Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:6122

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-06-2020
Datum publicatie
07-07-2020
Zaaknummer
AWB 20/1450
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Regulier, mensenhandel, implementatie Richtlijn 2004/81/EG, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 20/1450

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

gemachtigde: mr. U.H. Hansma,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. M. Janssen.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 17 februari 2020 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft daar schriftelijk op gereageerd.

Het onderzoek ter zitting is met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Op 8 mei 2019 heeft hij een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft die aanvraag bij besluit van 1 augustus 2019 niet in behandeling genomen. Eisers beroep daartegen is ongegrond verklaard.1

2. Op 4 november 2019 heeft eiser aangifte gedaan van mensenhandel. Verweerder heeft deze aangifte ambtshalve aangemerkt als aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op tijdelijke humanitaire gronden. Op 14 november 2019 heeft het Openbaar Ministerie (OM) een brief aan eiser gestuurd, waarin staat dat zijn aangifte niet tot een nader strafrechtelijk onderzoek kan leiden en dat de zaak voortijdig wordt beëindigd. Eisers aanwezigheid in Nederland is daarom niet langer noodzakelijk. Onder verwijzing naar deze brief heeft verweerder eisers aanvraag om een verblijfsvergunning regulier bij besluit van 15 november 2019 afgewezen. Eiser voldoet niet aan de voorwaarden uit artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en paragraaf B8/3.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar tegen die afwijzing ongegrond verklaard.

3. Eiser heeft in beroep betoogd dat hij op 10 mei 2019 tijdens zijn aanmeldgehoor al heeft verklaard dat hij in Italië slachtoffer is geworden van mensenhandel en dat hij hier aangifte van wil doen. Onder verwijzing naar Richtlijn 2004/81/EG2 en het arrest Rantsev3 stelt eiser dat hij met ingang van die datum in het bezit gesteld had moeten worden van een verblijfsvergunning regulier. Hij betoogt dat het (nieuwe) beleid van verweerder om pas een verblijfsvergunning te verlenen nadat bericht is ontvangen van het OM in strijd is met artikel 8, eerste lid, van de Richtlijn. Verder betoogt eiser dat de Richtlijn niet behoorlijk is geïmplementeerd op het punt van de bedenktijd en verwijst daarbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle.4 Subsidiair stelt eiser dat hij in ieder geval vanaf de datum van de aangifte, dus van 4 tot 14 november 2019, recht had op een verblijfsvergunning. In die periode was zijn verblijf in Nederland immers ‘dienstig’ voor het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Richtlijn.
De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Uit artikel 6 van de Richtlijn volgt dat de vreemdeling recht heeft op bedenktijd om te beslissen of hij wil samenwerken met de Nederlandse autoriteiten. Deze bedenktijd geeft geen recht op rechtmatig verblijf. Wel moet er, op grond van artikel 7 van de Richtlijn, worden voorzien in de basisbehoeften van de vreemdeling en mag de vreemdeling niet worden uitgezet.

In artikel 8 van de Richtlijn staat het volgende:

“1. Wanneer de bedenktijd verstreken is, of eerder indien de bevoegde autoriteiten van oordeel zijn dat de betrokken onderdaan inmiddels heeft voldaan aan het in onder b) genoemde criterium, bekijkt een lidstaat:

a) of het voor het onderzoek of de gerechtelijke procedure dienstig is het verblijf van de persoon in kwestie op zijn grondgebied te verlengen, en

b) of deze duidelijk blijk heeft gegeven van zijn bereidheid tot medewerking, en

c) of deze alle banden met de vermoedelijke daders van een of meer van de in artikel 2, onder b) en c), omschreven strafbare feiten heeft verbroken.

2. Onverminderd redenen die verband houden met de openbare orde of de bescherming van de binnenlandse veiligheid mag de verblijfstitel alleen worden afgegeven als aan de in lid 1 genoemde voorwaarden is voldaan. (..)”

5. In artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb is bepaald dat een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden wordt verleend aan de vreemdeling die slachtoffer-aangever is van mensenhandel, voor zover er sprake is van een strafrechtelijk of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan.

6. Verweerder heeft in zijn beleid - paragraaf B8/3.1 van de Vc - bepaald dat aan vreemdelingen op wie de Dublinverordening van toepassing is, alleen een verblijfsvergunning wordt verleend nadat het OM heeft bericht dat de aanwezigheid van de vreemdeling noodzakelijk wordt geacht in het belang van de opsporing en vervolging van mensenhandel.

7. Naar het oordeel van de rechtbank is dit beleid niet in strijd met artikel 8 van de Richtlijn, maar juist een correcte toepassing van het eerste lid van dat artikel. Uit het bericht van het OM blijkt immers of aan voorwaarde a) is voldaan, zodat pas daarna een verblijfsvergunning kan worden verleend. Dit betekent dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen onder verwijzing naar de brief van het OM van 14 november 2019. Eiser komt niet in aanmerking voor de gevraagde verblijfsvergunning, niet met ingang van de datum van het aanmeldgehoor en ook niet met ingang van de datum van de aangifte. Dat eiser op deze momenten blijk heeft gegeven van zijn bereidheid om mee te werken aan het onderzoek, is daarvoor onvoldoende, nu hij daarmee aan slechts één van de voorwaarden uit artikel 8, eerste lid, van de Richtlijn heeft voldaan, namelijk voorwaarde b).

8. De rechtbank volgt ook niet dat artikel 8 niet of niet juist geïmplementeerd zou zijn in de Nederlandse wetgeving. In de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, waar eiser naar verwezen heeft, is overwogen dat artikel 6 van de Richtlijn niet geïmplementeerd is. Daarbij heeft de rechtbank erop gewezen dat de bedenktijd alleen in de Vc is opgenomen en niet in de wet of een algemeen verbindend voorschrift. Dit geldt niet voor artikel 8 van de Richtlijn. De grond voor het verlenen van een verblijfsvergunning, waar dat artikel over gaat, staat namelijk in artikel 3.48 van het Vb en is dus wel opgenomen in een algemeen verbindend voorschrift. De door eiser opgeworpen vraag naar de betekenis van de bedenktijd voor de uitleg van artikel 8 van de Richtlijn kan niet leiden tot een andere uitkomst. Op grond van artikel 8 van de Richtlijn is voor het verlenen van de vergunning bedoeld in artikel 6 immers het bestaan van een (strafrechtelijk) onderzoek of een gerechtelijke procedure vereist. Ten tijde van het bestreden besluit was hiervan geen sprake. Verder volgt uit het bericht van het OM op de aangifte niet dat de aanwezigheid van eiser dienstig is geweest aan enig onderzoek.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2020.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Zie de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s Hertogenbosch, van 6 september 2019, zaaknummer NL19.18052 (niet gepubliceerd).

2 Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie

3 Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 7 januari 2010, Rantsev t. Cyprus en Rusland, 25965/04.

4 Uitspraak van 9 maart 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:2085.