Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:6068

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
07-07-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 841
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening - wijziging maatwerkvoorschriften omgevingsvergunnig

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/841

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juni 2020 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

Chemours Netherlands B.V., te Dordrecht, verzoekster

(gemachtigden: mr. M.G.J. Maas-Cooymans en mr. B. Ebben),

tegen

het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, verweerder

(gemachtigden: mr. W.J. Bosma en mr. R. Olivier).

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder voor de inrichting van verzoekster aan de Baanhoekweg 22 te Dordrecht maatwerkvoorschriften met betrekking tot emissies naar de lucht gesteld en een aantal voorschriften gewijzigd, die verbonden waren aan de omgevingsvergunning van 3 oktober 2013.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verzoekster en verweerder hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft door middel van een videoverbinding via Skype plaatsgevonden op 2 juni 2020. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar werknemers [werknemer 1] en [werknemer 2] , bijgestaan door haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Het verzoek

2. Het verzoek om een voorlopige voorziening ziet op de voorschriften 1.2.1, 1.2.3a, 1.2.3b, 1.2.6, 2.1.1, 2.1.2, 2.1.4, 2.1.7, 2.1.9, 2.1.10, 2.2.2, 3.1.18 en de voorschriften in hoofdstuk 4 van het bestreden besluit. Deze voorschriften bevatten onder meer aangescherpte grenswaarden voor de emissie van de inrichting van verzoekster naar de lucht en verplichtingen tot het registeren van (de gehaltes van) (Potentieel) Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) in haar afvalstromen. Het verzoek om een voorlopige voorziening ziet niet op de overige voorschriften en dat betekent dat deze in werking treden.

2.1.

Verzoekster stelt dat zij werkt aan haar eigen emissiereductieplan en de afgelopen jaren de impact van haar inrichting op het milieu al significant heeft beperkt. Verzoekster is voornemens om hiermee door te gaan en dient daarvoor voldoende tijd en ruimte te krijgen. Verplichtingen tot reductie van haar emissie moeten blijven binnen de juridische kaders, rechtswaarborgen en feitelijke mogelijkheden. Verzoekster stelt dat het bestreden besluit niet aan deze eisen voldoet. Volgens verzoekster zijn de voorschriften onrechtmatig en niet naleefbaar. Verzoekster stelt dat het besluit bovendien nadelige milieueffecten zal veroorzaken, aangezien zij hierdoor wordt gedwongen om te stoppen met haar eigen emissiereductieplan.

Spoedeisend belang

3.1.

De voorzieningenrechter acht een spoedeisend belang bij het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening aanwezig. Verzoekster betoogt dat zij niet tijdig aan de voorschriften kan voldoen. Dit geldt zowel voor de voorschriften waaraan zij bij inwerkingtreding van het bestreden besluit moet voldoen als de voorschriften waaraan zij per 1 januari 2021 moet voldoen. De voorzieningenrechter verwacht niet dat de rechtbank voor die datum uitspraak zal hebben gedaan in de bodemprocedure. Dit heeft er onder meer mee te maken dat op een aantal punten naar verwachting de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening zal worden ingeschakeld, zoals ter zitting met partijen is besproken. Verzoekster betoogt terecht dat zij bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving riskeert bij het niet (tijdig) voldoen aan de voorschriften. Dat verzoekster volgens verweerder vanaf de ontwerpbeschikking heeft kunnen anticiperen op de voorschriften in het bestreden besluit, leidt niet tot een ander oordeel. Verzoekster betoogt immers niet alleen dat de voorschriften onrechtmatig zijn, maar ook dat zij deze niet kan naleven, zodat zij ook geen mogelijkheden heeft om te anticiperen op de inwerkingtreding daarvan.

De voorschriften 1.2.1, 1.2.3a en 1.2.3b

4.1.

In voorschrift 1.2.1 staat dat de emissies van FRD-903 en E1 naar de lucht die uit puntbronnen vrijkomen tijdens reguliere en bijzondere bedrijfsomstandigheden niet meer mogen bedragen dan in de opgenomen tabel is weergegeven. De tabel heeft grenswaarden voor de periode per datum van inwerkingtreding van het besluit en per 1 januari 2021.
In voorschrift 1.2.3a staat dat de emissies van E1 uit de puntbronnen van de PTFE-fabriek en de FEP-fabriek inclusief de waterzuivering, die vrijkomen tijdens reguliere en bijzondere bedrijfsomstandigheden, vanaf de datum van de inwerkingtreding van het besluit tot 1 januari 2021 niet meer mag bedragen dan 50 mg/m₀³.

