrijdig met het ambtsbericht waarin gezegd wordt dat het gewelddadig optreden van de veiligheidsdiensten in intensiteit toenam. De rechtbank volgt eiser hierin niet, nu de informatie uit het ambtsbericht gaat over de periode tussen 11 april en 12 juni 2019 en de laatste informatie van verweerder over de positieve ontwikkelingen ziet op de periode van april 2019 tot 31 januari 2020.

In het rapport van Amnesty International Nederland van maart 2019 is geconcludeerd dat personen die afkomstig zijn uit de conflictgebieden, zoals Darfur, een verhoogd risico lopen bij terugkeer het slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen. Verweerder heeft uitgebreid uiteengezet waarom hij Amnesty International niet volgt in deze conclusie. Dat verweerder dit niet doet, betekent niet dat verweerder het ambtsbericht ter discussie stelt, zoals eiser heeft gesteld. Dat ambtsbericht geeft slechts weer wat door Amnesty International geconcludeerd wordt. Dat betekent niet dat verweerder enkel op grond van dit rapport heeft moeten aannemen dat niet-Arabische bevolkingsgroepen afkomstig uit Darfur alleen al vanwege hun terugkeer naar Soedan te vrezen hebben voor vervolging of onmenselijke behandeling. Het ambtsbericht verwijst immers ook nog naar andere, openbare en anonieme, bronnen die vermelden dat een terugkeerder opvalt bij de veiligheidsdiensten als hij/zij in meerdere categorieën valt waaraan de veiligheidsdiensten meer aandacht besteden, zoals politieke activisten, mensenrechtenverdedigers, burgers die deelnemen aan demonstraties, studenten en burgers behorend tot stammen die geassocieerd worden met de conflictgebieden.

Ten aanzien van de uitspraak van het Upper Tribunal van 29 juli 2019 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat daaruit volgt dat het Upper Tribunal niet beschikte over voldoende overtuigende informatie om een oordeel te vellen over de situatie in Soedan op dat moment en daarom vooralsnog besloot het bestaande beleid te handhaven. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er nu wel voldoende betrouwbare informatie beschikbaar is om een zorgvuldige inschatting te maken van de risico’s bij terugkeer van terugkerende Soedanese asielzoekers die afkomstig zijn uit Darfur en die behoren tot een niet-Arabische bevolkingsgroep. Daarbij heeft verweerder nog verwezen naar arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)5. Het EHRM heeft in die arresten geoordeeld dat de situatie voor personen die behoren tot een niet-Arabische bevolkingsgroep zeker niet ideaal is, maar dat niet gebleken is van een situatie waarin sprake is van een schending van artikel 3 van het EVRM enkel op basis van hun etniciteit. Daarom moet worden bezien of sprake is van andere risicofactoren. Deze risicofactoren zijn in deze arresten niet aanwezig geacht, onder meer omdat de betrokken vreemdelingen, net als eiser, niet betrokken zijn geweest bij oppositionele politieke activiteiten, noch in Sudan, noch daarbuiten, aldus verweerder.

