Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:6203

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-06-2020
Datum publicatie
09-07-2020
Zaaknummer
SGR 19/4686
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

IOAW; maatregel; beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/4686

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Catakli).

Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) een maatregel opgelegd van 30% van de voor hem geldende bijstandsnorm (inclusief vakantiegeld) over de maand april 2018.

Bij besluit van 17 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft (telefonisch) plaatsgevonden op 9 juni 2020. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser ontvangt sinds 1 juli 2014 een uitkering op grond van de IOAW.

1.2.

Bij brief van 6 september 2018 is eiser uitgenodigd voor een intakegesprek op 13 september 2018 bij kringloopwinkel Rataplan te Den Haag, Ypenburg. Eiser heeft zich wegens rug en knieklachten afgemeld voor deze afspraak. Bij brief van 19 september 2018 is eiser opnieuw uitgenodigd voor een op 25 september 2018. Ook op deze afspraak is eiser, met voorafgaande berichtgeving, niet verschenen.

1.3.

Bij brief van 5 oktober 2018 is eiser uitgenodigd voor een voortgangsgesprek bij het Werkgeversservicepunt van verweerder op 18 oktober 2018. Het Werkgeversservicepunt heeft op 8 oktober 2018 de GGD verzocht eiser te keuren op arbeidsgeschiktheid. Dit betrof een herbeoordeling. De heer J. Weststrate, adviserend geneeskundige bij de GGD, heeft naar aanleiding van die aanvraag eiser op 22 oktober 2018 onderzocht en op diezelfde datum een Sociaal Medisch Advies (SMA) uitgebracht. In het SMA staat vermeld dat eiser arbeidsgeschikt is, wel zijn een aantal beperkingen aangenomen. Het gaat om beperkingen die onder meer verband houden met de rug, knieën, linkervoet en rechter schouder van eiser.

1.4.

Op 14 februari 2019 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen eiser en de afdeling Zorg, Welzijn & Facilitair van verweerder. Het gespreksverslag is opgenomen in de rapportage ‘Deelnamevoortgang Project Rataplan aanmeldfase 2018’. Deze rapportage hoort bij het rapport ‘WSP Uitstroom Eind’ (de twee rapportages worden hierna tezamen genoemd: het rapport). In het rapport staat vermeld dat de bedoeling van het gesprek was om samen met eiser een passend traject te zoeken. Ook staat daarin vermeld dat eiser heeft gezegd dat hij al zestig jaar oud is en niet van plan is te gaan werken of mee te doen aan een traject van de gemeente.

1.5.

De uitlatingen van eiser tijdens het gesprek van 14 februari 2019 zijn aanleiding geweest om eiser aan te melden bij het Centraal Maatregelteam en op 12 maart 2019 heeft dit team een gesprek met eiser gevoerd. Het gespreksverslag is opgenomen de rapportage ‘Beoordelen maatregel van 13 maart 2019’ (hierna genoemd: de rapportage). In de rapportage staat onder meer vermeld dat eiser zegt geen vrijwilligerswerk te kunnen verrichten wegens rugklachten. Hij kan daarom niet werken bij de kringloop die door verweerder is voorgesteld. Eiser wijst ook op zijn leeftijd en merkt op dat andere mensen van die leeftijd met rust worden gelaten terwijl hij wordt opgeroepen voor werk. De inhoud van de rapportage is voor verweerder aanleiding geweest het primaire besluit te nemen en aan eiser een maatregel op te leggen.

2. Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat eiser weigert deel te nemen aan trajecten die leiden tot arbeidsinschakeling. Eiser heeft tijdens een gesprek op 14 februari 2019 gezegd dat hij niet wil deelnemen aan trajecten. Eiser voert daartoe aan dat hij op leeftijd is en medische klachten heeft. Eiser wenst het liefst met rust gelaten te worden. Echter, sinds 2016 hebben bij eiser drie arbeidsgeschiktheidskeuringen plaatsgevonden bij de GGD en uit al die keuringen volgt dat eiser arbeidsgeschikt wordt bevonden, zij het met in aanmerking te nemen beperkingen. Eiser kan derhalve in staat worden geacht mee te werken aan de arbeidsverplichting als bedoeld in artikel 37, onder e, van de IOAW. Door niet mee te werken is eiser deze verplichting niet nagekomen. De door eiser aangevoerde argumenten heffen de verwijtbaarheid van de weigering niet op. Verweerder kan derhalve ingevolge artikel 3.1., tweede lid, onder e, van de Verordening maatregelen, fraude en verrekenen bestuurlijke boete inkomensvoorzieningen 2016 een maatregel opleggen van 100% van de uitkeringsnorm gedurende één maand. Omdat het de eerste officiële maatregelwaardige gedraging van eiser is, heeft verweerder de maatregel verlaagd tot 30%. Van een bijzondere omstandigheid of dringende reden om van het opleggen van de maatregel af te zien is niet gebleken.