In voorschrift 1.2.3b staat dat de som van de emissies van FRD-903 en E1 uit de puntbronnen van de PTFE-fabriek en de FEP-fabriek inclusief de waterzuivering, die vrijkomen tijdens reguliere en bijzondere bedrijfsomstandigheden, vanaf 1 januari 2021 niet meer mag bedragen dan 1 mg/m₀³.

4.2.

Verzoekster stelt in haar reactie op het verweerschrift dat het schorsingsverzoek niet meer ziet op de emissiegrenswaarden vanaf de datum van inwerkingtreding van het besluit tot 1 januari 2021 in voorschrift 1.2.1 en op voorschrift 1.2.3. De voorzieningenrechter beschouwt het verzoek in zoverre als ingetrokken, waardoor deze voorschriften in zoverre in werking treden.

4.3.

Verzoekster stelt dat zij niet kan voldoen aan de emissiegrenswaarden vanaf 1 januari 2021 in voorschrift 1.2.1 en aan voorschrift 1.2.3b. Volgens verzoekster kan zij pas aan de voorschriften voldoen nadat zij het Sequoia-project volledig heeft geïmplementeerd. Dit is een project waarmee verzoekster haar emissie met 99% beoogt te verminderen. Verzoekster heeft de benodigde omgevingsvergunning voor dit project aangevraagd, maar op deze aanvraag is nog niet definitief beslist. Verzoekster verwacht dat zij na het van kracht worden van de omgevingsvergunning nog één jaar nodig heeft voordat het Sequoia-project volledig operationeel is. Dit betekent dat het niet haalbaar is om op 1 januari 2021 aan de emissiegrenswaarden in de voorschriften 1.2.1 en 1.2.3b te voldoen en ook de datum van 1 januari 2021 uit voorschrift 1.2.3a niet haalbaar is. Verzoekster heeft ter onderbouwing van haar stelling een projectplanning van uitvoerder Vicoma overgelegd.

4.4.

Verweerder stelt dat verzoekster de emissiegrenswaarden per 1 januari 2021 zelf heeft aangevraagd in de aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning voor het Sequoia-project. Deze emissiegrenswaarden zullen ook in de omgevingsvergunning worden opgenomen, zodat verzoekster ook bij schorsing van de voorschriften in het bestreden besluit verplicht blijft om hieraan te voldoen.

4.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat verzoekster zonder verlening van de omgevingsvergunning voor het Sequoia-project niet kan voldoen aan de voorschriften. Vast staat verder dat de omgevingsvergunning op dit moment nog niet is verleend.

4.6.

De voorzieningenrechter volgt verweerder niet in zijn stelling dat verzoekster zelf heeft aangevraagd om op 1 januari 2021 aan de emissiegrenswaarden te voldoen. In de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het Sequoia-project staat dat verzoekster dit weliswaar beoogt, maar hierin staat ook duidelijk dat het na het van kracht worden van de omgevingsvergunning één jaar duurt voordat het project volledig operationeel is. Dit wordt nader onderbouwd door bovengenoemde projectplanning. Verweerder betwist niet, althans niet gemotiveerd, dat verzoekster na het van kracht worden van de omgevingsvergunning één jaar nodig heeft om het Sequoia-project volledig te realiseren.

4.7.

De voorzieningenrechter volgt verweerder ook niet in het betoog dat verzoekster ook bij schorsing van de voorschriften per 1 januari 2021 zal moeten voldoen aan de emissiegrenswaarden. Verweerder heeft op zitting toegelicht dat de emissiegrenswaarden ook zullen worden opgenomen in de omgevingsvergunning, maar dat hierin een andere ingangsdatum zal worden opgenomen. Verweerder heeft aangegeven dat daarbij rekening kan worden gehouden met de termijn van één jaar die verzoekster na het van kracht worden van de vergunning nodig heeft om het project volledig te realiseren. Dit brengt met zich dat bij schorsing van de voorschriften in het bestreden besluit op basis van de nog te verlenen omgevingsvergunning een latere ingangsdatum zal gaan gelden dan 1 januari 2021. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter betekent dit ook dat in dat geval de voorschriften in het bestreden besluit zullen moeten worden ingetrokken.

4.8.

De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat het voor verzoekster niet mogelijk is om op 1 januari 2021 te voldoen aan de emissiegrenswaarden in voorschrift 1.2.1 en 1.2.3b. Zij kan daar pas één jaar na het van kracht worden van de omgevingsvergunning voor het Sequoia-project aan voldoen. Die voorschriften zullen naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op dat punt moeten worden aangepast. Dat geldt ook voor voorschrift 1.2.3a voor zover daarin staat dat dit voorschrift geldt tot 1 januari 2021. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om bij wijze van voorlopige voorziening voorschrift 1.2.1, voor zover daarin emissiegrenswaarden per 1 januari 2021 zijn opgenomen, en voorschrift 1.2.3b te schorsen tot zes weken na de uitspraak in de bodemprocedure. Dit betekent dat in het verlengde daarvan voorschrift 1.2.3a, voor zover daarin staat dat dit voorschrift geldt tot 1 januari 2021, ook wordt geschorst tot zes weken na de uitspraak in de bodemprocedure.

