Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:6159

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-06-2020
Datum publicatie
08-07-2020
Zaaknummer
19/5659
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afsluitingsregeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen, gelijkheidsbeginsel

Artikel 8 EVRM

Samenvatting:

Verzoeker heeft vrijstelling gevraagd van het mvv-vereiste op grond van de Afsluitingsregeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen. Verweerder heeft zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op het standpunt mogen stellen dat verzoeker niet aan de voorwaarde voldoet dat door of voor hem vijf jaar voor het bereiken van de achttienjarige leeftijd een asielaanvraag is ingediend. Toch wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toe om de volgende redenen.

Verzoeker heeft een gemotiveerd beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel en dit onderbouwd aan de hand van verschillende gevallen waarin wel een verblijfsvergunning is verleend. Het bij herhaling verlenen van een verblijfsvergunning op grond van de Afsluitingsregeling of eerdere regelingen zonder dat is voldaan aan voorwaarde b kan duiden op een uitvoeringspraktijk. Verweerder kan dan niet volstaan met de stelling dat sprake is van ambtelijke misslagen, maar zal in de beslissing op bezwaar nader moeten motiveren waarom dat zo is en waarom de andere gevallen die verzoeker noemt niet gelijk zijn.

Verder heeft verweerder de door verzoeker aangevoerde en onderbouwde omstandigheden niet bij de toets aan artikel 8 van het EVRM betrokken. Verzoeker heeft in zijn bezwaargronden uitvoerig toegelicht en onderbouwd dat sprake is van schending van het recht op privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Verzoeker heeft gesteld dat hij door de problemen met zijn ontwikkeling, intelligentieniveau, onderwijsbehoefte en opvoedsituatie ernstig in zijn ontwikkeling wordt geschaad als hij niet in Nederland kan verblijven. Tot nu toe heeft verweerder deze omstandigheden niet bij de toets aan artikel 8 van het EVRM betrokken. Daarmee heeft verweerder niet conform zijn Werkinstructie gehandeld. Bovendien hebben verzoekers er terecht op gewezen dat Werkinstructie 2019/16 vermeldt dat horen in beginsel deel zal uitmaken van een zorgvuldige besluitvorming in zaken waarin 8 EVRM-aspecten aan de orde zijn. Het ligt daarom voor de hand dat verweerder in de bezwaarprocedure alsnog een hoorzitting houdt voordat hij op het bezwaar beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/5659

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 juni 2020 in de zaak tussen

[verzoeker] , geboren op [2013] , van onbekende nationaliteit, (verzoeker)

V-nummer: [V-nummer]

mede namens zijn moeder [verzoekster] , geboren op [1983] , van onbekende nationaliteit, V-nummer: [V-nummer] (hierna: verzoekster)

samen: verzoekers

(gemachtigde: mr. J. Werner),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. Y Rikken).

Procesverloop

Bij besluit van 23 juli 2019 (het primaire besluit I) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking niet-tijdelijke humanitaire gronden op grond van de Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen (de Afsluitingsregeling) afgewezen.

Verzoekers hebben tegen het primaire besluit I bezwaar gemaakt. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 7 augustus 2019 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan verzoekster een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. Verweerder heeft het bezwaar tegen het primaire besluit I zo opgevat dat het ook is gericht tegen het primaire besluit II. Verzoeker heeft ook apart bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit II en de voorzieningenrechter gevraagd om dat besluit bij het verzoek om een voorlopige voorziening te betrekken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2020. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verder is verschenen [A] , werkzaam bij Amerpoort en betrokken bij de ondersteuning van verzoekers. Verweerder is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Als tolk is verschenen A. Kebe.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek na de zitting van 4 februari 2020 heropend. De zaak stond op een zitting gepland op 17 maart 2020, maar deze zitting kon vanwege de maatregelen rondom het coronavirus niet doorgaan. Op 11 juni 2020 heeft de nadere zitting alsnog plaatsgevonden via Skype for Business. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens verweerder is verschenen mr. Y. Rikken. Als tolk was aanwezig M. Kandeh.

Overwegingen

1. Verzoekers hebben verzocht om vrijgesteld te worden van het betalen van het griffierecht. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek toe, gezien de door verzoekers aangevoerde omstandigheden.