3.6.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende gemotiveerd waarom niet gezegd kan worden dat alle terugkeerders die behoren tot een niet-Arabische bevolkingsgroep afkomstig uit Darfur meteen bij terugkeer in Soedan al zodanig slecht behandeld worden door de Soedanese autoriteiten dat voor hen moet worden aangenomen dat zij als groep vervolgd worden dan wel dat zij als groep systematisch worden blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen. Met name de verwijzing naar de arresten van het EHRM acht de rechtbank daarbij van belang. Die arresten dateren van 20 november 2018, maar het EHRM heeft datzelfde oordeel nog eens bevestigd in een recent arrest van 2 juni 20206. Weliswaar gaan deze arresten over vreemdelingen die behoren tot een niet-Arabische bevolkingsgroep en afkomstig zijn uit Khartoum, maar in het laatste arrest van 2 juni 2020 heeft het EHRM ook het ambtsbericht en de daarin genoemde informatie van Amnesty International Nederland over het verhoogde risico dat personen die afkomstig zijn uit de conflictgebieden, zoals Darfur (ook wanneer zij langere tijd in Khartoum hadden gewoond), bij terugkeer lopen, meegewogen, net als de uitspraak van het Upper Tribunal en informatie uit andere recente internationale bronnen. Deze informatie heeft het ERHM voldoende bevonden om een uitspraak te kunnen doen over de vraag of de persoonlijke situatie van de vreemdeling in die zaak zodanig is dat zijn terugkeer naar Soedan een schending van artikel 3 van het EVRM oplevert. Het standpunt van eiser dat, omdat in het ambtsbericht staat dat er een gebrek aan monitoring is van de behandeling van terugkeerders naar Soedan en ook het Upper Tribunal heeft geoordeeld dat hij niet beschikte over voldoende overtuigende informatie om een oordeel te vellen, verweerder nog om een toelichting gevraagd moet worden of verzocht moet worden om een thematisch ambtsbericht, slaagt dan ook niet. Hierbij merkt de rechtbank op dat het Upper Tribunal aan haar oordeel van 29 juli 2019 ten grondslag heeft gelegd:

“The situation in Sudan remains volatile after civil protests started in late 2018 and the future is unpredictable. There is insufficient evidence currently available to show that the guidance given in AA […]and MM […] requires revision.”

Zoals hiervoor overwogen heeft verweerder ook informatie overgelegd die van juli 2019 dateert en waaruit volgt dat de situatie is gestabiliseerd. Verder volgt uit het arrest van het EHRM van 2 juni 2020 dat de situatie ook voor het EHRM inmiddels weer voldoende helder is. In dat arrest overweegt het EHRM dat uit verschillende internationale rapporten blijkt dat:

“persons of non-Arab origin may experience discrimination in Sudanese society because of their ethnicity and may, on account of their non-Arab ethnicity, be associated with Darfuri rebel groups but that the extent of negative attention from the side of the authorities will depend on individual features of the person concerned and is not systematic”.7

Volgens het EHRM moet er daarom ook gekeken worden naar andere risicofactoren. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat het EHRM deze risicofactoren in deze arresten niet aanwezig heeft geacht, onder meer omdat de betrokken vreemdelingen niet betrokken zijn geweest bij oppositionele politieke activiteiten, noch in Soedan, noch daarbuiten. Het beleid van verweerder past hierin. Verweerder heeft immers vreemdelingen die behoren tot een niet-Arabische bevolkingsgroep, afkomstig zijn uit Darfur en daar voorafgaand aan hun komst naar Nederland hun normale woonplaats hadden, aangemerkt als (vermeend) aanhanger van een (gewapende) oppositiegroep en dus als risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep. Dat betekent dat er daarnaast nog beperkte of geringe indicaties moeten zijn om te kunnen oordelen dat een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde vrees voor vervolging heeft of dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade.

3.7.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder met zijn aanvullende motivering voldoende gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de situatie in Darfur en de behandeling bij terugkeer in Soedan voor de Fur dan wel niet-Arabische bevolkingsgroepen afkomstig uit Darfur zodanig slecht is dat aan een ieder die tot deze groep behoort een asielvergunning verleend moet worden. Daarmee heeft verweerder het door de rechtbank geconstateerde motiveringsgebrek hersteld.

4. De rechtbank zal hierna ingaan op de overige beroepsgronden.

Gehoor in de moedertaal?

5. Eiser betoogt dat een gehoor in de moedertaal, zeker bij een minderjarige, altijd de voorkeur verdient. Eiser heeft hieraan echter geen conclusie verbonden. Daarnaast heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser zelf heeft aangegeven dat hij tijdens het eerste gehoor de tolk goed heeft verstaan en begrepen, heeft deze tolk ook tijdens het tweede gehoor opgetreden en blijkt ook uit de aard en omvang van de correcties en aanvullingen niet dat eiser de tolk niet goed heeft verstaan of begrepen.

Asielrelaas ongeloofwaardig?