Voorschrift 1.2.6

5.1.

In voorschrift 1.2.6 staat dat de vergunninghouder minimaal een keer per jaar, voor het eerst op 1 april 2020, aan het bevoegd gezag moet rapporteren over de wijze waarop zij wil voldoen aan de maatwerkvoorschriften 1.2.1 tot en met 1.2.5.

5.2.

Verzoekster stelt dat de rapportageverplichting in voorschrift 1.2.6 onevenredig bezwarend is en dat het niet meer mogelijk is om op 1 april 2020 te rapporteren.

5.3.

De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoekster op dit punt heeft aangevoerd geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Verweerder heeft toegelicht dat het besluit op 1 april 2020 nog niet in werking was getreden, zodat verzoekster niet verplicht was om op die datum de eerste rapportage aan te leveren en hierop ook niet kan worden gehandhaafd. Dit betekent volgens verweerder dat verzoekster pas een jaar later op 1 april 2021 voor het eerst een rapportage moet aanleveren. Verzoekster heeft onvoldoende onderbouwd dat de rapportageverplichting zodanig belastend is dat van haar niet kan worden verwacht dat zij hieraan voor 1 april 2021 voldoet.

Voorschriften 2.1.1, 2.1.2, 2.1.4, 2.1.7 en 2.1.9

6.1.

Verzoekster betoogt dat in het bestreden besluit niet is gespecifieerd dat zij alleen verantwoordelijk is voor het naleven van de voorschriften 2.1.1, 2.1.2, 2.1.4, 2.1.7 en 2.1.9 met betrekking tot haar inrichting. Naast de inrichting van verzoekster bevinden zich op de Baanhoekweg 22 te Dordrecht ook inrichtingen van DuPont en Dow. Volgens verzoekster zijn deze inrichtingen in de omgevingsvergunning van 3 oktober 2013 juridisch met elkaar verbonden. Verzoekster vreest dat verweerder, zolang die vergunning niet is gesplitst, haar verantwoordelijk zal houden voor het naleven van de voorschriften door de andere twee inrichtingen waarover zij geen zeggenschap heeft.

6.2.

De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoekster op dit punt heeft aangevoerd geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. In het bestreden besluit staat dat onder meer met onderhavige voorschriften de omgevingsvergunning van 3 oktober 2013 voor het onderdeel milieu wordt gewijzigd. Dit besluit is echter uitsluitend gericht aan verzoekster en ziet blijkens de aanhef, ook voor zover daarbij de omgevingsvergunning wordt gewijzigd, op de inrichting van verzoekster. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter betekent dit dat deze wijzigingen van de voorschriften alleen betrekking hebben op de installaties van verzoekster en niet op de installaties van DuPont en Dow. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat het bestreden besluit alleen ziet op installaties waar verzoekster zeggenschap over heeft. Dit betekent naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat geen sprake kan zijn van handhavend optreden jegens verzoekster voor overtredingen door DuPont en Dow. Indien verzoekster toch wordt geconfronteerd met een handhavingsbesluit vanwege een overtreding van DuPont of Dow dan kan zij dit aan de orde stellen in een daarop volgende procedure.

Voorschrift 2.1.10

7.1.

In voorschrift 2.1.10 staat dat de pompen en compressoren waarmee stoffen of mengsels van stoffen worden verpompt die een dampspanning bezitten hoger dan 1 kPa bij procesomstandigheden en met 5% aan FRD-903, E1 of polyfluoro-olefinen (gewichtsbasis) geheel gesloten moeten zijn uitgevoerd of zijn voorzien van een dubbel mechanical seal met spervloeistof of een gelijkwaardige techniek.

7.2.

Verzoekster voert aan dat voorschrift 2.1.10 niet rechtmatig is en dat zij op het moment van inwerkingtreding van het besluit hieraan niet kan voldoen. Volgens verzoekster voldoen 8 van de 31 pompen en compressoren binnen de F22 en monomeren-fabriek niet aan de benoemde technieken. Voor de FEP-, PTFE- en Elastomerenfabriek moet de inventarisatie nog worden afgerond. Verzoekster heeft ter onderbouwing van haar stellingen een notitie van onderzoeksbureau [onderzoeksbureau] overgelegd.

