Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:6109

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-07-2020
Datum publicatie
08-07-2020
Zaaknummer
C/09/593143 / KG ZA 20-436
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2021:2251, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Deurwaarderskort geding. Schuldeiser heeft ten laste van Arabische Republiek Egypte beslag gelegd. Aanzegging van de Staat op grond van artikel 3a lid 2 en 6 van de Gerechtsdeurwaarderswet dat het executoriale beslag strijdig is met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Staat en moet worden opgheven. Geldt in dit geval immuniteit van executie? Heeft Egypte afstand gedaan van die immuniteit of betreft het beslagen goed geen goed dat Egypte gebruikt bij de uitoefening van soevereine taken? Voorzieningenrechter beantwoordt deze vragen ontkennend. Vordering strekkende tot opheffing van de verplichting in de aanzegging van de Staat wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2020, afl. 5, p. 236
TvA 2020/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/593143 / KG ZA 20 -436

Vonnis in kort geding van 3 juli 2020

in de door [A] , toegevoegd gerechtsdeurwaarder ten kantore van [de deurwaarder] , gerechtsdeurwaarder te [plaats 1] (verder: de deurwaarder), op grond van artikel 438 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aanhangig gemaakte zaak tussen

[eiser] te [plaats 2] , [land] ,

advocaten mr. R. Schellaars, mr. F.M.A. Potter en mr. J.M.E. van der Linden te Amsterdam,

tegen

De Arabische Republiek Egypte te Caïro, Egypte,

niet verschenen,

en tegen

De Staat der Nederlanden, meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Veiligheid, te Den Haag,

advocaten mr. W.I. Wisman en mr. A.F. Veldhuis te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’, ‘Egypte’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van 19 mei 2020 op grond van artikel 438 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: ‘Rv’);

- de conclusie van eis van [eiser] , met producties;

- de conclusie van antwoord van de Staat, met producties;

- de akte wijziging van eis van [eiser] ;

- de op 10 juni 2020 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door [eiser] en de Staat pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Partijen zijn op verzoek van de deurwaarder bij exploot opgeroepen om ter zitting te verschijnen. De advocaat die zich eerder bij de griffie had aangemeld om Egypte bij te staan heeft voor de zitting telefonisch laten weten dat dat Egypte niet zal verschijnen. Tegen Egypte wordt verstek verleend.

1.3.

Ter zitting is vonnis bepaald op 29 juni 2020. Vonnis is vervolgens nader bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

Ten aanzien van het executoriale beslag

2.1.

[eiser] heeft in 2011 op grond van de 'Agreement on Mutual Protection of Investments between the government of the Republic of Finland and the government of the Arab Republic of Egypt' van 5 mei 1980 en de 'Agreement between the government of the Republic of Finland and the government of the Arab Republic of Egypt on the Promotion and Protection of Investments' van 3 maart 2004 (hierna: ‘de BIT-verdragen’) een arbitrale procedure aanhangig gemaakt tegen Egypte. De arbitrage is geadministreerd door de Permanent Court of Arbitration in Den Haag (hierna: ‘de PCA’), onder toepassing van de Arbitration Rules of the United Nations Commission on International Trade Law 1976 (hierna: ‘de UNCITRAL Rules’). De plaats van arbitrage is Den Haag.

2.2.

Bij arbitraal eindvonnis van 23 december 2019 (hierna: ‘het arbitrale vonnis’) heeft het scheidsgerecht Egypte onder meer en voor zover nu relevant veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een schadevergoeding van USD 43,77 miljoen, te vermeerderen met de in het arbitrale eindvonnis omschreven rente.

2.3.

Op 26 februari 2020 heeft deze voorzieningenrechter verlof verleend om het arbitrale vonnis ten uitvoer te leggen.

2.4.

Op 9 april 2020 is het arbitrale vonnis voorzien van het verlof tot tenuitvoerlegging, op verzoek van [eiser] betekend aan Egypte, waarbij aan Egypte bevel is gedaan om binnen twee dagen aan de inhoud van de executoriale titel te voldoen en aan hoofdsom inclusief rente tot en met 3 april 2020 USD 114.373.796,= te voldoen.

2.5.

