Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:6070

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
06-07-2020
Zaaknummer
NL20.6888
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

8:57 Awb. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Noord-Holland

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.6888


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

(gemachtigde: mr. E. Biçer).

Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser in Italië een verblijfsstatus heeft.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 3 juni 2020 een verweerschrift ingediend. Eiser heeft hier op 5 juni 2020 op gereageerd.

De rechtbank heeft partijen vervolgens bericht dat een zitting achterwege zal worden gehouden tenzij een van de partijen aangeeft dat zij op zitting wenst te worden gehoord. Eiser heeft niet binnen de gestelde termijn aangegeven dat hij dat wenst. Verweerder heeft toestemming gegeven om het onderzoek te sluiten, zonder het houden van een nadere zitting conform het bepaalde in artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten met toepassing van artikel 8:57 Awb.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Eritrese nationaliteit te bezitten.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard in het bestreden besluit op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) omdat de Italiaanse autoriteiten verweerder op 20 januari 2020 hebben bericht dat eiser in Italië een verblijfsstatus heeft, geldig tot 1 januari 2019. Eiser heeft met zijn verklaringen, noch met documenten, aannemelijk gemaakt dat de Italiaanse autoriteiten hem niet willen of kunnen helpen.

3. Eiser voert (samengevat) aan dat verweerder ten onrechte stelt dat eiser in Italië een verblijfsstatus heeft. Eisers vergunning is inmiddels verlopen en eiser kan niet naar Italië reizen omdat alle grenzen zijn gesloten in verband met het corona-virus. Ten tweede zijn de bureaus van de Italiaanse autoriteiten op dit moment ook gesloten zodat eiser zich niet tot de autoriteiten kan wenden om een verlenging van zijn verblijfsvergunning aldaar aan te vragen. Ten onrechte heeft verweerder niet onderzocht wat de situatie in Italië is als gevolg van het Corona-virus. Gelet op het voorgaande loopt eiser een risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), juncto artikel van het 3 Anti-folterverdrag doordat hij enerzijds Nederland niet uit kan omdat hij zich niet naar Italië kan begeven en in het verlengde daarvan ook in Nederland op straat zal komen te staan doordat zijn voorzieningen zullen worden beëindigd qua opvang, medische behandeling en levensonderhoud. Mocht hij alsnog kans zien om Italië te bereiken, zal hij aldaar zonder opvang op straat belanden, zonder onderdak en het risico zal lopen op een besmetting door middel van het Corona-virus. De drempel uit het arrest Ibrahim van het Hof van Justitie van 19 maart 2019 (ECLI:NL:EU:C:2019:219) wordt bereikt door de onverschilligheid van de autoriteiten van Nederland door van eiser te eisen dat hij onder de huidige omstandigheden naar Italië vertrekt. Het is ook onredelijk om te eisen dat eiser met objectieve bronnen onderbouwt dat hij bij terugkeer naar Italië een risico loopt op een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling, omdat het een feit van algemene bekendheid betreft dat de grenzen dicht zijn naar Italië in verband met het Corona-virus en dat de reisadvies naar Italië negatief is. Verweerder stelt weliswaar dat het een feitelijke, tijdelijke belemmering betreft en dat de grenzen van Italië inmiddels weer zijn geopend maar niet is duidelijk hoe hij zich tot de grens van Italië kan begeven gelet op het feit dat de doorreislanden nog niet open zijn althans dat daar restricties bestaan.

3.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat het aan eiser is om zijn verblijfsvergunning in Italië te laten verlengen en hij zich hiervoor dient te wenden tot de Italiaanse autoriteiten. Niet is gebleken dat voor eiser die mogelijkheid niet zou bestaan. Dat eisers verblijfsvergunning inmiddels is verlopen, brengt niet met zich mee dat ook zijn status in Italië is beëindigd. Immers, de autoriteiten van Italië hebben op 20 januari 2020 niet gesteld, noch is anderszins gebleken dat de status van eiser is ingetrokken. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de Italiaanse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen bij het aanvragen van een nieuwe verblijfsvergunning. Het enkele gegeven dat het Corona-virus op grote schaal is uitgebroken in Italië, leidt niet tot de conclusie dat sprake is van een toestand van zeer vergaande materiële deprivatie, zoals bedoeld in het arrest van 19 maart 2019 inzake Ibrahim van het Hof van Justitie. Evenmin is daarmee vast komen te staan dat eiser zich voor het aanvragen van een nieuwe verblijfsvergunning niet kan wenden tot de Italiaanse autoriteiten. Dat er op dit moment nog geen overdrachten op grond van de Dublinverordening plaatsvinden, maakt het voorgaande niet anders. Immers, nog daargelaten dat dit een tijdelijke noodmaatregel betreft, is eiser geen Dublinclaimant maar een statushouder waarvoor als uitgangspunt geldt dat deze zich op eigen gelegenheid naar Italië dient te begeven. Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 3 juni 2020 er terecht op gewezen dat de grenzen van Italië inmiddels weer zijn geopend zodat eiser zich naar Italië kan begeven. Dat het niet mogelijk zou zijn om tot de Italiaanse grens te komen omdat een aantal doorreislanden nog niet open zijn, is volstrekt niet onderbouwd. De beroepsgrond faalt.

4. Eiser voert voorts aan dat hij gehuwd is en vader is geworden van een dochter waarmee hij gezinsleven uitoefent. Ten onrechte stelt verweerder dat eiser met Italië en niet met Nederland een sterke band heeft opgebouwd. Eiser heeft in Nederland een gezinsleven

opgebouwd en oefent dat ook uit waaruit blijkt dat hij een sterkere band heeft met

Nederland dan met Italië. Ook heeft eiser in het kader van artikel 8 EVRM recht en belang om zich bij zijn echtgenote en minderjarige dochter te voegen. Zijn dochter heeft voorts het recht op grond van artikel 8 juncto artikel 3 van het Internationaal verdrag inzake de rechten van het Kind (IVRK) om haar vader te leren kennen en om met haar vader gezinsleven op te bouwen en te genieten.

4.1

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 3.6a, tweede lid, van het Vreemdelingen besluit 2000 (Vb) niet wordt toegekomen aan een ambtshalve toets aan artikel 8 EVRM, nu de aanvraag van eiser op grond van artikel 30a Vw niet ontvankelijk wordt verklaard. Het staat eiser vrij om een reguliere asielaanvraag in Nederland in te dienen en aan de reguliere toetsingsvoorwaarden voor gezinshereniging te voldoen.

4.2

De rechtbank is allereerst van oordeel dat in het kader van artikel 3.106a Vb eisers band met het land alwaar hij internationale bescherming geniet, te weten Italië en niet Nederland, wordt beoordeeld. Het feit dat eiser statushouder is in Italië levert voorts volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, een sterke band op met Italië. Dat eiser in Nederland gezinsleven uitoefent, leidt niet tot een ander oordeel. Voor zover eiser een beroep doet op artikel 8 EVRM, is de rechtbank van oordeel dat verweerder hem terecht op de mogelijkheid heeft gewezen om een reguliere aanvraag in te dienen. De beroepsgrond faalt.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier.

De uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op:

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State