Inleiding

2. Verzoekster is in 2003 naar Nederland gekomen. Zij heeft in 2003 en 2011 een asielvergunning aangevraagd. In 2013 is verzoeker geboren. Voor hem is op 29 april 2016 een asielvergunning aangevraagd. Deze aanvraag is afgewezen. Daarna hebben verzoekers de aanvraag ingediend op grond van de Afsluitingsregeling. Hierna wordt eerst omschreven waarom verweerder de aanvraag op grond van de Afsluitingsregeling heeft afgewezen. Daarna komen de gronden van verzoekers aan de orde, gevolgd door het oordeel van de voorzieningenrechter.

Aanvraag en besluitvorming

3. Op 31 januari 2019 hebben verzoekers een verblijfsvergunning aangevraagd op grond van de Afsluitingsregeling, die op 29 januari 2019 van kracht is geworden. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat door of voor de hoofdpersoon tenminste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een asielvergunning is aangevraagd bij verweerder en hij na die aanvraag uiterlijk op 29 januari 2019 ten minste vijf jaar in Nederland heeft verbleven (voorwaarde b).1 De asielaanvragen die verzoekster voor zichzelf heeft ingediend in 2003 en 2011 zijn niet voor verzoeker gedaan. Na de asielaanvraag van 29 april 2016, die wel voor verzoeker is gedaan, heeft hij niet vijf jaar in Nederland verbleven.

4. Verweerder heeft ook gekeken of verzoekers op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in Nederland zouden moeten kunnen blijven. Volgens verweerder is daar geen aanleiding toe.

5. Het inreisverbod heeft verweerder opgelegd omdat aan verzoekster eerder (op 16 oktober 2017) een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, waaraan zij geen gevolg heeft gegeven. Het inreisverbod is volgens verweerder ook niet in strijd met artikel 8 van het EVRM.

Gronden verzoek

6. Primair voeren verzoekers aan dat zij wel degelijk onder de Afsluitingsregeling vallen. Volgens verzoekers interpreteert verweerder de voorwaarden van de Afsluitingsregeling te strikt. Verzoeker is in 2013 geboren. Hij heeft altijd in Nederland gewoond en woont daar dus meer dan vijf jaar. Met de afwijzing doet verweerder geen recht aan het doel van de Afsluitingsregeling: kinderen die langdurig in Nederland verblijven niet uit hun vertrouwde omgeving halen. In de Afsluitingsregeling staat bovendien dat verweerder niet tegenwerpt dat door of namens de vreemdeling geen asielaanvraag is ingediend als een ouder van de vreemdeling een asielaanvraag heeft ingediend en de vreemdeling na de start van de asielprocedure is geboren. Verzoekster heeft voordat verzoeker werd geboren asielprocedures gevoerd, zodat aan deze uitzondering is voldaan.

7. Subsidiair voeren verzoekers aan dat verweerder ten onrechte onderscheid maakt tussen kinderen voor wie wel asiel is aangevraagd en kinderen zoals verzoeker, die net zo goed een asielachtergrond heeft omdat verzoekster vóór zijn geboorte asiel heeft aangevraagd. Verder groeit verzoeker op met dezelfde problemen als kinderen voor wie wel asiel is aangevraagd. Dit onderscheid is in strijd met artikel 14 van het EVRM, omdat daarvoor geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat.

8. Verder beroepen verzoekers zich op het gelijkheidsbeginsel. Zij hebben in hun bezwaargronden van 28 oktober 2019 de V-nummers genoemd van vijf kinderen voor wie geen asielaanvraag is gedaan, maar die wel een verblijfsvergunning hebben gekregen. Twee van die kinderen hebben een verblijfsvergunning gekregen op grond van de Overgangsregeling en drie kinderen hebben een discretionaire vergunning gekregen. Ondanks dat deze drie kinderen op een andere grond dan de Afsluitingsregeling een verblijfsvergunning hebben gekregen, kan op grond van de overwegingen in het besluit worden geconcludeerd dat het gelijke gevallen zijn. In de bezwaargronden van 12 maart 2020 hebben verzoekers nog drie gevallen omschreven om het beroep op het gelijkheidsbeginsel te onderbouwen. Het gaat om een geval waarin twee kinderen op grond van de Overgangsregeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen een verblijfsvergunning hebben gekregen, en twee afzonderlijke gevallen waarin op grond van de Afsluitingsregeling een verblijfsvergunning is verleend.