Egypte is (tot heden) niet tot betaling over gegaan en heeft [eiser] (tegen een eerste roldatum van 22 april 20202) gedagvaard in een bodemprocedure waarin zij de vernietiging vordert van het arbitrale vonnis.

2.6.

Bij proces-verbaal van 24 april 2020 is uit kracht van het arbitrale vonnis beslag gelegd op de in eigendom aan Egypte toebehorende onroerende zaak te [postcode] [plaats 3] , [adres] (hierna ook ‘het pand’). Bij exploot van 28 april 2020 is dit beslag vervolgens betekend aan Egypte.

2.7.

Bij brief van 28 april 2020 heeft de deurwaarder op grond van het bepaalde in artikel 3a lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet (verder: Gdw) melding gemaakt van het gelegde beslag bij de minister van Veiligheid en Justitie (bedoeld moet zijn, blijkens artikel 1a Gdw: de minister voor Rechtsbescherming, hierna: ‘de minister’). Als bijlage bij deze brief was gevoegd een notitie van de advocaten van [eiser] waarin zij toelichten dat volgens hen de voorgenomen executiemaatregelen verenigbaar zijn met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Staat.

2.8.

Bij note verbale van 4 mei 2020 heeft Egypte naar aanleiding van het gelegde beslag als volgt aan de Staat bericht, voor zover nu relevant:

“(…)

1- In 2015, the Ministry of Foreign Affairs of the Arab Republic of Egypt decided a renovation process of the building, [adres] , will commence, in order for the Ambassador of the Arab Republic of Egypt, to move back to the building, as soon as it is restored to its original status.

2- Hence, a renovation contract was signed on 13" July 2015 between the Embassy of the Arab Republic of Egypt and Royal Haskoning company, as a consultancy responsible for the renovation project. The responsibilities included the preparation of the designs for the renovations, issuance of the necessary restoration permits, the preparation of all necessary procedures and documentation to offer the project in a tender, assisting in choosing the contractor that will take responsibility for the restoration process, and ending in with supervising the construction phase (the final phase).

3- (…)

4- (…)

5- After concluding the design phase and the issuance of the necessary permits obtained from the competent dutch authorities (which required much efforts due to the special cultural status of the building), we are now in the tender phase that has commenced since many months, and accordingly Royal Haskoning has finalized all necessary documents and designs in order to make a tender, that will allow different dutch construction companies, to provide an offer, in order to choose among these bidding companies, the company that will undertake the construction phase (final phase) of the project (attached is a sample of the tender documents that will be distributed to Dutch construction companies e.g: werkbeschrijving bouwkundige werken "work description of construction work") In case any technical information is required, the Esteemed Ministry is requested to contact the project manager [project manager] , Royal Haskoning. mob: +316(…).

6- Once the construction work is finalized, it is decided that H.E. the Ambassador of the Arab Republic of Egypt will move to [adres] building, in order for the building to continue the official role it has played since the 1920s.

(…)”

2.9.

Op 6 mei 2020 (telefonisch) en op 7 mei 2020 (schriftelijk) heeft de minister de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 3a lid 2 en 6 Gdw aangezegd (hierna: ‘de aanzegging’) dat het executoriale beslag strijdig is met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Staat en aanstonds moeten worden opgeheven. In deze aanzegging staat, voor zover nu relevant, het volgende:

“(…)

Ik acht deze ambtshandeling, na consultatie van mijn ambtgenoot van Buitenlandse zaken, in strijd met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Nederlandse Staat. In het geval van maatregelen ten aanzien van vermogensbestanddelen van een vreemde Staat geldt een presumptie van immuniteit. Slechts indien wordt vastgesteld dat de vermogensbestanddelen niet bestemd zijn voor publieke doeleinden kan immuniteit van executie worden ontzegd. In dit kader zijn de artikelen 18 tot en met 21 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen (Trb. 2010, 272) relevant. Dat louter sprake is van vermogensbestanddelen die niet zijn bestemd voor publieke doeleinden is echter door gerechtsdeurwaarderskantoor [X] naar mijn opvatting niet voldoende aannemelijk gemaakt. Bovendien is door gerechtsdeurwaarderskantoor [X] niet aangetoond dat de Staat Egypte afstand zou hebben gedaan van immuniteit van executie.

(…)”

Ten aanzien van het pand

2.10.

