Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:6194

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-03-2020
Datum publicatie
08-07-2020
Zaaknummer
SGR 19/3386
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bijstand. Nu eiseres niet bij verweerder heeft gemeld dat zij in de periode in geding een gezamenlijke huishouding voerde, heeft zij haar inlichtingenplicht geschonden. Op 5 juni 2020 is de uitspraak gerectificeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/3386

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),

en

het college van burgemeester en wethouders Zoetermeer, verweerder

(gemachtigde: A.P.M. van Dijk).

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiseres ingevolge de Participatiewet (Pw) met ingang van die datum beëindigd en het recht op uitkering over de periode van 12 december 2018 tot en met 19 december 2018 ingetrokken.

Bij besluit van 16 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres ontving een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van een anonieme melding dat eiseres zou samenwonen met de heer [A] (hierna: [A] ) heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van haar bijstandsuitkering. Daartoe heeft verweerder onder andere een gesprek gevoerd met eiseres en met [A] , is een huisbezoek afgelegd bij eiseres en is een buurtonderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek hebben geleid tot het primaire besluit.

2. Verweerder heeft aan het primaire besluit ten grondslag gelegd dat eiseres haar inlichtingenplicht ingevolge de Pw heeft geschonden. Volgens verweerder voerde eiseres in ieder geval sinds 1 oktober 2018 een gezamenlijke huishouding met [A] zonder dit te melden bij verweerder. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

3. Eiseres bestrijdt dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. Zij stelt dat [A] slechts op haar middelste dochtertje kwam passen omdat haar jongste dochter een zeer kwetsbare gezondheid heeft en daarom regelmatig naar het ziekenhuis moest. Eiseres betoogt verder dat zij haar inlichtingenplicht niet heeft geschonden, omdat zij de gemeente wel heeft geïnformeerd over haar situatie. Voorts vormde de medische situatie van haar jongste dochter volgens eiseres een bijzondere omstandigheid waarmee verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Pw is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder b, wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Pw doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Ingevolge artikel 54, derde lid, van de Pw trekt het college een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

4.2.

De te beoordelen periode loopt van 12 december 2018 (datum intrekking) tot en met 20 december 2018 (datum van het primaire besluit). Een besluit tot intrekking van het recht op bijstand is voor de betrokkene een belastend besluit. Dit brengt met zich dat het in de eerste plaats aan verweerder is om de nodige kennis te vergaren over de relevante feiten en dat in beginsel op verweerder de last rust om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan.

4.3.

Vast staat dat uit de relatie van eiseres en [A] twee kinderen zijn geboren die door hem zijn erkend. Gelet hierop en op het bepaalde in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Pw wordt een gezamenlijke huishouding daarom aanwezig geacht indien eiseres en [A] hun hoofdverblijf gedurende de periode in geding in dezelfde woning hadden. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het hoofdverblijf van iemand ligt daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven ligt (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2293).

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [A] in de periode in geding zijn hoofdverblijf had bij eiseres. Verweerder heeft hierbij terecht gewicht toegekend aan de verklaringen van eiseres en [A] na afloop van het huisbezoek. Eiseres heeft over [A] onder meer het volgende verklaard:

“Zijn sociale leven speelt zich af bij mij en in [plaats] . Hij voelt zich wel meer thuis bij mij dan in zijn eigen woning. Het klopt wel dat hij sinds september 2018 merendeel van de week bij mij is.

[…]

Hij is sowieso wel meer dan helft van de week bij mij vanaf september 2018”

En:

“De heer [A] is 3 a 4 dagen bij mij en blijft dan ook slapen, daarnaast komt hij ook weleens zonder te blijven slapen.”

[A] heeft op 19 december 2018 het volgende verklaard over zijn verblijf bij eiseres:

“Ik ben daar iedere dag, zeven dagen per week. Ik ben altijd laat wakker dus ben daar iedere dag ongeveer rond 14:00 uur. Ik blijf daar dan tot in de avond en dan ga ik weer naar huis. Ik blijf daar eten, ik help dan met de kinderen naar bed brengen en ga dan rond 23:00 naar mijn eigen huis. Daarnaast blijf ik dan drie dagen in de week bij mevrouw [eiseres] slapen.”

Op de vraag van verweerder hoe lang deze situatie al gaande is, heeft [A] verklaard:

“Deze situatie is zo vanaf september oktober (…).”

4.5.

In hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder deze verklaringen niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. De enkele stelling dat de verklaring van [A] niet objectief is, is daartoe onvoldoende. Uit het verslag van het huisbezoek van 12 december 2018 volgt dat in de slaapkamer van eiseres een kledingkast stond met kleding van [A] , een mandje met vet voor je haar, en een riem en eau de toilette waarvan eiseres heeft verklaard dat deze van [A] waren. Verder stond in de kast een doos met administratie met zeven brieven op naam van [A] . In de hal werden een paar slippers, een paar schoenen en kleding van [A] aangetroffen. Gelet op de verklaringen van eiseres en [A] in samenhang met de bevindingen tijdens het huisbezoek, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat het zwaartepunt van het leven van [A] tijdens de periode in geding in de woning van eiseres lag. Dat, zoals eiseres stelt, [A] daar niet aanwezig was omdat zij samen wilden zijn maar omdat hij op haar driejarige dochter paste, is hierbij niet van belang. Bij beantwoording van de vraag waar het zwaartepunt van iemands persoonlijk leven ligt en – in het verlengde daarvan – of sprake is van een gezamenlijke huishouding, komt geen gewicht toe aan de vraag waarom de betrokkene in de woning verbleef.

4.6.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat zij bij de gemeente heeft gemeld dat [A] in de periode in geding vaak bij haar verbleef. De door haar gestelde mededeling aan haar consulent bij de gemeente dat het slechter ging met haar dochter, is hiervoor onvoldoende concreet. Ter zitting heeft eiseres erkend dat zij niet expliciet bij verweerder heeft gemeld dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met [A] .

4.7.

Nu eiseres niet bij verweerder heeft gemeld dat zij in de periode in geding een gezamenlijke huishouding voerde met [A] , heeft zij haar inlichtingenplicht ingevolge artikel 17 van de Pw geschonden. De rechtbank begrijpt dat eiseres zich destijds in een lastige situatie bevond en dat zij grote zorgen had om de gezondheid van haar jongste dochter. Voor zover eiseres heeft gesteld dat het schenden van de inlichtingenplicht haar daarom niet of minder kan worden verweten, gaat de rechtbank hieraan echter voorbij. De in artikel 17, eerste lid, van de Pw neergelegde inlichtingenplicht is immers een objectief geformuleerde verplichting, waarbij verwijtbaarheid geen rol speelt.

4.8.

Aangezien eiseres in de periode in geding een gezamenlijke huishouding voerde, heeft zij in die periode ten onrechte bijstand ontvangen naar de norm voor een alleenstaande. Verweerder was daarom op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw gehouden haar uitkering met ingang van 12 december 2018 in te trekken.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. E.L. Denters, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 26 maart 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.