9. Verzoekers voeren aan dat verweerder op grond van artikel 8 van het EVRM moet toestaan dat zij in Nederland verblijven. Zij verwijzen daarbij naar het psychodiagnostisch onderzoeksverslag van Youké over de periode 20 oktober 2018 en 15 maart 2019, waarin naar voren komt dat verzoeker problemen heeft met zijn ontwikkeling, het intelligentieniveau, de onderwijsbehoefte en de opvoedsituatie. Verzoeker krijgt in Nederland speciaal onderwijs. Als verzoeker weg moet uit Nederland, zal dat een grote schok bij hem teweeg brengen. Verder verwijzen verzoekers naar een verklaring van de school van verzoeker, waaruit blijkt dat verzoeker ernstig in zijn ontwikkeling zal worden belemmerd als hij moet terugkeren naar Ivoorkust. Verweerder heeft ten onrechte niet meegenomen in zijn beoordeling dat verzoeker er door zijn omstandigheden belang bij heeft om in Nederland te verblijven. Bovendien zou verweerder op grond van deze omstandigheden een hoorzitting moeten houden, voordat hij op het bezwaar beslist.

10. Verzoekers voeren tot slot aan dat verweerder zou moeten afwijken van zijn beleid (4:84 Awb). In dit verband wijzen verzoekers op alle omstandigheden die hiervoor al aan de orde zijn gekomen. De kans op ontwikkelingsschade is zeer groot.

Beoordeling voorzieningenrechter

11. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet. Bij de beoordeling is met name van belang of het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag een redelijke kans van slagen heeft.

Is voldaan aan voorwaarde b?

12. Vooropgesteld moet worden dat de Afsluitingsregeling begunstigend beleid is. Verweerder had niet de verplichting om dat vast te stellen. Bij het vaststellen van dat beleid heeft verweerder dan ook veel beleidsruimte. De voorzieningenrechter kan daarom alleen terughoudend beoordelen of verweerder de aanvraag in redelijkheid heeft kunnen afwijzen.

13. Het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is dat verweerder verzoeker mocht tegenwerpen dat hij niet voldoet aan voorwaarde b. Aan die voorwaarde is voldaan als door of voor verzoeker tenminste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een asielvergunning is aangevraagd en hij na die aanvraag uiterlijk op 29 januari 2019 ten minste vijf jaar in Nederland heeft verbleven.

14. Verzoeker voldoet aan het eerste vereiste, omdat op 29 april 2016 voor hem een asielaanvraag is ingediend. Hij voldoet echter niet aan het tweede vereiste, omdat hij na die aanvraag niet tenminste vijf jaar in Nederland heeft verbleven voor de peildatum van 29 januari 2019.

De uitzondering op voorwaarde b luidt:

“Ad b

De IND werpt niet tegen dat door of namens de vreemdeling geen asielaanvraag is ingediend als een ouder van de vreemdeling een asielaanvraag heeft ingediend en de vreemdeling na de start van de asielprocedure is geboren.

[…]”

15. De voorzieningenrechter overweegt dat uit de uitzondering zoals genoemd onder ‘Ad b’ uit paragraaf B9/6.5 van de Vc niet valt op te maken dat het desbetreffende kind moet zijn geboren tijdens een lopende asielprocedure. In de tekst van de uitzondering is alleen opgenomen dat het kind “na de start” van de procedure moet zijn geboren. Verweerder heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat beoogd is kinderen onder de regeling te laten vallen die door de lopende asielprocedure(s) onzekerheid hebben meegemaakt. Hierbij heeft verweerder ter zitting gewezen op een Kamerbrief van 21 december 20122 en een fragment uit het debat over deze brief waarin dit is toegelicht. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld waarom kinderen die zijn geboren na het afronden van de asielprocedure niet binnen de doelgroep van de Afsluitingsregeling vallen. Verzoeker is niet geboren tijdens een asielaanvraag of -procedure van verzoekster. De eerste asielaanvraag voor verzoeker is op 29 april 2016 ingediend en daarmee voldoet hij niet aan de voorwaarde dat hij na de aanvraag op de peildatum 29 januari 2019 ten minste vijf jaar in Nederland heeft verbleven. De uitleg die verweerder aan de uitzondering geeft is daarmee naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijk, ook in het geval van verzoeker en in lijn met de context en de bedoeling van de regeling.

16. Dat verzoekster wel asielaanvragen voor zichzelf heeft gedaan, wil niet zeggen dat verzoeker wel aan de uitzondering van voorwaarde b voldoet. De asielaanvragen van verzoekster zijn namelijk niet voor verzoeker gedaan. Verzoekster heeft deze aanvragen in 2003 en in 2011 ingediend. De afwijzing van deze laatste aanvraag is met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 29 oktober 2012 definitief geworden. Daarmee is de asielprocedure van verzoekster geëindigd. Dat was voordat verzoeker werd geboren.