Het pand is het voormalig ouderlijk huis van de schrijver Louis Couperus, waar het boek ‘Eline Vere’ is geschreven. Het pand geldt als Gemeentelijk monument en beschermd stadsgezicht.

2.11.

Egypte is sinds 1927 eigenaar het pand. Het pand heeft tot 2006 gediend als ambtswoning voor de Egyptische ambassadeur. De huidige ambtswoning van de Egyptische ambassadeur is elders.

2.12.

Vanaf april 2006 tot april 2018 heeft het pand te koop gestaan. Aanvankelijk bedroeg de vraagprijs € 2.900.000,=, deze vraagprijs is in juni 2017 verlaagd tot € 2.450.000,=. De aan de ingeschakelde makelaar verstrekte opdracht tot verkoop is in april 2018 door Egypte ingetrokken.

2.13.

Op 26 april 2016 zijn schriftelijke vragen gesteld aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (hierna: ‘het college’). Deze vragen zijn op 7 juni 2016 beantwoord. Uit deze beantwoording blijkt dat op dat moment het pand in een zorgelijke staat van onderhoud verkeerde, dat het college in gesprek was met de ambassadeur van Egypte, van hem vernomen had dat hij voornemens is het pand weer in gebruik te nemen als residentie en dat het pand daartoe eerst gerestaureerd zal worden.

2.14.

Op in februari 2017 heeft Egypte een omgevingsvergunning aangevraagd voor het veranderen van het pand. Die omgevingsvergunning is door de gemeente Den Haag verleend.

2.15.

In 2018 is het pand gekraakt geweest.

2.16.

In 2019 zijn op verschillende momenten aan het college vragen gesteld over het pand. Uit de beantwoording van gestelde vragen van 20 maart 2019 blijkt dat de gemeente Den Haag contact heeft gehad met de aannemer die door de ambassade van Egypte in de arm is genomen om renovatiewerkzaamheden uit te voeren. De aannemer heeft aangegeven in gesprek te zijn met de ambassade om te komen tot concrete uitvoerbare plannen. Uit de beantwoording van gestelde vragen van 2 juli 2019 blijkt dat

 het pand in “erbarmelijke staat van onderhoud” verkeert;

 Egypte voornemens is stappen te ondernemen om de staat van het pand te herstellen;

 na het zomerreces de eerste resultaten hiervan worden verwacht;

 het college geen inzicht heeft in de specifieke acties die door de ambassade zullen worden ondernomen en dat de ambassade is verzocht zo snel mogelijk contact op te nemen met de gemeente om de tekeningen over te leggen;

 het college geen signalen heeft ontvangen heeft ontvangen dat de ambassade van Egypte het pand zou willen verkopen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, zakelijk weergegeven:

primair: de verplichting zoals omschreven in de aanzegging op te heffen;

subsidiair: de gevolgen van de aanzegging te schorsen totdat in een door de Staat tegen [eiser] en Egypte aan te vangen bodemprocedure zal zijn beslist dat de aanzegging van de minister op de juiste gronden werd gedaan, althans dat [eiser] de aanzegging tegen zich moet laten gelden en de deurwaarder gehouden is om de beslagen op te heffen;

meer subsidiair: voor zover geoordeeld wordt dat de gevolgen van de aanzegging niet opgeheven en/of geschorst moeten worden dat dit vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard;

alles met veroordeling van de Staat in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – kort samengevat – het volgende aan. De verplichting zoals omschreven in aanzegging van de minister kan geen stand houden, omdat het beslag niet in strijd is met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Staat. Reden hiervoor is (i) dat Egypte heeft aanvaard dat er executiemaatregelen worden genomen en (ii) dat het pand geen publieke bestemming heeft.

3.3.

De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Op grond van artikel 3a lid 1 Gdw moet een deurwaarder die opdracht ontvangt tot het verrichten van een ambtshandeling, indien hij redelijkerwijs rekening moet houden met de mogelijkheid dat het verrichten daarvan in strijd is met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Staat, de minister daarvan in kennis stellen. Op grond van lid 2 en 6 van genoemd artikel kan de minister vervolgens de deurwaarder aanzeggen dat de betreffende ambtshandeling in strijd is met volkenrechtelijke verplichtingen van de Staat, in welk geval de deurwaarder – als de ambtshandeling al is verricht – de aanzegging aanstonds betekent aan degene aan wie het exploot is gedaan, het beslag opheft en de gevolgen daarvan ongedaan maakt.

