Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:6213

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-06-2020
Datum publicatie
09-07-2020
Zaaknummer
C/09594320
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toestemming wijziging verblijf

Vaststellen contactregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaaksgegevens: C/09/594320 / JE RK 20-1333

Datum uitspraak: 17 juni 2020

Beschikking van de kinderrechter

Toestemming wijziging verblijf (ex art. 1:265i BW)

Vaststellen contactregeling (ex art. 1:377a BW)

in de zaak naar aanleiding van het op 11 juni 2020 ingekomen verzoekschrift van:

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,

hierna te noemen: de GI,

betreffende:

[minderjarige]

geboren op [geboortedag] 2013 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de vrouw] ,

hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats 1]

advocaat: mr. R.F.P. Scheele, kantoorhoudende te Rotterdam,

[pleegouders] ,

hierna te noemen: de pleegouders, wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. M.B. Brouwer, kantoorhoudende te Den Haag.

Het procesverloop

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift met bijlagen;

- de brief van 16 juni 2020 met bijlagen van de GI.

Mr. Brouwer heeft ter zitting aangegeven dat hij de dag voor de zitting, 16 juni 2020, voor de zitting per e-mail een verslag van de pleegzorg heeft gestuurd. Van deze e-mail heeft de kinderrechter geen kennisgenomen.

Op 17 juni 2020 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. Scheele, voornoemd;

- de pleegmoeder, bijgestaan door haar advocaat mr. Brouwer, voornoemd;

- een [vertegenwoordiger van de GI] .

De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan de [heer A.] , medewerker van Jeugdformaat.

De pleegvader is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet verschenen.

Feiten

De moeder is belast met het ouderlijk gezag. [minderjarige] verblijft bij de pleegouders.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 31 januari 2020 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd van 3 februari 2020 tot 3 februari 2021. Daarnaast is bij die beschikking van 31 januari 2020 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 3 augustus 2020.

Verzoek

De GI heeft verzocht toestemming te verlenen voor wijziging in het verblijf van [minderjarige] . Indien de kinderrechter hier niet direct op kan beslissen is verzocht bij wijze van voorlopige voorziening een opbouwregeling vast te stellen met betrekking tot het verblijf van [minderjarige] bij de moeder.

De GI heeft het verzoek ter zitting als volgt toegelicht. Naar aanleiding van de adviezen van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: Raad) van 30 januari 2019 en het Haags ambulatorium van 16 december 2019 is een herenigingsonderzoek gestart, welk traject is ingezet onder leiding van ‘Voorkoming Uithuisplaatsing’ (hierna: VUHP). Dit traject is vertraagd door de Coronacrisis, die er onder meer toe heeft geleid dat de bezoekregeling van de moeder en [minderjarige] enige tijd is onderbroken en pas op 16 april 2020 weer is hervat. Op 19 mei is de intake van VUHP geweest, De pleegouders wilden daarbij niet aanwezig zijn. Pleegouders hebben ook niet gereageerd op het plan om de terugplaatsing bij de moeder te onderzoeken dat daarbij is opgesteld, welk plan een opbouwschema voor de uitbreiding van de omgang met moeder bevat. Ook bij het daarop volgende overleg op 16 juni 2020, dat bedoeld was om tot een frequentie en een vorm van omgang te komen zijn de pleegouders niet aanwezig geweest. Daarbij komt dat pleegouders het terugkeertraject belemmeren, onder meer door [minderjarige] een puppy te beloven en door telefonisch contact te zoeken met de biologische vader van [minderjarige] en informatie over de biologische vader met [minderjarige] te delen. [minderjarige] , bij wie eerder al hechtingsproblematiek is vastgesteld, verkeert in een loyaliteitsconflict. Door de hoogoplopende emoties tussen de moeder en de pleegouders, die al jarenlang in een forse strijd gewikkeld zijn, is haar sociaal emotionele veiligheid in gevaar. De veiligheid bij de moeder is voldoende en het is in het belang van [minderjarige] dat het ingezette traject slaagt. De kans daarop is groot. [minderjarige] verblijft al sinds 4 juni 2020 bij de moeder, omdat het niet mogelijk is om in overleg met de pleegouders tot een opbouwschema te komen. De verwachting is dat het ingezette traject zal slagen. Mocht dit onverhoopt niet zo zijn zal gekeken worden wat in het belang is van [minderjarige] en zal mogelijk een nieuwe uithuisplaatsing worden overwogen. De GI zou graag zien dat de pleegouders dit traject omarmen en dat pleegouders daarnaast een rol in het leven van [minderjarige] blijven spelen.