6. Voor een weergave van het asielrelaas verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak van 1 april 2020.

6.1.

Verweerder heeft aan zijn standpunt dat hij de gestelde problemen met de Janjaweed ongeloofwaardig acht, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Verweerder volgt eiser niet in de gestelde wijze waarop de Janjaweed de moeder van eiser gedood hebben, waarna eiser zou zijn ontkomen. Verweerder volgt eiser ook niet in de gestelde nasleep van de gestelde moord op zijn moeder. Niet valt in te zien dat de vader van eiser niet meteen met zijn kinderen is meegegaan naar [plaats 1] om zijn vrouw te begraven, maar is achtergebleven in [plaats 2] . Eiser heeft hiervoor geen goede verklaring gegeven. Bovendien is de oproep om zich bij de Janjaweed aan te sluiten ongerijmd met de verklaring dat de Janjaweed eiser zouden willen doden. Daarnaast verklaart eiser volgens verweerder ongerijmd over het gevaar van de Janjaweed. Als zij daadwerkelijk op zoek waren naar eiser, dan heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat zijn vader tot dusver zonder concrete problemen in Soedan heeft kunnen verblijven.

6.2.

Eiser is het hier niet mee eens. Op wat eiser daartoe aanvoert, gaat de rechtbank hierna in.

6.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet ten onrechte de gestelde problemen met de Janjaweed ongeloofwaardig geacht. Verweerder heeft daaraan niet ten onrechte ten grondslag gelegd dat eiser enerzijds heeft verklaard dat de Janjaweed hém wilden vermoorden, terwijl hij anderzijds heeft verklaard dat ze hem, na het doodschieten van zijn moeder, in het hoge riet of gras lieten staan. Dat ze zo geschrokken waren dat ze zijn moeder hadden doodgeschoten en daarom vertrokken, heeft verweerder ongerijmd kunnen achten gelet op de verklaring van eiser dat hij later door de Janjaweed werd gezocht en dat er vele mensen zijn vermoord toen de Janjaweed hem niet konden vinden.

6.4.

Verweerder heeft verder niet ten onrechte aan zijn standpunt ten grondslag gelegd dat niet valt in te zien dat de vader van eiser niet gelijk samen met zijn kinderen en de rest van de familie is meegegaan naar [plaats 1] om daar zijn vrouw te begraven, maar alleen in [plaats 2] is achtergebleven. Verweerder heeft de verklaring die eiser hiervoor gegeven heeft, namelijk dat zijn vader wilde weten wat er allemaal gebeurd was en dat zijn vader anders het risico nam dat andere mensen in [plaats 2] gedood zouden worden, niet ten onrechte onvoldoende geacht. Eisers vader had immers ook van zijn twee zoons te horen kunnen krijgen wat er allemaal gebeurd was. Verweerder heeft de verklaring dat de vader niet het risico wilde nemen dat anderen vermoord zouden worden niet ten onrechte ongerijmd geacht. De volgende dag is hij immers wel naar [plaats 1] gereisd, waarna alsnog een groot aantal mensen vermoord zou zijn.

6.5.

Daarnaast heeft verweerder niet ten onrechte aan zijn standpunt ten grondslag gelegd dat de gestelde verklaring van de vader dat de Janjaweed naar hem toe waren gekomen en gezegd hebben dat ze wilden dat eiser zich bij hen aansloot en dat eiser anders vermoord zou worden, niet rijmt met de eerdere verklaring dat de Janjaweed eiser wilden doden, omdat zij eiser zagen als degene die hun kameel had gedood. De enkele stelling van eiser dat hij slechts heeft verklaard over de redenen waarom hij denkt dat zijn vader niet direct meegekomen is en niet alles volgens de logica verklaard kan worden, is onvoldoende om aan het voorgaande af te doen.

6.6.