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Tijdens de zitting heeft eiser zijn standpunt nader toegelicht. Eiser betwist dat hij had moeten begrijpen dat verweerder probeerde om samen met hem zijn mogelijkheden te onderzoeken. Eiser heeft de brieven en gesprekken zo opgevat dat van hem verwacht werd dat hij bij de kringloop zou gaan werken en dat kan hij niet. Hij vindt dan ook dat hij niet geweigerd heeft om mee te werken aan een onderzoek naar de arbeidsinschakeling. Verder is eiser van mening dat hij in het verleden meer dan voldoende medewerking heeft verleend aan de door verweerder aangeboden trajecten. Hij heeft al eerder bij een kringloopwinkel gewerkt en heeft nooit geweigerd om te werken. Bij zijn eerdere werk bij een kringloopwinkel heeft hij rugletsel opgelopen. Daarom wil eiser nu niet meer bij een kringloopwinkel werken.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Eiser heeft niet bestreden dat hij tijdens het gesprek op 14 februari 2019 heeft gezegd dat hij al zestig jaar oud is en niet van plan is om te gaan werken of mee te doen aan een traject van de gemeente. Uit de rapportage volgt dat eiser dit standpunt tijdens het gesprek van 12 maart 2019 heeft herhaald. Ook ter zitting heeft eiser nogmaals benadrukt dat hij niet bij de kringloopwinkel wil werken.

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) het niet aan de belanghebbende maar aan het college is om te bepalen welke re-integratievoorziening voor de belanghebbende is aangewezen om het uiteindelijk beoogde doel (arbeidsinschakeling) te bereiken. Wel is vereist dat het college maatwerk levert en de voorziening het resultaat is van een zorgvuldige, op de persoon toegesneden, afweging. Het college dient voorts aan de betrokkene kenbaar te maken waaruit die voorziening bestaat, waarom deze voorziening, gelet op de individuele feiten en omstandigheden is aangewezen en welk tijdpad wordt gevolgd. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:343.

4.3.

Eiser voert aan dat het hem niet duidelijk was dat de gesprekken met verweerder bedoeld waren om gezamenlijk naar zijn mogelijkheden te kijken. De rechtbank overweegt dat verweerder eiser per brief van 6 september 2018 heeft uitgenodigd voor een intakegesprek op 13 september 2018 bij de kringloopwinkel Rataplan. In de uitnodigingsbrief staat vermeld dat het bespreken van de mogelijkheden omtrent het werktraject van eiser de reden is voor het gesprek. Eiser heeft zich wegens rug en knieklachten afgemeld voor deze afspraak. Uit de brief van 6 september 2018 had eiser naar het oordeel van de rechtbank al kunnen opmaken wat de intentie was van verweerder. Verweerder zou samen met eiser gaan onderzoeken wat zijn mogelijkheden zijn en er zou samen met eiser worden gezocht naar een passende functie. Dat verweerder daarbij geen rekening zou houden met de beperkingen van eiser is niet gebleken. Sterker, verweerder heeft een herbeoordeling van eiser door de GGD laten plaatsvinden in oktober 2018. Uit de aanloop naar het gesprek van 14 februari 2019 moet voor eiser dan ook voldoende duidelijk zijn geweest dat verweerder samen met eiser wilde onderzoeken wat de mogelijkheden waren bij de Kringloopwinkel. Door vervolgens op 14 februari 2019 en ook op 12 maart 2019 te zeggen dat hij niet van plan is mee te werken aan een traject van de gemeente en dat hij niet wil werken, heeft eiser geen medewerking verleend aan een onderzoek naar zijn arbeidsmogelijkheden. Eiser schendt hiermee zijn verplichting als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder e, van de IOAW en verweerder was derhalve gehouden een maatregel op te leggen, tenzij alle verwijtbaarheid ontbreekt.

4.4.

De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat eiser van zijn gedraging geen verwijt kan worden gemaakt. Eiser heeft in ieder geval niet aannemelijk gemaakt dat iedere verwijtbaarheid in zijn geval ontbreekt. Verweerder heeft het gesprek met eiser willen aangaan om te bekijken welke werkzaamheden eiser bij de kringloop zou kunnen verrichten, waarbij rekening zal worden gehouden met zijn beperkingen. Door de weigerachtige houding van eiser is dit niet mogelijk gebleken.

5. Voor zover eiser betoogt dat hij in het verleden wel heeft meegewerkt aan door verweerder aangeboden trajecten, leidt dit niet tot een ander oordeel. De maatregel is immers opgelegd voor de gedraging van eiser in februari 2019 en maart 2019. Om deze reden wordt ook hetgeen eiser over de besluitvorming in 2016 heeft aangevoerd niet bij de beoordeling betrokken.

6. Tegen de hoogte van de opgelegde maatregel heeft eiser geen beroepsgronden gericht, zodat dit geen bespreking behoeft.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 22 juni 2020 door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Arreman-Mos, griffier.

Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.