7.3.

Verweerder heeft ter zitting erkend dat het voor verzoekster niet mogelijk is om bij inwerkingtreding van het bestreden besluit direct aan het voorschrift te voldoen en dat hiervoor een termijn moet worden gegund. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om bij wijze van voorlopige voorziening voorschrift 2.1.10 te schorsen tot zes weken na uitspraak in de bodemprocedure. De voorlopige voorzieningenprocedure leent zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter vanwege de technische complexiteit op dit punt niet voor een voorlopig rechtmatigheidsoordeel.

Voorschrift 2.2.2

8.1.

In voorschrift 2.2.2 staat dat de drijver van de inrichting moet onderzoeken op welke wijze de diffuse emissies naar de lucht van HCFK’s uit emissiepunt FL 10/11 (procesriool) van de F-22 fabriek gereduceerd kunnen worden. Binnen zes maanden na inwerkingtreding van dit voorschrift moet het onderzoek aan het bevoegd gezag zijn toegezonden.

8.2.

Verzoekster stelt dat de termijn van zes maanden te kort is om het onderzoek uit te voeren. Verzoekster voert hiertoe aan dat zij in dezelfde tijdspanne verschillende onderzoeken moet uitvoeren en dat het niet mogelijk is om dit tegelijk te doen.

8.3.

De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoekster op dit punt heeft aangevoerd geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Dat verzoekster verschillende onderzoeken moet uitvoeren acht de voorzieningenrechter onvoldoende om te concluderen dat verzoekster niet in staat is het onderzoek uit voorschrift 2.2.2 uit te (laten) voeren. Verzoekster is een professionele inrichting en van haar mag worden verwacht dat zij verschillende onderzoeken tegelijkertijd kan (laten) uitvoeren.

Voorschrift 3.1.18

9.1.

In voorschrift 3.1.18 staat dat het meetrapport van een periodieke meting vanaf een maand na uitvoering van de meting voor het bevoegd gezag op locatie beschikbaar moet zijn.

9.2.

Verzoekster voert aan dat de termijn van een maand te kort is om een meetrapport gereed te hebben. Verzoekster heeft ter onderbouwing van haar stelling een reactie van inspecteur/controleur SGS overgelegd. Verzoekster vraagt om een termijn van zes weken te stellen voor het beschikbaar maken van het meetrapport.

9.3.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de door verzoekster gevraagde voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoekster die pleiten vóór het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening zwaarder dan het belang van verweerder. Verzoekster heeft gemotiveerd aangevoerd waarom zij een termijn van zes weken nodig heeft voor het beschikbaar maken van het meetrapport. Verweerder heeft geen zwaarwegender belang naar voren gebracht dat zich verzet tegen het stellen van deze termijn. De enkele stelling dat uit het volledige rapport van SGS zou blijken dat de termijn van 4 weken “met spoedkosten” wel haalbaar zou zijn acht de voorzieningenrechter onvoldoende.

De voorschriften 4.1.1, 4.1.2, 4.1.3, 4.1.4, 4.2.1 en 4.2.2

10.1.

In voorschrift 4.1.1 staat dat de drijver van de inrichting, in aanvulling op artikel 10.38 van de Wet milieubeheer, registreert: afvalstoffen die FRD, E1 en polyfluoro-olefinen bevatten en het gehalte aan FRD, E1 en polyfluoro-olefinen in afvalstoffen.

In voorschrift 4.1.2 staat dat het gehalte aan FRD, E1 en polyfluoro-olefinen, zoals bedoeld in voorschrift 4.1.1, eenmalig door middel van meting, of een door het bevoegd gezag goedgekeurde gelijkwaardige bepaling moet worden vastgesteld. Indien het gehalte FRD, E1, en polyfluoro-olefinen in een afvalstof kan variëren, moet vaker gemeten worden. De meting of bepaling moet zodanig worden uitgevoerd dat eenduidig kan worden bepaald hoeveel FRD, E1 of polyfluoro-olefinen in een afvalstroom aanwezig zijn. De meting of bepaling moet binnen zes maanden na het inwerking treden van dit besluit zijn uitgevoerd.

In voorschrift 4.1.3 staat dat de drijver van de inrichting procedures opstelt waarin zij per afvalstof aangeeft op welke wijze de gehaltes aan FRD, E1 en polyfluoro-olefinen bepaald worden. Hierin moeten de aspecten die in voorschrift 4.1.2 zijn genoemd, worden opgenomen. De procedures moeten binnen drie maanden na het inwerking treden van dit besluit zijn opgesteld, en ter goedkeuring aan het bevoegd gezag worden overgelegd. De procedures moeten daarna actueel worden gehouden.

