Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:6066

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
10-07-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1028
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor Het Waaggebouw. Omdat geen van de in artikel 2.10 van de Wabo opgenomen weigeringsgronden zich voordoet, moet de omgevingsvergunning worden verleend. Er is dan ook geen ruimte voor belangenafweging. Het bestemmingsplan is niet evident in strijd met hogere regelgeving. Ook is er geen sprake van strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/1028

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2020 in de zaak tussen

Actiegroep WAAG HET NIET, te Krimpen aan de Lek, eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Zijlstra).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Artica Krimpen B.V.,

(gemachtigde: mr. P.A. Kok).

Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan Artica Krimpen B.V. (hierna: vergunninghoudster) een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van 10 appartementen en een commerciële ruimte (het ‘ Waaggebouw ’) op de locatie [locatie] te Krimpen aan de Lek .

Bij besluit verzonden op 20 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Als gevolg van de maatregelen rond het coronavirus heeft het onderzoek ter zitting met behulp van Skype plaatsgevonden op 8 juni 2020.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar woordvoerder H.G.M. Focke. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en E. Slooten.

Overwegingen

1. Op 27 juni 2018 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van het zogenoemde Waaggebouw in Krimpen aan de Lek , bestaande uit één commerciële ruimte op de begane grond en 10 appartementen.

1.1

Deze aanvraag betreft de activiteit ‘het bouwen van een bouwwerk’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo).

1.2

Verweerder heeft op 24 september 2018 de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Aan dit – in bezwaar gehandhaafde – besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat aannemelijk is dat het bouwplan voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012 (hierna: het Bouwbesluit) en de Bouwverordening Krimpenerwaard 2016 (hierna: de Bouwverordening). Ook is het bouwplan volgens verweerder in overeenstemming met het vigerende bestemmingsplan en is het niet in strijd met de redelijke eisen van welstand.

2. Eiseres is het niet eens met het besluit op bezwaar en voert – samengevat weergegeven – aan dat het vigerende bestemmingsplan te ruime gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden biedt. Volgens eiseres is dit bestemmingsplan door veranderende omstandigheden niet langer actueel en had verweerder dit, voorafgaand aan het besluit op de vergunningaanvraag, moeten herzien. Het vergunde Waaggebouw past volgens eiseres niet op de voorziene locatie, omdat het winkelplein en het nabijgelegen Cultuurhuis hierdoor grotendeels verloren zullen gaan. Bovendien bestaat volgens eiseres geen behoefte aan het Waaggebouw en zal realisatie hiervan leiden tot meer leegstand. Tot slot had verweerder volgens eiseres beter moeten luisteren naar de bezwaren van omwonenden en winkeliers tegen het Waaggebouw .

3. De rechtbank overweegt als volgt.

4. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk;

[…].

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk geweigerd in geval van, kort gezegd, (a) strijd met het Bouwbesluit, (b) strijd met de Bouwverordening, (c) strijd met het bestemmingsplan en (d) strijd met de redelijke eisen van welstand.

4.1

Niet in geschil is dat het bouwplan in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan ‘Dorpskernen’ en dat het voldoet aan het Bouwbesluit, de bouwverordening en de redelijke eisen van welstand. Dat betekent dat geen van de weigeringsgronden uit artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo zich voordoet. Uit artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo volgt dat het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ een gebonden bevoegdheid is. Dit wil zeggen dat een omgevingsvergunning voor deze activiteit slechts wordt geweigerd indien zich een van de in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo opgenomen weigeringsgronden, dan wel de in artikel 2.20, eerste lid, van de Wabo opgenomen weigeringsgrond voordoet. Doet geen van deze weigeringsgronden zich voor, dan moet de omgevingsvergunning worden verleend. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) van 6 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1866). Dit wettelijk kader laat verweerder dus – anders dan eiseres kennelijk meent – geen ruimte voor het afwegen van andere belangen.

4.2.

Voor zover eiseres de inhoud en de wijze van totstandkoming van het bestemmingsplan ‘Dorpskernen’ ter discussie heeft willen stellen, overweegt de rechtbank als volgt. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 25 juni 2013 en inmiddels onherroepelijk. Dat wil zeggen dat tegen het bestemmingsplan zelf geen beroep meer open staat. De mogelijkheid om in een procedure over een omgevingsvergunning de gelding van het bestemmingsplan aan de orde te stellen, strekt niet zover dat dit bestemmingsplan aan dezelfde toetsingsmaatstaf wordt onderworpen als de toetsingsmaatstaf die wordt gehanteerd in het kader van een beroepsprocedure tegen het bestemmingsplan zelf. Dit volgt onder meer uit de uitspraak van de AbRvS van 27 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:607). Als in een procedure over een omgevingsvergunning wordt aangevoerd dat de bestemmingsregeling in strijd is met een hogere regeling, dient de bestemmingsregeling slechts onverbindend te worden geacht of buiten toepassing te worden gelaten indien zij evident in strijd is met de hogere regeling. Voor een dergelijke evidentie is onder meer vereist dat de hogere regelgeving zodanig concreet is dat deze zich voor exceptieve toetsing leent. Van evidente strijd met hoger recht is bovendien pas sprake als de rechter zonder nader onderzoek kan vaststellen dat zich strijd met de hogere rechtsnorm voordoet.

4.3

Het is de rechtbank duidelijk dat eiseres zich niet kan vinden in de bouw- en gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Volgens eiseres is het huidige bestemmingsplan te ruim geformuleerd en is het achterhaald. Het enkele feit dat eiseres een andere invulling van het betrokken winkelplein voor ogen staat, is echter niet voldoende om het bestemmingsplan onverbindend te achten of dit buiten toepassing te laten. Zoals hierboven is weergegeven, bestaat hiervoor slechts aanleiding als het bestemmingsplan evident in strijd is met een hogere regeling. Het betoog van eiseres bevat geen aanknopingspunten voor het oordeel dat daarvan sprake is.

4.4.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder in het kader van het verlenen van de omgevingsvergunning enig beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden. Dat verweerder bij de totstandkoming van het bestemmingsplan en het plan om het dorpshart van Krimpen aan de Lek te ontwikkelen volgens eiseres beter naar de inwoners had moeten luisteren, en nieuw onderzoek had moeten doen naar de wenselijkheid van ‘Het Waaggebouw ’ brengt – wat hiervan verder ook zij – niet met zich dat de omgevingsvergunning op onrechtmatige of onzorgvuldige wijze is verleend. Zoals is overwogen onder 4.1. was verweerder bij het besluit op de aanvraag van vergunninghoudster immers gebonden aan het dwingende beoordelingskader uit artikel 2.10 van de Wabo.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.P. Brand, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 23 juni 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.