Standpunten

Door en namens de moeder is ingestemd met het verzoek van de GI. De moeder staat open voor een samenwerking met de pleegouders en contact tussen [minderjarige] en de pleegouders. De moeder heeft zelf voorstellen gedaan voor een opbouwschema waarin ook ruimte is voor [minderjarige] om bij de pleegouders te zijn. Het is belangrijk duidelijkheid te bieden aan alle partijen welke weg wordt ingeslagen en hiervoor is een uitspraak van de kinderrechter nodig. De pleegouders geven aan mee te willen werken, maar doen dit vervolgens niet. Het gaat goed met [minderjarige] bij de moeder, de school is tevreden en de moeder werkt goed samen met de hulpverlening. Als [minderjarige] bij de moeder woont is de hoop dat er een goede samenwerking kan komen met de pleegouders en dat de pleegouders een rol kunnen blijven vervullen in haar leven.

Door en namens de pleegmoeder is verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. Tevens is ter zitting verzocht een bijzondere curator te benoemen en een weekendregeling vast te stellen, alsmede te bepalen dat tussen [minderjarige] en de pleegouders op woensdag een belmoment is en dat er minimaal drie keer per week foto’s of filmpjes worden gestuurd door de moeder naar de pleegouders. Hiertoe is – volgens de ter zitting overlegde pleitaantekeningen – het volgende naar voren gebracht.

VUHP is pas recent gestart en dit onderzoek is nog niet afgerond. NIKA is nog niet gestart. Het is op dit moment te vroeg om al een wijziging van verblijfplaats door te voeren. Dit verzoek dient te worden aangehouden tot er een gedegen onderzoek is gedaan naar een thuisplaatsing van [minderjarige] . De pleegouder willen dat het goed gaat met [minderjarige] en hebben zorgen over de moeder, welke zorgen zij duidelijk kenbaar hebben gemaakt. [minderjarige] wordt al vijfeneenhalf jaar opgevoed en verzorgd door de pleegouders. Sinds [minderjarige] bij de moeder verblijft, is er geen enkel contact tussen haar en de pleegouders geweest. Dat is een inbreuk op hun ‘family-life’ en maakt dat het nodig is om een contactregeling vast te leggen. Een bijzondere curator is nodig omdat de hulpverleningsinstanties de belangen van [minderjarige] uit het oog zijn verloren.

De [heer A.] heeft – volgens de ter zitting overlegde aantekeningen – het volgende naar voren gebracht.

Het is niet gelukt overeenstemming te krijgen met de pleegouders over een opbouwschema. Hierdoor blijft er onduidelijkheid over wanneer [minderjarige] bij wie is. Daarnaast lijkt er geen emotionele toestemming te zijn van de pleegouders om het fijn te hebben bij de moeder. [minderjarige] lijkt te moeten kiezen. De moeder wil [minderjarige] duidelijkheid geven, maar raakt gefrustreerd omdat dit niet kan. Om terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder de beste kans van slagen te geven is het nodig dat de moeder, met haar steunende netwerk, volledig als opvoeder de zorg voor [minderjarige] op zich neemt. De kans van slagen wordt door VUHP op basis van de ervaringen tot nu toe hoog ingeschat. Daarnaast dient dan met een opbouw gewerkt te worden aan het vertrouwen tussen de pleegouders en de moeder en het contact tussen de pleegouders en [minderjarige] . Gelet op de hechte band met [minderjarige] wil VUHP daarmee direct na de uitspraak van de kinderrechter beginnen.