In voorschrift 4.1.4 staat dat de drijver van de inrichting ieder jaar aan het bevoegd gezag rapporteert in het milieuverslag, welke afvalstoffen met FRD, E1 en polyfluoro-olefinen gedurende het rapportagejaar de inrichting hebben verlaten. De rapportage bevat de afvalstromen en de hoeveelheden FRD en polyfluoro-olefinen. Daarbij wordt ook vermeld de verwerkingsmethode en de bestemming van de afvalstoffen.

In voorschrift 4.2.1 staat dat de drijver van de inrichting een onderzoek moet uitvoeren naar de mogelijkheden om het ontstaan van afvalstoffen met FRD, E1 of polyfluoro-olefinen te reduceren. Het onderzoek moet binnen zes maanden na het inwerkingtreden van dit besluit ter goedkeuring aan het bevoegd gezag worden overgelegd. De in het onderzoek beschreven zekere maatregelen moeten worden uitgevoerd.

In voorschrift 4.2.2 staat dat de drijver van de inrichting eenmalig van FRD, E1 en polyfluoro-olefinen een sluitende balans opstelt, zowel per fabrieksonderdeel als voor de hele inrichting. In de balans is per afvalstof opgenomen op welke wijze en hoeveel FRD, E1 en polyfluoro-olefinen de inrichting verlaten (als product, afvalstof of emissie naar lucht, bodem of water) en op welke wijze en hoeveel FRD, E1 en polyfluoro-olefinen in de inrichting ontstaan of zich ophopen. Bij significante wijzigingen in de procesvoering of aan- en afvoer van grond-, hulp- en afvalstoffen moet de balans geactualiseerd worden. De balans moet binnen zes maanden na het inwerking treden van dit besluit zijn opgesteld, en ter goedkeuring aan het bevoegd gezag worden overgelegd.

10.2.

Verzoekster stelt dat het niet mogelijk is om aan de voorschriften 4.1.1 tot en met 4.1.3 te voldoen. Bij de inrichting is sprake van meer dan 60 verschillende afvalstromen. Deze zijn zodanig wisselend van samenstelling dat het niet mogelijk is om eenduidig het gehalte aan FRD, E1 en polyfluoro-olefinen te meten. De in voorschrift 4.1.2 genoemde gelijkwaardige bepaling is volgens verzoekster geen reële afwijkingsmogelijkheid, omdat ook daarmee niet eenduidig kan worden bepaald hoeveel van de betreffende stof aanwezig is in de afvalstroom. Volgens verzoekster is het ook niet mogelijk om dit voor alle afvalstromen binnen zes maanden te doen, laat staan om binnen drie maanden voor alle afvalstromen procedures op te stellen. Verzoekster voert verder aan dat deze voorschriften geen milieubelang dienen en onevenredig bezwarend zijn. Voor zover het al mogelijk zou zijn om de gehaltes FRD, E1 en polyfluoro-olefinen nauwkeurig te meten of te bepalen, heeft dit volgens verzoekster geen nut. De afvalstromen worden immers volledig in speciale verbrandingsovens verbrand en keren daarmee niet in het milieu terug. De rapporten van de inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en het landelijk afvalbeheerplan (LAP 3), waar verweerder zich op beroept, bieden volgens verzoekster onvoldoende grondslag voor het opnemen van de voorschriften. Verzoekster heeft ter onderbouwing van haar stellingen een notitie van ingenieurs- en adviesbureau Tauw van 11 mei 2020 overgelegd. Verzoekster voert verder aan dat zij ook niet aan de voorschriften 4.1.4, 4.2.1 en 4.2.2 kan voldoen, omdat deze voorschriften ook uitgaan van een eenduidige meting of bepaling van het gehalte aan FRD, E1 en polyfluoro-olefinen in haar afvalstromen.

10.3.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de voorschriften van belang zijn omdat de afvalverwerker moet weten welke gehaltes aan FRD, E1 en polyfluoro-olefinen in de afvalstromen zitten. Volgens verweerder is dit niet altijd bij de afvalverwerker bekend, juist wanneer die gehaltes betrekkelijk gering zijn. Zonder deze informatie blijft tussen de verschillende schakels in de afvalverwerkingsketen onbekend welke maatregelen nodig zijn om weglekken te voorkomen. Verweerder baseert zich hierbij op de rapporten van de ILT en het beleidskader LAP 3. Volgens verweerder hoeft de registratie niet door middel van een meting te worden gedaan, maar kan dit ook door een goedgekeurde gelijkwaardige bepaling. Het had op de weg van verzoekster gelegen om verweerder te vragen in te stemmen met een gelijkwaardige bepaling in plaats van om een voorlopige voorziening te vragen. Volgens verweerder zou het mogelijk moeten zijn om binnen drie maanden procedures op te stellen voor het bepalen van de gehaltes FRD, E1 en polyfluoro-olefinen in de verschillende afvalstromen.

