Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:6217

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
09-07-2020
Zaaknummer
NL20.11073
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De vreemdeling is overgeplaatst naar de locatie Zoutkamp vanuit AZC Sneek, omdat hij zelf positief heeft getest op COVID-19 of in aanraking is gekomen met iemand die positief heeft getest en daarom in quarantaine wordt geplaatst. De vreemdeling heeft beroep ingesteld bij de bewaringsrechter, omdat hij stelt dat hem tijdens zijn verblijf op Zoutkamp feitelijk de vrijheid is benomen. De rechtbank verklaart zich onbevoegd van het beroep kennis te nemen. De rechtbank is van oordeel dat de plaatsing in de opvanglocatie in Zoutkamp een rechtstreeks gevolg is van het besluit van 13 mei 2020 van de voorzitter van de Veiligheidsregio Fryslân. In dat besluit heeft de voorzitter van de Veiligheidsregio Fryslân besloten om de bewoners van ‘asielzoekerscentrum Sneek’ die met COVID-19 zijn besmet, of in aanraking zijn geweest met personen die met COVID-19 zijn besmet en hierdoor in quarantaine worden geplaatst, te bevelen mee te werken aan de verplaatsing naar en opname in de opvanglocatie in Zoutkamp. Tegen dat besluit staat bezwaar open, dus de rechtbank stuurt het beroep door als bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2020/177
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.11073


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

V-nummer: […]

(gemachtigde: mr. M. Stoetzer-van Esch),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (de staatssecretaris),

(gemachtigde: mr. A. Straatman).

Procesverloop

Eiser heeft op 20 mei 2020 beroep ingesteld tegen een maatregel op grond van artikel 56 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2020 via een skype-verbinding. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen J. Matti. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Jemenitische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] . Eiser is op 14 mei 2020 overgeplaatst van het AZC in Sneek naar de opvanglocatie Zoutkamp, nadat hij positief getest was op COVID-19. Eiser is op 27 mei 2020 teruggeplaatst naar asielzoekerscentrum Sneek.

2. Eiser voert aan dat hij in de opvanglocatie in Zoutkamp feitelijk van zijn vrijheid is beroofd, terwijl hij geen daartoe strekkende maatregel uitgereikt heeft gekregen. Het is niet toegestaan om de opvanglocatie te verlaten, hij moet de hele dag op zijn kamer blijven en er is geen toegang tot een gemeenschappelijke ruimte. ‘Luchten’ is toegestaan, maar slechts drie keer per dag voor tien minuten per keer. Eiser stelt dat deze handeling is gericht op asielzoekers, omdat niet is gebleken dat ook Nederlanders tegen hun wil worden vastgehouden op Zoutkamp. Hij zit dus feitelijk in vreemdelingenbewaring. Eiser stelt dat het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) deze handeling heeft verricht, een bestuursorgaan dat onder de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris valt. Eiser heeft geen bezwaar tegen de overplaatsing naar een andere locatie, alleen tegen het feit dat hij van zijn vrijheid is beroofd. Die vrijheidsbeneming is geen rechtstreeks gevolg van het besluit van 13 mei 2020 van de voorzitter van Veiligheidsregio Fryslân en is daarmee ook niet beoogd, aldus eiser. Eiser stelt tot slot dat in bewaringsprocedures binnen éénentwintig dagen na het indienen van beroep uitspraak moet worden gedaan en dat niet is gebleken dat dit niet langer opgaat als de bewaringsmaatregel binnen die éénentwintig dagen wordt opgeheven.

3. De rechtbank heeft zich allereerst afgevraagd waartegen het beroep is gericht, nu zich in het dossier geen vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel in de zin van de artikelen 56, 59, 59a of 59b van de Vw bevindt. De rechtbank heeft partijen in dit verband bij bericht van 26 mei 2020 te kennen gegeven op voorhand geen aanleiding te zien het beroep aan te merken als een (eerste) beroep tegen een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in de artikelen 59, 59a en 59b van de Vw. Verder is bericht dat het beroep mogelijk wel wordt aangemerkt als een beroep tegen een besluit van het COA als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva), om eiser over te plaatsen naar een andere opvanglocatie. Tegen zo'n besluit zou op grond van artikel 5 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers rechtstreeks beroep op de rechter openstaan. De rechtbank heeft daarom aan de staatssecretaris gevraagd wat de juridische grondslag (bevoegdheid) is waarop de aangevallen handelswijze is gebaseerd, of het eiser vrij staat de opvanglocatie in Zoutkamp te verlaten en onder welke omstandigheden eiser verblijft op de opvanglocatie.