4.2.

De kernvraag in het onderhavig geschil is of de onder 2.9 genoemde aanzegging van de minister terecht heeft plaatsgevonden omdat met betrekking tot het door de deurwaarder op verzoek van [eiser] ten laste van Egypte gelegde beslag op het pand immuniteit van executie geldt, in welk geval dit beslag in strijd is met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Staat.

4.3.

In Nederland wordt het uitgangspunt dat rechterlijke uitspraken ten uitvoer mogen worden gelegd beperkt door de uitzonderingen die in het volkenrecht (waaronder het volkenrechtelijke gewoonterecht) zijn erkend (zie art. 13a Wet Algemene Bepalingen). Immuniteit van executie is zo’n in het volkenrecht erkende uitzondering. Beoordeeld moet worden of in verband hiermee de verplichting in de aanzegging in stand kan blijven. In dit kader staat voorop dat de soevereiniteit van staten uitgangspunt is in het volkenrecht en dat op de Staat in beginsel de verantwoordelijkheid rust de immuniteit van vreemde staten op zijn grondgebied te waarborgen. Ten aanzien van het treffen van executiemaatregelen geldt dat de daadwerkelijke uitoefening van soevereine taken door een vreemde staat niet mag worden doorkruist doordat beslag is gelegd op goederen die voor die uitoefening van soevereine taken worden aangewend. Immuniteit van executie is echter geen absoluut recht. Voor zover in dit kort geding van belang is immuniteit van executie, kort samengevat, niet (langer) aan de orde als een vreemde staat afstand heeft gedaan van het recht op immuniteit van executie of als het beslagen goed geen goed betreft dat de vreemde staat gebruikt bij de uitvoering van zijn soevereine taken. Deze twee aspecten zullen in het navolgende afzonderlijk worden beoordeeld.

Pand nodig voor uitoefening soevereine taken?

4.4.

Op 2 december 2004 is de United Nations Convention on Jurisdictional Immunities of States and Their Properties (hierna: het VN-verdrag) aangenomen. In artikel 19 van het VN-verdrag is het volgende bepaald:

Article 19

State immunity from post-judgment measures of constraint

No post-judgment measures of constraint, such as attachment, arrest or execution, against property of a State may be taken in connection with a proceeding before a court of another State unless and except to the extent that:

(a) the State has expressly consented to the taking of such measures as indicated:

(i) by international agreement;

(ii) by an arbitration agreement or in a written contract; or

(iii) by a declaration before the court or by a written communication after a dispute between the parties has arisen; or

(b) the State has allocated or earmarked property for the satisfaction of the claim which is the object of that proceeding; or

(c) it has been established that the property is specifically in use or intended for use by the State for other than government non-commercial purposes and is in the territory of the State of the forum, provided that postjudgment measures of constraint may only be taken against property that has a connection with the entity against which the proceeding was directed.

4.5.

Hoewel het VN-verdrag voor Nederland nog niet in werking is getreden, is het wel relevant bij de beoordeling in dit kort geding. Uit het arresten van de Hoge Raad van 28 juni 2013 (ECLI:NL:HR:2013:45) en 30 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2236) volgt dat aangenomen moet worden dat de inhoud van het VN-verdrag (deels) bestaand internationaal gewoonterecht reflecteert en dat in elk geval artikel 19 als vastlegging van internationaal gewoonterecht kan worden aangemerkt. Uit deze arresten volgt dat uitgangspunt is dat immuniteit van executie geldt voor een staatseigendom dat bestemd is om te worden gebruikt in de uitoefening van werkzaamheden van de diplomatieke zending van de buitenlandse staat, maar ten tijde van het treffen van de executiemaatregelen niet daadwerkelijk als zodanig in gebruik is.

4.6.

