Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:6133

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-07-2020
Datum publicatie
07-07-2020
Zaaknummer
C/09/595042 / KG RK 20-805
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek Viruswaanzin afgewezen.

Verzoekers hebben in kort geding geëist dat alle maatregelen die de Staat heeft getroffen om de verspreiding van Covid-19 te voorkomen, per direct moeten worden opgeheven. Tijdens dat kort geding hebben verzoekers de rechter gewraakt op twee gronden. Op 12 juni 2020 zou de rechter in een ander vonnis al een oordeel hebben gegeven over met name het aantal doden dat in Nederland als gevolg van het coronavirus is gevallen. Verder zou de rechter tijdens het kort geding niet genoeg hebben doorgevraagd bij de Staat, met name ten aanzien van het sterftecijfer van Covid-19.

De aangevoerde gronden leveren volgens de wrakingskamer geen partijdigheid op van de rechter en ook niet de schijn daarvan. In die eerdere zaak van 12 juni waren de toenmalige partijen het eens over het feit dat er een substantieel aantal doden is gevallen. De rechter moest daarom in haar vonnis van dat gegeven uitgaan. Ook de wijze waarop de rechter op 25 juni het kort geding heeft behandeld, is volgens de wrakingskamer geen grond voor wraking. In een kort geding is het de taak van de rechter om de standpunten van partijen helder te krijgen. Daar kan de rechter eventueel vragen over stellen om de vordering goed te kunnen beoordelen. Op basis van wat de wrakingskamer heeft gelezen in het proces-verbaal en heeft gezien op de beelden van de zitting, blijkt niet dat de rechter tijdens het uitvoeren van die taak daarvan is afgeweken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2020/279
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer

wrakingnummer 2020/32

zaak- /rekestnummer: C/09/595042 / KG RK 20-805

Beslissing van 7 juli 2020

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van:

1 [verzoeker sub 1] , wonende te [woonplaats] ,

2. Stichting Viruswaarheid.nl, gevestigd te Rotterdam,

3. [verzoeker sub 3] , wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

hierna te noemen: verzoekers,

advocaat: mr. G.C.L. van de Corput te Breda,

strekkende tot de wraking van

mr. S.J. Hoekstra-van Vliet,

rechter in deze rechtbank,

hierna te noemen: de rechter.

Belanghebbende in deze procedure is:

de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport), hierna de Staat,

gevestigd te Den Haag,

advocaat: mr. J. Bootsma te Den Haag.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van de behandeling in kort geding van 25 juni 2020, waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;

- de schriftelijke reactie van de rechter, ingekomen bij de griffie op 29 juni 2020.

1.2.

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

- verzoekers, bijgestaan door hun raadsman.

- de rechter.

1.3.

De belanghebbende heeft laten weten niet op de zitting van de wrakingskamer te zullen verschijnen.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer

C/09/593800 / KG ZA 20-493 tussen verzoekers en de Staat.

2.2.

Verzoekers hebben blijkens het proces-verbaal van de behandeling in kort geding, waarin het mondelinge wrakingsverzoek is vermeld, en blijkens hun toelichting op de wrakingszitting, het volgende aan hun verzoek ten grondslag gelegd.

1. Op 12 juni 2020 heeft de rechter zich al een mening gevormd over het substantiële aantal doden dat in Nederland zou zijn gevallen.

Ter zitting van de wrakingskamer hebben verzoekers deze wrakingsgrond nader toegelicht. Zij hebben betoogd dat de rechter zich in haar vonnis van 12 juni 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:5339) expliciet heeft uitgesproken over de punten die in het onderhavige kort geding nu juist ter discussie staan tussen partijen; zij heeft zich toen dus al een oordeel gevormd over de vraag of sprake is van een pandemie respectievelijk van een crisissituatie die een inperking van grondrechten rechtvaardigt.

2. Verzoekers merken aan de rechter dat zij nauwelijks zelf initiatief neemt om helderheid te krijgen bij de Staat.

2.3.

De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en zij heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna, voor zover nodig, besproken. De Staat heeft zich niet over het wrakingsverzoek uitgelaten.