4. De staatssecretaris heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat hij in deze kwestie niet het bevoegde bestuursorgaan is. De staatssecretaris ziet zich daarom ook niet de aangewezen partij om de vragen van de rechtbank te beantwoorden. De staatssecretaris stelt dat de plaatsing en het verblijf van eiser in Zoutkamp berust op het besluit van 13 mei 2020 van de Veiligheidsregio Fryslân. Dat besluit heeft de staatssecretaris meegezonden en bevindt zich ook in het dossier. In dat besluit heeft de voorzitter van de Veiligheidsregio Fryslân besloten om de bewoners van ‘asielzoekerscentrum Sneek’ die met COVID-19 zijn besmet, of in aanraking zijn geweest met personen die met COVID-19 zijn besmet en hierdoor in quarantaine worden geplaatst, te bevelen mee te werken aan de verplaatsing naar en opname in de opvanglocatie in Zoutkamp.

5. De rechtbank ziet zich, gelet op deze informatie, voor de vraag gesteld of zij bevoegd is om kennis te nemen van het beroep van eiser.

5.1.

Naar aanleiding van de toelichting van eisers gemachtigde tijdens de zitting begrijpt de rechtbank dat eiser primair stelt dat de staatssecretaris als verweerder moet worden aangemerkt, omdat het hier feitelijk gaat om een vreemdelingenrechtelijke maatregel van bewaring, die onder de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris valt. Om deze reden kan rechtstreeks beroep worden ingesteld. Eiser stelt verder dat het hem in deze procedure gaat om de manier waarop het besluit van de voorzitter van de Veiligheidsregio is uitgevoerd en niet om de overplaatsing op zich. Ook stelt eiser dat – hoewel de feitelijke situatie nu is geëindigd – eisers belang bij deze procedure is gelegen in het krijgen van immateriële schadevergoeding.

Subsidiair stelt eiser dat het COA de vrijheidsbeperkende of -ontnemende handeling heeft verricht, wat een feitelijke handeling is als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw (althans, zo begrijpt de rechtbank dat). In dat geval verzoekt eiser dit beroep door te zenden aan het COA als bezwaarschrift.

5.2.

Zoals hiervoor al gesteld stelt de staatssecretaris zich op het standpunt dat hij niet bij deze procedure is betrokken. De staatssecretaris heeft geen besluiten genomen of feitelijke handelingen verricht rondom de plaatsing of het verblijf van eiser in Zoutkamp. Voor zover eiser stelt dat het COA het bevoegde bestuursorgaan is, stelt de staatssecretaris dat het COA niet is aangemerkt als verwerende partij in deze procedure en dat de staatssecretaris niet bevoegd is namens het COA verweer te voeren.

5.3.

De rechtbank verklaart zich onbevoegd van het beroep kennis te nemen en overweegt daartoe het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een vrijheidsbeperkende of
-ontnemende maatregel als bedoeld in de artikelen 56, 59, 59a en 59b van de Vw. Eiser is immers niet in zijn vrijheid beperkt met het oog op de openbare orde of nationale veiligheid of met het oog op zijn terugkeer naar het land van herkomst, een overdracht aan een andere lidstaat of met het oog op de voortgang van zijn asielprocedure in de opvanglocatie Zoutkamp geplaatst.

De rechtbank is van oordeel dat de plaatsing in de opvanglocatie in Zoutkamp een rechtstreeks gevolg is van het besluit van 13 mei 2020 van de voorzitter van de Veiligheidsregio Fryslân. Tegen dit besluit van 13 mei 2020 van de voorzitter van de Veiligheidsregio Fryslân staat het rechtsmiddel van bezwaar open.

Dat eiser daarmee is onderworpen aan de regels die gelden op die specifieke opvanglocatie (al dan niet uitgevoerd door het COA), vloeit eveneens voort uit dat besluit. De brief van het COA waarin de overplaatsing aan eiser is meegedeeld, is hooguit gericht op het rechtsgevolg dat wordt bepaald dat eiser tot de doelgroep behoort waar het besluit van 13 mei 2020 op ziet, maar eiser betwist dat op zichzelf niet en daar is het beroep ook niet tegen gericht.

Dit brengt met zich dat de rechtbank ook van oordeel is dat geen sprake is van een feitelijke handeling, zoals bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw of artikel 5, tweede lid, van de Wet COa. Ook betekent dit dat de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 11, eerste lid van de Rva.

6. De rechtbank is daarom onbevoegd van het beroep kennis te nemen. De rechtbank zal op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht het beroepschrift van eiser doorsturen aan de voorzitter van de Veiligheidsregio Fryslân ter behandeling als een bezwaarschrift.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart zich onbevoegd;

- verwijst het beroepschrift naar de Veiligheidsregio Fryslân om verder als bezwaarschrift te behandelen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.I. van Meel, rechter, in aanwezigheid van S. Brussaard, griffier.

De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:

Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.