De Hoge Raad heeft zich over de kwestie van immuniteit van executie in 2016 in de zogenaamde “Herfstarresten” (HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2236, HR 14 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2354 en HR 14 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2371) uitgelaten. Uit deze arresten volgt dat – passend bij de strekking van immuniteit van executie – vreemde staten niet gehouden zijn om gegevens aan te dragen waaruit volgt dat hun eigendommen een bestemming hebben die zich tegen beslag en executie verzet. Daarmee strookt dat de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de vatbaarheid voor beslag en executie rusten op de schuldeiser die beslag legt of wil leggen op goederen van de vreemde Staat en dat, ook als de vreemde Staat in rechte verstek laat gaan en verweer ontbreekt, vastgesteld moet worden dat de desbetreffende goederen vatbaar zijn voor beslag. De schuldeiser zal dus steeds gegevens moeten aandragen aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de goederen door de vreemde Staat worden gebruikt of zijn bestemd voor, kort gezegd, andere dan publieke doeleinden. Hoewel de Hoge Raad aldus de stelplicht en bewijslast bij de schuldeiser legt, betekent dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat van een schuldeiser het onmogelijke gevergd kan worden. Anders zou het voor een schuldeiser onmogelijk worden om executiemaatregelen te treffen – nu veel informatie over goederen van vreemde Staten niet openbaar is en die vreemde Staten, eveneens conform de Herfstarresten ook niet gehouden zijn in een rechterlijke procedure als de onderhavige die informatie te verstrekken – en dat past niet binnen het systeem van beperkte (en dus niet: absolute) immuniteit van executie, zoals in het volkenrecht is aanvaard. Overigens kan deze nuance ook worden afgeleid uit het hiervoor als eerste genoemde “Herfstarrest”, waarin ten aanzien van de stelplicht en bewijslast van de schuldeiser in rechtsoverweging 3.5.4 wordt overwogen dat het gaat om “stellen en aannemelijk maken” dat – zoals in dat arrest aan de orde – gelden en tegoeden vatbaar zijn voor beslag en executie.

4.7.

De Staat heeft niet (voldoende gemotiveerd) betwist dat het pand momenteel niet wordt gebruikt in de uitoefening van werkzaamheden van de diplomatieke zending van Egypte. Gelet hierop moet nu beoordeeld worden of het pand bestemd is om op enig moment als zodanig te worden gebruikt. [eiser] stelt daarbij dat als peilmoment ten aanzien van de intenties van Egypte het moment waarop de executie aanving moet worden gehanteerd. [eiser] onderbouwt echter niet waarom een beoordeling ex tunc uitgangspunt zou moeten zijn en niet – zoals uitgangspunt is bij de beslechting van geschillen door de burgerlijke rechter – een beoordeling ex nunc. De voorzieningenrechter zal derhalve beoordelen aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals deze nu voorliggen of aannemelijk is dat het pand niet op enig moment zal worden gebruikt in de uitoefening van diplomatieke werkzaamheden (vgl. Gerechtshof Amsterdam 31 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2736).

4.8.

Partijen twisten over de mate waarin de bewijslast ten aanzien van de vraag of het pand bestemd is om op enig moment in de toekomst te worden gebruikt in de uitoefening van de werkzaamheden van de diplomatieke zending bij [eiser] ligt. Uit hetgeen onder 4.6 is overwogen volgt dat [eiser] tenminste aannemelijk moet maken dat het pand, naar de huidige stand van zaken en huidige inzichten, niet bestemd is om op enig moment in de uitoefening van de werkzaamheden van de diplomatieke zending van Egypte gebruikt te worden. Daarin is hij niet geslaagd. Dat is niet het gevolg van de omstandigheid dat hij geen inzicht heeft in de feitelijke situatie, omdat daaromtrent geen gegevens openbaar zijn of worden verstrekt, maar de resultante van de beoordeling van de feiten en omstandigheden die de Staat naar voren heeft gebracht waarmee is onderbouwd dat Egypte voornemens is het pand weer in de uitoefening van de werkzaamheden van de diplomatieke zending in gebruik te nemen. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.9.