Beoordeling

Op grond van artikel 1:265i BW behoeft de gecertificeerde instelling de toestemming van de kinderrechter voor wijziging in het verblijf van een minderjarige die ten minste een jaar door een ander als de ouder is opgevoed en verzorgd als behorende tot zijn gezin. De toestemming wordt door de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling verleend en slechts afgewezen indien de kinderrechter dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk oordeelt.

De kinderrechter stelt allereerst vast dat [minderjarige] gedurende ten minste een jaar door de pleegouders is opgevoed en verzorgd.

De kinderrechter is van oordeel dat de wijziging van het verblijf van [minderjarige] moet worden toegewezen. Daarbij overweegt de kinderrechter het volgende.

Het is in het belang van [minderjarige] dat er zo spoedig mogelijk duidelijkheid komt over haar toekomstperspectief en dat zij zo min mogelijk geconfronteerd wordt met de strijd tussen de moeder en de pleegouders, die het niet voor elkaar krijgen om onderling afspraken te maken in het kader van het onderzoek naar haar thuisplaatsing. Het Haags Ambulatorium en de Raad zijn tot de conclusie gekomen dat er voldoende gronden zijn om een thuisplaatsing nader te onderzoeken. VUHP is hiervoor ingezet en de deskundigen van VUHP zijn van mening dat een thuisplaatsing grote kans van slagen heeft, maar dat het feit dat het niet lukt de pleegouders achter dit traject te krijgen, een grote risicofactor vormt.

Om [minderjarige] en de moeder de grootste kans te geven op een succesvolle thuisplaatsing , is rust van groot belang. Er is voldoende geprobeerd om de pleegouders te betrekken bij het traject en in onderling overleg toe te werken naar een geleidelijke opbouw van de omgangmaar dit is helaas niet gelukt. Daarom geeft de kinderrechter toestemming voor de wijziging van het verblijf van [minderjarige] naar de moeder.

Evenwel acht de kinderrechter het van groot belang dat er contact is tussen [minderjarige] en de pleegouders. De pleegouders hebben [minderjarige] het grootste deel van haar leven opgevoed en verzorgd. [minderjarige] heeft een hechtingsrelatie met de pleegouders. De kinderrechter bepaalt daarom dat er omgang moet zijn tussen [minderjarige] en de pleegouders, waarbij de invulling en de opbouw van deze omgang dient te worden bepaald door de GI. Voorwaarde daarbij is dat er met onmiddellijke ingang tenminste één keer per week al dan niet begeleid telefonisch (of via beeld-bellen) contact is tussen de pleegouders en [minderjarige] en dat moet worden gestreefd naar een weekendregeling waarbij [minderjarige] één keer per twee weken een weekend bij de pleegouders verblijft, zoals eerder voorgesteld door de moeder.

Het verzoek om een bijzondere curator zal worden afgewezen. Op dit moment zijn genoeg onafhankelijke deskundigen betrokken om het belang van [minderjarige] te waarborgen. De kinderrechter heeft geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat het belang van [minderjarige] bij de deskundigen niet voorop zou staan.

De kinderrechter doet nogmaals een dringend beroep op de moeder en de pleegouders om zich er in het belang van [minderjarige] tot het uiterste voor in te spannen om hun onderlinge strijd te staken, mee te werken met de ingezette hulpverlening en [minderjarige] niet te belasten met hun onderlinge problematiek, zodat zij zich zo goed mogelijk kan ontwikkelen.

Beslissing

De kinderrechter:

verleent de gecertificeerde instelling toestemming voor wijziging in het verblijf van [minderjarige] naar de moeder;

bepaalt dat er contactregeling dient te zijn tussen [minderjarige] en de pleegouders, waarvan de nadere invulling en opbouw door de GI kan worden bepaald, met dien verstande dat als basis geldt dat er met onmiddellijke ingang tenminste een maal per week telefonisch contact is tussen [minderjarige] en de pleegouders (al dan niet begeleid) en dat gestreefd wordt naar een uiteindelijke contactregeling van een weekend per twee weken;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2020 door mr. M.F. Baaij, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.E. van Damme als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 23 juni 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.