3 De beoordeling

3.1.

Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden (artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Rv). Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem of haar bekend zijn geworden.

3.2.

Het verzoek tot wraking moet worden gedaan zodra de omstandigheden die daarvoor aanleiding hebben gegeven zich hebben voorgedaan. Na indiening van het verzoek wordt de procedure direct geschorst. Zo wordt voorkómen dat de rechter proceshandelingen verricht gedurende een periode waarvan later wordt vastgesteld dat hij toen niet over de vereiste onpartijdigheid beschikte. Ook is beoogd onnodige vertraging van de rechtspleging te voorkomen.

3.3.

Verzoekers hebben vooropgesteld dat zij er ongelukkig mee waren dat vlak voor de zitting de oorspronkelijk behandelend kort gedingrechter door de rechtbank is vervangen door de (gewraakte) rechter. Verzoekers hebben dit echter niet aan hun wrakingsverzoek ten grondslag gelegd. De rechter heeft onweersproken verklaard hiermee geen bemoeienis te hebben gehad en zij heeft voor deze gang van zaken verder een plausibele verklaring gegeven. Dit punt kan hierom verder onbesproken blijven.

3.4.

Verzoekers hebben medegedeeld dat de eerste wrakingsgrond aan hen bekend is geworden voorafgaand aan de zitting van 25 juni 2020. Zij hebben daarbij gesteld dat door voormelde rechterswissel vlak voor de zitting zij met de inhoud van het vonnis van 12 juni 2020 ook pas net bekend waren. De inhoud van het vonnis gaf bij verzoekers al wel bedenkingen bij de onpartijdigheid van de rechter maar zij wilden de behandeling ter zitting afwachten om te bezien of de rechter ondanks haar eerdere oordeel toch onpartijdig zou optreden. Toen bij hen tijdens de behandeling van de zaak de vrees ontstond dat de rechter gelet op haar houding ter terechtzitting niet onpartijdig was, hebben zij er aan het einde van de zitting alsnog voor gekozen om de rechter te wraken. Hoewel het wrakingsverzoek op deze eerste grond onmiskenbaar eerder had kunnen zijn gedaan, zal de wrakingskamer, gelet op deze toelichting, de eerste wrakingsgrond toch in de beoordeling betrekken. Gelet op de omstandigheden in deze zaak mochten verzoekers tot wraking er, ook gezien de in kort geding geldende korte tijdspannes, in redelijkheid voor kiezen de behandeling ter terechtzitting af te wachten.

3.5

In de uitspraak in kort geding van 12 juni 2020 heeft de rechter onder meer het volgende opgeschreven:

  • -

    Nederland [is] als gevolg van de verspreiding van het Coronavirus onlangs in een acute crisissituatie beland

  • -

    Het virus – dat mensen op elkaar kunnen overbrengen, wat zich wereldwijd ook heeft voorgedaan met substantiële dodenaantallen tot gevolg…

  • -

    wat – mede met het oog op de inperking van het (grote) gevaar voor de volksgezondheid – noopt tot uitzonderlijke maatregelen, waaronder begrepen een (maximale) beperking van de aanwezigheid van personen op het terrein van de nertsenfokkerijen en dus ook bij de ruiming daarvan”.

  • -

    op grond van het voorgaande niet kan worden aangenomen dat het bezoekersverbod een schending van artikel 10 EVRM meebrengt, ondanks het belang van een vrije nieuwsgaring en de functie van de pers als publieke waakhond.”

  • -

    dat in de gegeven omstandigheden niet als disproportioneel kan worden aangemerkt, noch als een buitengewoon chilling effect op de persvrijheid en de controlefunctie die de pers in een democratische samenleving vervult.”