[eiser] stelt dat hij voordat hij opdracht heeft gegeven om tot beslaglegging over te gaan, onderzoek heeft gedaan naar het pand. Uit dit onderzoek blijkt volgens hem dat de stelling van de Staat dat het pand een publieke bestemming heeft, feitelijke grondslag mist. Hij voert daartoe aan:

 dat het pand al ongeveer vijftien jaar leeg staat, vervallen is en zeker twaalf jaar (tot april 2018) openbaar te koop heeft gestaan. Het pand is gekraakt en blijkens een eenvoudige internet-zoektocht, lijkt het pand nu nog steeds te koop te staan;

 de renovatieplannen niet duiden op een publieke bestemming voor het pand, aangezien Egypte al in 2015 – nadat zij door de gemeente Den Haag op de staat van onderhoud van het pand was aangesproken – Royal Haskoning inschakelde om een ontwerp te maken voor renovatie van het pand en daarover communiceerde met de gemeente Den Haag. Die plannen hebben niet tot uitvoeringshandelingen geleid.

 de Staat geen helderheid geeft over het moment waarop aan Egypte de omgevingsvergunning is verleend, maar in beginsel is dat acht weken na de aanvraag en derhalve op 24 april 2017. Uit de door de Staat met betrekking tot omgevingsvergunning overgelegde stukken blijkt dat Egypte nog berekeningen van constructies van de voorziene serre moest aanleveren. Die stukken zijn niet overgelegd, hetgeen een contra-indicatie voor de uitvoering ervan is. Evenmin zijn de vereiste aanvullende vergunningen op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening overgelegd.

 het pand tot 2018 te koop heeft gestaan en Egypte heeft zelfs na het inschakelen van Royal Haskoning en rondom de vergunningverlening de vraagprijs van het pand nog verlaagd.

[eiser] stelt dat uit het vorenstaande blijkt dat uit het handelen van Egypte zelf volgt dat er geen verband is tussen de vermeende verbouwingsintentie en een vermeende intentie om het pand opnieuw als ambtswoning te gaan gebruiken. Alles wijst er op dat de vermeende verbouwingsplannen van Egypte alleen bedoeld waren om onrust binnen de gemeente Den Haag over de onderhoudsstatus van het pand weg te nemen en/of alleen bedoeld zijn om het pand aantrekkelijker te maken voor verkoop.

4.10.

Staat brengt hier onder meer tegenin dat hij contact heeft gehad met Royal Haskoning en inzage heeft gehad in de renovatieplannen. Nadat de gevraagde omgevingsvergunning was verleend, is door de projectontwikkelaar – samen met architecten – veel tijd besteed aan de ontwerpen voor de renovatie. De bouwkundige opname moest op enig moment geactualiseerd worden. Op 17 oktober 2019 is het bestek met de projectnaam ‘Restauration ambassador’s residence’ afgerond. Vervolgens heeft de projectontwikkelaar in overleg met Egypte de aanbestedingsprocedure voorbereid, die als gevolg van de corona-crisis vertraging heeft opgelopen. De Staat heeft vernomen dat de tender op korte termijn wordt uitgezet en naar de Staat heeft begrepen is het de bedoeling dat de werkzaamheden in september 2020 starten en in 2021 klaar zijn.

4.11.

Uit de stellingen van de Staat zoals hiervoor weergegeven, in samenhang met de inhoud van de note verbale van 4 mei 2020 volgt dat de Staat in dit geval voldoende heeft toegelicht dat en waarom het pand nog een publieke bestemming heeft. Immers:

 het pand wordt al geruime tijd niet meer te koop aangeboden ( [eiser] stelt op dit punt onvoldoende om van iets anders uit te gaan),

 Egypte stelt expliciet dat het pand na renovatie weer als ambassadeurswoning zal gaan dienen en

 uit contacten van de Staat met Royal Haskoning blijkt dat er ten aanzien van de renovatie thans concrete stappen worden gezet.

Bij deze stand van zaken is [eiser] er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat het pand geen publieke bestemming (meer) heeft. Hierbij is mede in aanmerking genomen de mate waarin de vreemde staat (Egypte in dit geval) volgens de uitgangspunten van de Hoge Raad gehouden is in een procedure als de onderhavige informatie te verschaffen en de mate waarin die informatie – via de Staat (in de note verbale) – (desondanks) is verschaft. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding aan de juistheid van die informatie te twijfelen, mede gezien de interstatelijke vertrouwelijkheid, op grond waarvan de Staat af moet gaan op de juistheid van de mededelingen van een vreemde staat en de voorzieningenrechter terughoudendheid past bij de toetsing hiervan. Daar komt bij dat de Staat in dit geval volgens zijn eigen stelling contact heeft gehad met de projectontwikkelaar en daaruit blijkt ook dat concrete stappen met het oog op de herontwikkeling worden gezet, hetgeen de uitlatingen van Egypte ook bevestigt. De voorzieningenrechter heeft ook geen aanleiding te twijfelen aan de inlichtingen van de Staat over het contact met Royal Haskoning over het verloop van de voorbereiding van de renovatie.