10.4.

Verzoekster stelt dat zij aan de voorschriften kan voldoen voor zover deze betrekking hebben op de afvalstromen grond, afvalwater en de afvalstromen die FRD bevatten én die gerecycled worden. De voorzieningenrechter ziet daarom in zoverre geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Dit betekent dat de voorschriften in zoverre in werking treden.

10.5.

Verweerder beroept zich op de rapporten van de ILT ‘Afvalstromen van Chemours’ en ‘Vervolgonderzoek afvalstromen van Chemours’. In deze rapporten

staat dat de ILT heeft gesignaleerd dat er een gebrek is aan het delen van informatie. De ILT heeft de afvalverwerkers, de transporteurs, de tankreinigers en de losplaatsen opgeroepen om maatregelen te nemen om emissies naar de leefomgeving te beperken. Tot dit moment wordt daar onvoldoende invulling aan gegeven en kan in de hele keten FRD-besmetting optreden en verontreiniging van de leefomgeving plaatsvinden. Er wordt in de keten pas informatie gedeeld als er 0,1% of meer van een bestanddeel in een chemische stof aanwezig is. Het gevolg hiervan is dat het vrijwel nooit vermeld hoeft te worden en dat veel partijen in de keten niet weten dat er FRD in de (afval)producten voorkomt (of kan komen). Verder doen betrokken marktpartijen geen metingen naar FRD en vragen ook niet naar de samenstelling van het (afval)product om een goed beeld te krijgen van de aanwezigheid van FRD en van mogelijke verspreiding van FRD in de keten, aldus de rapporten.
Verweerder beroept zich verder op het beleidskader LAP 3. In hoofdstuk B.14 staat het beleid omtrent nuttige toepassing van afval met ZZS en worden aanwijzingen gegeven voor de vergunningverlening voor verwerking van afvalstoffen waarin ZZS voorkomen en voor het beoordelen van de overbrenging van zulke afvalstoffen.

10.6.

In het door verzoekster overgelegde rapport van Tauw staat dat de werkwijze zoals beschreven in de voorschriften 4.1.1 tot en met 4.1.3 voor veel afvalstromen van verzoekster niet realistisch is. Het ZZS-gehalte in de meeste afvalstromen die afgevoerd worden naar een afvalverbrandingsinstallatie is zeer laag. De gehaltes kunnen bovendien fluctueren. Door de heterogeniteit van het restafval, zal de gemeten hoeveelheid ZZS steeds variëren. Het is zeer twijfelachtig of er reproduceerbare analyseresultaten kunnen worden verkregen uit de analyses van dergelijk heterogeen materiaal. Het is daarom niet mogelijk om de gehaltes van stoffen eenduidig vast te stellen. Volgens het rapport is het voor de afvalverbranders bovendien niet relevant om analyses te hebben van restafval met geringe gehaltes aan ZZS. Bij de verwerkingsmethode van verbranding is het onduidelijk welk milieubelang met deze voorschriften zou zijn gediend. Voor alle afvalstromen die afgevoerd worden naar verbrandingsinstallaties zijn de genoemde termijnen voor het opstellen van de bemonstering- en analyseprotocollen en het vervolgens implementeren daarvan niet realistisch, aldus het rapport van Tauw. In het rapport staat verder dat hoofdstuk B.14 van het LAP 3 alleen van toepassing is op ZZS-houdende afvalstoffen die beoogd zijn voor nuttige toepassing en niet op het laten vernietigen in afvalverbrandingsinstallaties. Volgens het rapport kan verder op basis van de rapporten van de ILT worden geconcludeerd dat vanwege de aanpassingen die verzoekster heeft gedaan geen problemen meer optreden voor wat betreft informatie en registratie bij de afvalverwerking van FRD-houdende afvalstoffen. Een noodzaak voor extra voorschriften lijkt hiermee niet te kunnen worden gebaseerd op deze rapporten, aldus het rapport van Tauw.

10.7.

De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat het van belang is om te weten in welke afvalstromen FRD, E1 en polyfluoro-olefinen zitten. De verschillende schakels in de afvalverwerkingsketen moeten dit weten, zodat zij maatregelen kunnen nemen om besmetting of verontreiniging te voorkomen.

10.8.