Is het onderscheid dat verweerder maakt gerechtvaardigd?

17. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat verweerder het onderscheid tussen kinderen door of voor wie geen asielaanvraag is ingediend en kinderen door of voor wie wel een asielaanvraag is ingediend in redelijkheid mag maken. De ABRvS heeft in de uitspraak van 22 oktober 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3867) al een oordeel gegeven over het onderscheid tussen kinderen met en kinderen zonder een asielachtergrond. De Afsluitingsregeling bestond toen nog niet, maar in de Regeling langdurig verblijvende kinderen (de Regeling) stond dezelfde voorwaarde b als in de Afsluitingsregeling. Volgens de ABRvS mocht verweerder het onderscheid tussen kinderen met en zonder een asielachtergrond in redelijkheid maken.

18. Verder is het doel en de achtergrond van het kinderpardon van belang bij de beoordeling. In de toelichting bij de Overgangsregeling langdurig verblijvende kinderen (de Overgangsregeling), neergelegd in WBV 2013/1, is daarover het volgende opgenomen:

Er zijn kinderen die al vele jaren in Nederland verblijven, zonder uitzicht op een verblijfsvergunning. De lange duur van het verblijf is te wijten aan procedures die in het verleden soms lang duurden, het niet meewerken aan het vertrek en het stapelen van procedures door ouders, of een combinatie van deze factoren. Om te voorkomen dat deze jongeren hiervan de dupe worden, is door het kabinet besloten een definitieve regeling en een overgangsregeling te treffen op grond waarvan deze jongeren, onder bepaalde voorwaarden, alsnog in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning. De overgangsregeling biedt duidelijkheid aan kinderen met een asielachtergrond, die reeds langdurig in Nederland verblijven.

Bij gelegenheid van de parlementaire behandeling van de ‘Regeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen’ heeft verweerder het volgende opgemerkt:

Het gaat om een samenstel van factoren op basis waarvan wordt beoordeeld of de hoofdpersoon in het kader van de regeling in aanmerking komt voor een vergunning. Worteling is daarbij niet als voorwaarde opgenomen. […]. Het gaat dus om kinderen die al lang in Nederland verblijven door herhaalde asielprocedures in het verleden die lang duurden doordat hun ouders niet meewerkten of procedures op procedures gingen stapelen (12 maart 2013, TK 19637, nr. 1591, 60-26-101).

19. Voor verzoeker geldt niet dat zijn lange verblijf in Nederland is veroorzaakt door herhaalde asielprocedures in het verleden die lang duurden doordat zijn ouders niet meewerkten of procedures op procedures gingen stapelen. Verzoekster was namelijk na het einde van haar asielprocedure en dus voordat verzoeker werd geboren al verplicht om Nederland te verlaten. Verzoekster heeft de keuze gemaakt om ook na afloop van haar asielprocedure in Nederland te blijven. De Nederlandse Staat heeft daarbij geen rol gespeeld. De voorzieningenrechter ziet daarom onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder dat onderscheid in verzoekers situatie in redelijkheid niet kan maken.

Kunnen verzoekers zich beroepen op het gelijkheidsbeginsel?

20. Verzoekers doen een gemotiveerd beroep op het gelijkheidsbeginsel. Zij onderbouwen dit aan de hand van verschillende gevallen, waarin volgens hen in een gelijke situatie wel een verblijfsvergunning is verleend. Verweerder stelt daarover dat ofwel sprake is van ambtelijke misslagen die niet hoeven worden herhaald, ofwel dat de gevallen niet vergelijkbaar zijn. De voorzieningenrechter is met verzoekers van oordeel dat het bij herhaling verlenen van een verblijfsvergunning op grond van de Afsluitingsregeling of eerdere regelingen zonder dat daarbij is voldaan aan voorwaarde b kan duiden op een uitvoeringspraktijk. Verweerder kan dan niet volstaan met de stelling dat sprake is van ambtelijke misslagen, maar zal nader moeten motiveren waarom dat zo is. Gelet daarop is verweerder vooralsnog onvoldoende gemotiveerd ingegaan op de argumenten die verzoekers in het kader van hun beroep op het gelijkheidsbeginsel naar voren hebben gebracht en de gevallen die zij hebben omschreven. Verweerder moet dat in de beslissing op bezwaar alsnog doen. In de beslissing op bezwaar moet verweerder ook nader ingaan op de gevallen die volgens hem niet gelijk zijn aan het geval van verzoekers. Verweerder heeft vooralsnog onvoldoende gemotiveerd waarom geen sprake is van gelijke gevallen. Zo is de enkele omstandigheid dat er in een ander geval achteraf gezien nog een (ongebruikte) hoger beroepstermijn open stond op het moment dat het kind werd geboren onvoldoende om de conclusie te dragen dat geen sprake is van een gelijk geval.