3.6

De rechter heeft onweersproken in haar verweerschrift en ter terechtzitting van de wrakingskamer gesteld dat de feiten zoals deze zijn weergegeven in de uitspraak in kort geding van 12 juni 2020 tussen de partijen in dat geschil vast stonden. Een kort gedingrechter is in dat geval gebonden aan die feiten. Zij mag in dat geval niet buiten het debat van partijen treden en die feiten in twijfel trekken. Haar oordeel in die zaak is vervolgens gevormd op grond van die vaststaande feiten. De wrakingskamer acht deze omstandigheid dan ook geen omstandigheid waaruit de vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan worden afgeleid. In onderhavige zaak zijn deze feiten immers wel in geschil en zal de rechter daar bij uitspraak, gehoord beide partijen, een nieuw zelfstandig oordeel over vormen. De eerdere beslissing van 12 juni 2020 doet daar niets aan af. Deze grond is op zichzelf dan ook onvoldoende voor toewijzing van het wrakingsverzoek.

3.7

De tweede wrakingsgrond houdt in dat de rechter niet genoeg heeft doorgevraagd bij de Staat. De Staat heeft in zijn verweerschrift geen antwoord gegeven op de vragen die verzoekers in hun dagvaarding hebben gesteld. De rechter had de Staat hier op de zitting (inhoudelijk) over moeten bevragen. Zij heeft dat ten onrechte nagelaten, aldus verzoekers.

3.8

Hieromtrent geldt het volgende. Genoegzaam gebleken is dat verzoekers als eisers in het kort geding aan de rechter een lijvige dagvaarding met bijlagen hebben voorgelegd en dat de Staat een conclusie van antwoord met bijlagen heeft ingediend. De rechter heeft vervolgens beide partijen ter zitting ruim de gelegenheid gegeven hun vordering respectievelijk hun verweer nader toe te lichten. Ook zijn partijen in de gelegenheid gesteld om over en weer nog op elkaar te reageren. Deze gang van zaken volgt uit het door de rechter van de zitting opgemaakte proces-verbaal en overigens ook uit de door de wrakingskamer op YouTube bekeken opgenomen livestream van de zitting van 25 juni 2020. Verzoekers hebben deze gang van zaken bevestigd. Zij stellen zich echter op het standpunt dat de rechter tijdens die behandeling ten onrechte heeft nagelaten ervoor te zorgen dat de Staat alsnog op hun inhoudelijke vragen antwoord gaf. Zij achten de door de Staat te verschaffen antwoorden op die vragen cruciaal voor de beoordeling van hun vorderingen.

3.9

De wrakingskamer volgt verzoekers hier niet in. Het is de taak van de kort gedingrechter om op basis van het tussen eisers in kort geding (verzoekers tot wraking) en de Staat gevoerde debat en aan de hand van het in dit geval geldende wettelijke toetsingskader zelfstandig te beoordelen of de vorderingen van eisers in rechte toewijsbaar zijn. De kort gedingrechter kàn daartoe ter zitting vragen stellen. Hij zal dat doorgaans doen om de standpunten van partijen helder te krijgen, opdat hem de inhoud van het debat tussen partijen voldoende duidelijk wordt. Zoals hierboven reeds is beschreven is de kort gedingrechter immers aan de tussen partijen vaststaande feiten gebonden en mag deze niet buiten het debat van partijen treden. De kort gedingrechter is tot het stellen van vragen bevoegd doch evenwel niet verplicht.

3.10

In dit geval heeft de rechter, terwijl de dupliek al was geweest, op uitdrukkelijk verzoek van eisers nog een vraag aan de Staat gesteld die zij door de Staat beantwoord wilden zien. Uit de enkele omstandigheid dat de rechter niet eigener beweging nog meer vragen aan de Staat heeft gesteld kan, gezien het hiervoor overwogene, niet worden afgeleid dat de rechter vooringenomen of bevooroordeeld is. Evenmin is hierdoor de objectief gerechtvaardigde schijn gewekt.

3.11

Het wrakingsverzoek moet dus worden afgewezen, nu zowel de eerste als de tweede grond, noch zelfstandig, noch in onderling verband tot wraking kunnen leiden.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

wijst het verzoek tot wraking af;

4.2.

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

4.3.

beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:

• de verzoekers p/a hun advocaat mr. G.C.L. van de Corput;

• de belanghebbende;

• de rechter.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.A. van Steen, M.J. Alt-van Endt en R.E. Perquin, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.M.N. van Limpt-Schrover en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2020.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.