Verweerder heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter vooralsnog echter niet aannemelijk gemaakt dat het ook noodzakelijk is om eenduidig de gehaltes aan FRD, E1 en polyfluoro-olefinen in de verschillende afvalstromen te meten. Verzoekster heeft toegelicht dat de verschillende afvalstromen volledig worden verbrand en daarmee niet in het milieu terugkeren. De voorzieningenrechter ziet gezien de gemotiveerde deskundige betwisting van de rapporten van de ILT en het LAP 3 door het rapport van Tauw nog niet welke meerwaarde het voor de verschillende schakels in de afvalverwerkingsketen heeft om naast de wetenschap dat een afvalstroom FRD, E1 en polyfluoro-olefinen bevat te weten welke precieze gehalte dit betreft. Verweerder heeft bij de huidige stand van de procedure naar het oordeel van de voorzieningenrechter nog niet aannemelijk gemaakt dat dit van belang is voor het verwerkingsproces of voor de maatregelen die moeten worden genomen om besmetting en verontreiniging te voorkomen.

10.9.

De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat verweerder vooralsnog onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voor verzoekster mogelijk is om aan de voorschriften 4.1.1 tot en met 4.1.3 te voldoen. Verzoekster heeft ter illustratie bij een aantal afvalstromen uitgelegd waarom het praktisch niet mogelijk is om eenduidig het gehalte aan FRD, E1 en polyfluoro-olefinen te meten of te bepalen. Dit wordt bevestigd in de door verzoekster overgelegde notitie van Tauw. Verweerder heeft dit onderbouwde standpunt vooralsnog niet voldoende kunnen weerleggen. Het is de voorzieningenrechter vooralsnog bovendien niet duidelijk wat verweerder bedoelt met de term “eenduidig” in voorschrift 4.1.2. Verzoekster heeft toegelicht dat zij een kwantitatieve inschatting van de aanwezigheid van FRD, E1 en polyfluoro-olefinen kan maken, maar dit is volgens verweerder niet voldoende. Verweerder heeft echter ook erkend dat het niet voor alle afvalstromen mogelijk is om de gehaltes precies te bepalen en dat er grote onzekerheidsmarges inzitten. Gelet hierop had van verweerder vanuit een oogpunt van rechtszekerheid verwacht mogen worden dat in de voorschriften meer specifiek wordt aangegeven wat wordt verstaan onder “eenduidig”. Dat de registratie ook mag met een goedgekeurde gelijkwaardige bepaling, leidt niet tot een ander oordeel. Ook die gelijkwaardige bepaling ziet blijkens de tekst van voorschrift 4.1.2. immers op een eenduidige bepaling van het gehalte aan FRD, E1 en polyfluoro-olefinen. Voor zover hiermee is beoogd aan verzoekster ruimte geven om het gehalte voor bepaalde afvalstromen met een grotere onzekerheidsmarge te bepalen, dan had van verweerder mogen worden verwacht dat meer inzicht wordt gegeven in hoe een dergelijke gelijkwaardige bepaling eruit zou kunnen zien.

10.10

De voorzieningenrechter ziet in het verlengde hiervan aanleiding voor het voorlopig oordeel dat verzoekster ook niet kan voldoen aan de voorschriften 4.1.4, 4.2.1 en 4.2.2, aangezien deze voorschriften er van uitgaan dat verzoekster in staat is om de gehaltes aan FRD, E1 en polyfluoro-olefinen in haar afvalstromen te meten of te bepalen. Verweerder heeft in het kader van voorschrift 4.2.2 weliswaar aangegeven dat een “sluitende massabalans” niet betekent dat geen rekening mag worden gehouden met onzekerheden, maar ook op dit punt heeft verweerder naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet voldoende duidelijk kunnen maken aan welke maatstaf de massabalans van verzoekster moet voldoen.

10.11.

De voorzieningenrechter ziet gelet op het voorgaande aanleiding om bij wijze van voorlopige voorziening de volgende voorschriften te schorsen tot zes weken na uitspraak in de bodemprocedure, waarbij geldt dat deze schorsingen geen betrekking hebben op de verplichtingen in de voorschriften ten aanzien van de afvalstromen grond, afvalwater en de afvalstromen die FRD bevatten én die gerecycled worden:

- voorschrift 4.1.1, voor zover hierin staat dat verzoekster het gehalte aan FRD, E1 en polyfluoro-olefinen in afvalstoffen moet registreren;

- voorschrift 4.1.2;

- voorschrift 4.1.3;

- voorschrift 4.1.4, voor zover hierin staat dat verzoekster rapporteert over de hoeveelheden FRD en polyfluoro-olefinen;

- voorschrift 4.2.1, voor zover hierin staat dat het onderzoek een overzicht van het gehalte aan FRD, E1 en polyfluoro-olefinen in gewichtsprocenten moet bevatten;

- voorschrift 4.2.2, voor zover hierin staat dat een sluitende balans wordt opgesteld, waarin per afvalstof is opgenomen hoeveel FRD, E1 en polyfluoro-olefinen de inrichting binnenkomen en verlaten en hoeveel FRD, E1 en polyfluoro-olefinen in de inrichting ontstaan of zich ophopen.