Verplicht artikel van het 8 EVRM tot het laten voorzetten van het privéleven?

21. In gevallen waarin niet is voldaan aan de voorwaarden van de Afsluitingsregeling toetst verweerder of de vreemdeling om andere redenen in aanmerking komt voor vrijstelling van het vereiste van een machtiging voor voorlopig verblijf (mvv).

22. Partijen zijn het erover eens dat in het geval van verzoeker sprake is van privéleven. Verzoeker heeft banden met Nederland, omdat hij hier vanaf zijn geboorte woont en hier naar school gaat. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder bij een belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM zwaar mag laten meewegen dat de banden van verzoekers zijn opgebouwd tijdens illegaal verblijf en dat zij nooit een verblijfsvergunning hebben gehad. Zij konden daarom weten dat hun verblijfspositie onzeker was. In zo’n geval bestaat alleen onder bijzondere omstandigheden een verplichting op grond van artikel 8 van het EVRM tot het laten voortzetten van het privéleven.

23. Verweerder overweegt in het primaire besluit I dat daar in dit geval geen aanleiding voor is. De sociale en culturele banden die verzoeker heeft opgebouwd zijn volgens verweerder inherent aan het verblijf in Nederland. Van uitzonderlijke omstandigheden die de gebruikelijke banden met Nederland ontstijgen is volgens verweerder geen sprake. Verder overweegt verweerder dat verzoeker jong is en daarom een bestaan op kan bouwen in het land van herkomst. In zijn verweerschriften heeft verweerder daaraan toegevoegd dat hij zich realiseert dat het voor verzoeker moeilijk zal zijn een nieuw bestaan op te bouwen in Guinee en zich aan te passen aan het leven daar, maar dat dit geen reden is voor een andere uitkomst. Het psychodiagnostisch onderzoeksverslag leidt ook niet tot een ander oordeel. Het belang van verzoeker bij bijzonder onderwijs in Nederland weegt niet op tegen het Nederlands belang van het restrictief toelatingsbeleid, aldus verweerder.

24. In zijn bezwaargronden heeft verzoeker gemotiveerd naar voren gebracht waarom in zijn geval sprake is van bijzondere omstandigheden, die ertoe moeten leiden dat verweerder hem toe moet staan zijn privéleven voort te laten zetten. Verzoeker heeft dit onderbouwd met een verklaring van Youké en een verklaring van zijn school, de [school] .

25. Uit het psychodiagnostisch onderzoeksverslag van Youké, opgesteld door J. Heutink, gedragswetenschapper met diagnostische bevoegdheid, blijkt het volgende:

“ [verzoeker] is een jongen die duidelijke uitdagingen heeft op het gebied van zijn ontwikkeling op diverse gebieden. Zowel cognitief als op sociaal gebied loopt hij fors achter. Er zijn vermoedens van ouderkindproblematiek en hechtingsproblemen. Er is sprake van een verstandelijke beperking. Bij al deze problematiek is specialistische begeleiding en behandeling nodig. De nu al jaren lange onzekerheid over een vaste verblijfsplaats werkt voor [verzoeker] zeer waarschijnlijk beangstigend en traumatiserend. Een kind heeft veiligheid en duidelijkheid nodig. [verzoeker] heeft, nog meer dan andere kinderen, specialistische begeleiding nodig bij zijn cognitieve, sociale en emotionele ontwikkeling. Mijns inzien kan deze begeleiding het beste geboden worden op het speciaal basisonderwijs in Nederland, met extra aandacht voor de ouderkind relatie en mogelijk met extra behandeling op het gebied van hechting en trauma in de toekomst. Wanneer [verzoeker] naar een andere plek zal moeten verhuizen, misschien zelfs naar het land van herkomst van zijn familie, zal dit een grote schok bij hem teweeg kunnen brengen en veel onveiligheid veroorzaken. Bij veiligheid wordt hierbij niet alleen gedacht aan fysieke veiligheid, maar ook aan emotionele veiligheid. Deze is bij alle kinderen, maar zeker op bij [verzoeker] , hard nodig om hem te ondersteunen bij zijn ontwikkelingstaken. Een volledig nieuwe omgeving met een geheel ander schoolsysteem zal de cognitieve ontwikkeling van [verzoeker] geen goed doen en waarschijnlijk zelfs laten stagneren. Dit is naar mijn mening onverantwoord voor zijn algehele ontwikkeling.”