4.12.

Slotsom is dat [eiser] er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat het pand geen publieke bestemming meer heeft en dat derhalve de verplichting in de aanzegging van de minister niet op grond van de stellingen met betrekking tot de bestemming van het pand zal worden opgeheven of geschorst.

Afstand van immuniteit van executie?

4.13.

[eiser] stelt dat Egypte op basis van het de BIT-verdragen een aanbod heeft gedaan tot arbitrage en dat dit aanbod door [eiser] is aanvaard. Als een staat instemt met arbitrage, stemt hij – zo stelt [eiser] – ook in met de mogelijke gevolgen daarvan, met name een tegen hem gewezen vonnis en de tenuitvoerlegging daarvan. Bovendien staat in artikel 9 lid 5 van het BIT-verdrag uit 2004

“The award shall be final and binding on the parties to the dispute and shall be enforced in accordance with national law”

en daarmee heeft Egypte aanvaard dat een arbitraal vonnis tegen haar ten uitvoer zal kunnen worden gelegd. Dit heeft Egypte ook aanvaard met de bij de aanvang van de arbitrale procedure nogmaals van toepassing verklaarde UNCITRAL Rules, waarin in artikel 32 lid 2 staat

“The award shall be made in writing and shall be final and binding on the parties. The parties undertake to carry out the award without delay.”

4.14.

Dit betoog van [eiser] slaagt niet. Anders dan [eiser] stelt, levert afstand van immuniteit van jurisdictie – door zich te onderwerpen aan arbitrage – niet direct afstand van immuniteit van executie op. Dit is ook af te leiden uit artikel 20 van het VN-verdrag waarin uitdrukkelijk is bepaald dat afstand van immuniteit van jurisdictie geen afstand van immuniteit van executie inhoudt. Uit artikel 19 van het VN-verdrag – waarover door de Hoge Raad is geoordeeld dat het als vastlegging van internationaal gewoonterecht kan worden aangemerkt – blijkt dat dat voor het nemen van executiemaatregelen jegens een Staat op grond van afstand van immuniteit van executie vereist is dat die staat “has expressly consented” met het nemen van die maatregelen. Dergelijke uitdrukkelijke instemming is kan niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat Egypte heeft ingestemd met de arbitrage en evenmin uit voormelde door [eiser] aangehaalde bepalingen uit het BIT-verdrag uit 2004 en de UNCITRAL Rules.

Slotsom

4.15.

Slotsom van het vorenstaande is dat er geen aanleiding is de verplichting in de aanzegging op te heffen en evenmin om de gevolgen van die aanzegging te schorsen totdat in een bodemprocedure zal zijn beslist. Dit betekent dat de primaire en de subsidiaire vordering van [eiser] zullen worden afgewezen en dat de gevolgen van de aanzegging in stand blijven. Dat brengt op grond van artikel 3a lid 6 Gwd mee dat het beslag op het pand moet worden opgeheven. Gezien de voorliggende vorderingen is er aan het oordeel dat er geen aanleiding is de gevolgen van de aanzegging op te heffen en / of te schorsen geen beslissing verbonden die wel of niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard. Derhalve is ook de meer subsidiaire vordering niet toewijsbaar.

4.16.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Nu de zaak met een proces-verbaal door de deurwaarder aanhangig is gemaakt, zijn partijen geen griffierecht verschuldigd (zie hoofdstuk 2 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken). De kosten aan de zijde van de Staat worden derhalve tot heden begroot op € 980,= aan salaris advocaat. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

verleent verstek tegen Egypte;

5.2.

wijst de vorderingen van [eiser] af;

5.3.

veroordeelt [eiser] om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan de Staat te betalen, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 980,-- aan salaris advocaat;

5.4.

bepaalt dat [eiser] bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;

5.5.

verklaart dit vonnis deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet op 3 juli 2020.

idt