Voorschrift 4.3.1

11.1.

In voorschrift 4.3.1 staat dat afvalstoffen waarvan, op grond van voorschrift 4.1.1, is vastgesteld dat deze FRD, E1 of polyfluoro-olefinen kunnen bevatten, moeten worden gescheiden en gescheiden worden gehouden van andere afvalstoffen.

11.2

Verzoekster voert aan dat niet duidelijk is of het mengverbod in dit voorschrift zo ver strekt dat de afvalstoffen die FRD, E1 of polyfluoro-olefinen kunnen bevatten ook gescheiden van elkaar moeten worden gehouden. Op dit moment worden deze afvalstoffen gezamenlijk in een container afgevoerd en door de afvalverwerker verband, aldus verzoekster.

11.3

Verweerder heeft toegelicht dat dat de werkwijze van verzoekster in principe is toegestaan, mits helder is dat voor twee of meer afvalstoffen verbranden de toegestane verwerkingsmethode is. De voorzieningenrechter ziet gelet op deze uitleg geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Griffierecht en proceskostenveroordeling

12. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek gedeeltelijk toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

13. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1) en op € 9.097,43 ter vergoeding van de kosten van het opstellen van het rapport van Tauw, waar verzoekster om heeft verzocht in het formulier proceskosten van 29 mei 2020. Dit komt uit op een totaalbedrag van € 10.147,43.

13.1.

De kosten van het opstellen van de notitie van Tauw komen naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor vergoeding in aanmerking, omdat deze mede zijn gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening. In de door verzoekster overgelegde factuur staat dat in totaal 58 uur tegen een uurtarief van € 146 en € 160, exclusief BTW, is besteed aan het opstellen van de notitie. De rechtbank acht het aantal uren dat is besteed aan dit rapport redelijk. Gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, in samenhang met artikel 8:36, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, en artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, geldt voor de vergoeding van de gemaakte kosten voor een deskundigenrapport een tarief van ten hoogste € 129,63 per uur. Het te vergoeden bedrag bedraagt dan ook € 7.518,54,- (58 maal € 129,63,-). Dit bedrag moet gelet op artikel 15 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 worden vermeerderd met de daarvoor verschuldigde omzetbelasting van 21%, zodat het totaalbedrag € 9.097,43 bedraagt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het bestreden besluit tot zes weken na uitspraak in de bodemprocedure, voor zover het betreft de volgende voorschriften:

- voorschrift 1.2.1, voor zover het betreft de emissiegrenswaarden die gelden per 1 januari 2021;

- voorschrift 1.2.3a, voor zover hierin staat dat dit voorschrift geldt tot 1 januari 2021;

- voorschrift 1.2.3b;

- voorschrift 2.1.10;

- schorst het bestreden besluit verder tot zes weken na uitspraak in de bodemprocedure, voor zover het betreft de volgende voorschriften, waarbij geldt dat deze schorsingen geen betrekking hebben op de verplichtingen in de voorschriften ten aanzien van de afvalstromen grond, afvalwater en de afvalstromen die FRD bevatten én die gerecycled worden:

- voorschrift 4.1.1, voor zover hierin staat dat verzoekster het gehalte aan FRD, E1 en polyfluoro-olefinen in afvalstoffen moet registreren;

- voorschrift 4.1.2;

- voorschrift 4.1.3;

- voorschrift 4.1.4;

- voorschrift 4.2.1, voor zover hierin staat dat het onderzoek een overzicht van het gehalte aan FRD, E1 en polyfluoro-olefinen in gewichtsprocenten moet bevatten;

- voorschrift 4.2.2, voor zover hierin staat dat een sluitende balans wordt opgesteld, waarin per afvalstof is opgenomen hoeveel FRD, E1 en polyfluoro-olefinen de inrichting binnenkomen en verlaten en hoeveel FRD, E1 en polyfluoro-olefinen in de inrichting ontstaan of zich ophopen;

  • -

    treft de voorlopige voorziening dat het meetrapport van een periodieke meting in voorschrift 3.1.18 vanaf zes weken na uitvoering van de meting voor het bevoegd gezag op locatie beschikbaar moet zijn;

  • -

    wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening voor het overige af;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 354,- aan verzoekster te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 10.147,43, te betalen aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Denters, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.