Uit de verklaring van [B] , orthopedagoog bij De [school] , de school voor zeer moeilijk lerende kinderen die verzoeker bezoekt, blijkt onder meer het volgende.

“De ontwikkeling van [verzoeker] loopt ernstig achter. (….) Op onze school zien wij een leerling die een kleinschalige setting met een duidelijke structuur nodig heeft. De groepsgrootte binnen onderwijs kan voor [verzoeker] niet groter dan 12 leerlingen zijn, hij heeft veel nabijheid van een vaste begeleider nodig om zich zowel didactisch als sociaal-emotioneel te kunnen ontwikkelen. [verzoeker] spreekt de taal die in Ivoorkust gesproken wordt niet. Teruggaan naar Ivoorkust zou voor hem isolatie betekenen omdat hij de taal niet beheerst èn een verstandelijke beperking heeft. Hij mist daardoor de aansluiting met leeftijdgenoten. Daarnaast is aan [verzoeker] niet direct zichtbaar dat hij verstandelijk beperkt is, dit maakt hem extra kwetsbaar in de omgang met anderen. Als school onderschrijven wij de aanvraag van het Kinderpardon ten zeerste. In het land van herkomst van zijn moeder (Ivoorkust) zal [verzoeker] geen gebruik kunnen maken van de voorzieningen die wij hem kunnen bieden binnen het speciaal onderwijs. Hierdoor zal hij ernstig worden belemmerd in zijn ontwikkeling.”

26. Dit zijn omstandigheden die verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter bij de toets aan artikel 8 van het EVRM moet betrekken. Tot nu toe heeft verweerder dat niet gedaan. Hij heeft volstaan met enkele algemene opmerkingen waarin niet specifiek is ingegaan op de situatie van verzoeker, terwijl die situatie door verzoeker uitvoerig is toegelicht en onderbouwd. Daarmee heeft verweerder niet conform Werkinstructie 2019/15 gehandeld. Ook op andere punten heeft verweerder Werkinstructie 2019/15 niet gevolgd. In de motivering van het primaire besluit I is bijvoorbeeld niet specifiek ingegaan op het feit dat verzoeker in Nederland is geboren en daar zijn hele leven woont. Verweerder is ook niet ingegaan op de banden die verzoeker heeft met het land van herkomst (wat volgens verweerder Guinee is en volgens verzoekers Ivoorkust), de contacten die verzoekers daar hebben en de onderwijsmogelijkheden voor verzoeker in het land van herkomst.

27. Bovendien hebben verzoekers er terecht op gewezen dat Werkinstructie 2019/16 vermeldt dat horen in beginsel deel zal uitmaken van een zorgvuldige besluitvorming in zaken waarin artikel 8 EVRM-aspecten aan de orde zijn. Het ligt daarom voor de hand dat verweerder in de bezwaarprocedure van verzoekers (alsnog) een hoorzitting houdt voordat hij op het bezwaar beslist.

Conclusie

28. Wat hiervoor is overwogen over het gelijkheidsbeginsel en artikel 8 van het EVRM, is aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter schorst de primaire besluiten I en II en verbiedt verweerder om verzoekers uit te zetten tot vier weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

29. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, wordt in deze uitspraak niet afzonderlijk ingegaan op de gronden die zich richten tegen het inreisverbod dat aan verzoekster is opgelegd. Verweerder moet die gronden kenbaar betrekken bij zijn beslissing op bezwaar.

Proceskosten

30. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.575,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 2 punten voor het bijwonen van beide zittingen met een waarde per punt van € 525,-).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

  • -

    schorst het primaire besluit I en het primaire besluit II tot vier weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • -

    verbiedt verweerder verzoekers uit te zetten tot vier weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 1.575,-.

Deze uitspraak is op 25 juni 2020 gedaan door mr. L.M. Reijnierse, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 De Afsluitingsregeling is opgenomen in paragraaf B9/6 van de Vreemdelingencirculaire (Vc). De voorwaarden waaraan moet zijn voldaan staan in paragraaf B9/6.5 van de Vc.

2 Kamerstuk van 7 januari 2013, 19 637, nr. 1597, vergaderjaar 2012-2013