Verweerder heeft eveneens niet ten onrechte aan zijn standpunt ten grondslag gelegd dat eiser ongerijmd heeft verklaard over het gevaar van de Janjaweed. Als zij namelijk daadwerkelijk op zoek naar eiser waren, verklaart dit niet waarom de vader van eiser tot dusver zonder concrete problemen in Soedan heeft kunnen verblijven. Eiser heeft immers verklaard dat de Janjaweed tegen zijn vader gezegd hebben dat ze die avond terug zouden komen voor eiser, dat zijn vader daarna vertrokken is en de Janjaweed, toen zij die avond niemand aantroffen, hun kornogh in brand hebben gestoken en mensen hebben gedood. Dat zou betekenen dat zijn vader juist een groot risico zou lopen. Verweerder heeft zich niet onrechte op het standpunt gesteld dat, nu eiser zijn vader enkele malen na zijn vertrek heeft gesproken, zonder dat hij heeft gerept over concrete problemen, dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de gestelde problemen met de Janjaweed. In beroep heeft eiser dit onderdeel van het standpunt van verweerder niet betwist.

6.7.

Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de enkele omstandigheid dat een asielrelaas past in wat over de algemene situatie in een (gebied van een) land bekend is, niet maakt dat daarom het asielrelaas geloofwaardig geacht moet worden.

6.8.

De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat verweerder eiser aanvullend had moeten horen en, door dit niet te doen, verweerder heeft gehandeld in strijd met zijn onderzoeksplicht. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser, gelet op de inhoud van de gehoren en de ingediende correcties en aanvullingen, voldoende de gelegenheid is geboden zijn asielrelaas naar voren te brengen. Het is bovendien vaste rechtspraak van de Afdeling dat het aan een vreemdeling is om zijn vluchtmotieven duidelijk naar voren te brengen en niet aan de staatssecretaris om deze met vragen - nader - aan het licht te brengen.8

6.9.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Beperkte of geringe indicaties/persoonlijke situatie

7. Niet in geschil is dat eiser op grond van het landgebonden asielbeleid van verweerder behoort tot een risico- en kwetsbare minderheidsgroep. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet met beperkte of geringe indicaties aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde vrees voor vervolging heeft of dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft zich immers niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het asielrelaas ongeloofwaardig is. Eiser heeft ook voor het overige geen individualiseerbare omstandigheden aangevoerd noch dat de mensenrechten van personen in zijn naaste omgeving die behoren tot de Fur of een niet-Arabische bevolkingsgroep afkomstig uit Darfur zijn geschonden. De verwijzing naar het rapport van Amnesty International Nederland is niet een zodanige individualiseerbare verklaring. Uit het voorgaande volgt ook dat eiser niet op grond van zijn persoonlijke situatie aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade.

Herhaling van wat eerder is aangevoerd

8. Voor zover eiser verzoekt om wat eerder in de procedure is aangevoerd en overgelegd als herhaald en ingelast te beschouwen in de gronden van beroep, overweegt de rechtbank als volgt. Omdat verweerder hier in het bestreden besluit op in is gegaan en eiser in beroep niet toelicht waarom de reactie van verweerder tekortschiet, kan de enkele verwijzing niet leiden tot het daarmee door hen beoogde resultaat.

Conclusie

9. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Nu verweerder met zijn aanvullende motivering het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat verweerder terecht de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft afgewezen als ongegrond.

9.1.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.312,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 525,- met een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.312,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5704 en 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4694.

2 Van 15 oktober 2019 en 12 maart 2020.

3 Aanhangsel Handelingen II 2017/18, nrs. 1054 en 1055 en Aanhangsel Handelingen II 2018/19, nrs. 1055, 1552 en 1974.

4 Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op de genoemde rapporten van de Speciale VN rapporteur en op het rapport van USDS, ‘Country Report on Human Rights Practices 2019-Sudan’, van 11 maart 2020.

5 De arresten van het EHRM van 20 november 2018, nr. 20102/13 inzake A.S. tegen Nederland, nr. 12708/16 inzake W.M. tegen Nederland en nr. 36196/16 inzake A.I. tegen Nederland.

6 nr. 49773/15 inzake S.A. tegen Nederland.

7 Rechtsoverweging 69.

8 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1040.