Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:6060

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-06-2020
Datum publicatie
06-07-2020
Zaaknummer
19/4871
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afgeleide verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd (nareis asiel), intrekking, openbare orde, glijdende schaal, Gezinsherenigingsrichtlijn, unierechtelijke openbare-orde-criterium, arrest G.S.

Het HvJ EU heeft in het arrest van 12 december 2019 (G.S., ECLI:EU:C:2019:1072) geoordeeld dat artikel 6, tweede lid, Gezinsherenigingsrichtlijn betrekking heeft op een norm die minder veeleisend is dan het unierechtelijke openbare-orde-criterium. Verder volgt uit dat arrest dat de bevoegde autoriteiten alleen kunnen vaststellen dat een onderdaan van een derde land een bedreiging van de openbare orde vormt op basis van de loutere omstandigheid dat die onderdaan voor een strafbaar feit is veroordeeld, indien dit feit zo ernstig of van dien aard is dat het noodzakelijk is het verblijf van deze onderdaan op het grondgebied van de betrokken lidstaat uit te sluiten. Een en ander betekent dat bij een intrekking van een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd nareis de staatssecretaris niet hoeft aan te tonen dat de desbetreffende vreemdeling voldoet aan het unierechtelijke openbare-orde-criterium en dat de staatssecretaris in beginsel de glijdende schaal kan toepassen.

Artikel 8 van het EVRM, privéleven, inmenging, belangenafweging, motivering.

Volgens de rechtbank heeft de staatssecretaris niet deugdelijk gemotiveerd dat de door hem gemaakte afweging heeft geresulteerd in een "fair balance" tussen enerzijds het belang van eiser bij privéleven hier te lande en anderzijds het belang van de bescherming van de openbare orde. In de door de rechtbank genoemde omstandigheden heeft de staatssecretaris eiser niet kunnen tegenwerpen dat hij onvoldoende heeft laten zien dat zijn gedrag sinds het misdrijf van 10 april 2016 (straatroof) in positieve zin is veranderd. Eiser heeft veeleer aannemelijk gemaakt dat hij ondanks zijn posttraumatische stressstoornis en zwakbegaafdheid heeft ingezien dat hij hulp nodig had, dat hij hulp heeft ingeschakeld, en dat hij mede daardoor een positieve gedragsverandering heeft kunnen bewerkstelligen. In dat licht heeft de staatssecretaris aan de vernieling die eiser op 25 augustus 2018 heeft gepleegd niet de consequentie kunnen verbinden dat eiser nog steeds een gevaar is voor de openbare orde, temeer nu eiser hiervoor slechts is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 week. Verder staat vast dat eiser op zijn dertiende naar Nederland is gekomen en dat hij ten tijde van het bestreden besluit zo’n achtenhalf jaar in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning. Verder is niet in geschil dat eiser heeft gebroken met vrienden die een slechte invloed op hem hebben en dat hij nauwe banden heeft met zijn in Nederland verblijvende moeder en zussen die hem steunen bij het maken van de juiste beslissingen. De staatssecretaris heeft gelet op alle omstandigheden, mede in onderlinge samenhang bezien, niet kunnen concluderen dat de belangen van eiser om in Nederland het recht op privéleven uit te oefenen niet doorslaggevend zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/4871

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 juni 2020 in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R. Deniz-Ramnun),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris

(gemachtigde: mr. S. Aboulouafa).

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris eisers verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht per 10 april 2016. Dat besluit is mede een terugkeerbesluit. Ook heeft de staatssecretaris eiser een vertrektermijn onthouden en een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De gronden van beroep dateren van 29 juli 2019.

Bij brief van 30 januari 2020 heeft eiser stukken ingediend.

Op 6 februari 2020 heeft de staatssecretaris een verweerschrift ingediend.

Op 11 februari 2020 heeft de staatssecretaris stukken ingediend.

Op 12 februari 2020 heeft eiser stukken ingediend.

De zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2020. Eiser is naar de zitting gekomen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook zijn de moeder van eiser en [naam] , eisers begeleidster vanuit de Regionale Instelling voor Beschermend en Begeleid Wonen (RIBW), naar de zitting gekomen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser is geboren op 5 september 1997 en heeft de Somalische nationaliteit.

Eiser is in 2010, op dertienjarige leeftijd, Nederland binnengekomen. Op 22 december 2010 is aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in het kader van nareis verleend. Op 20 januari 2016 is de geldigheidsduur van de aan eiser verleende verblijfsvergunning verlengd tot 3 november 2020.

2. Op 12 oktober 2016 heeft de rechtbank Oost-Brabant eiser veroordeeld tot 21 maanden gevangenisstraf waarvan 7 maanden voorwaardelijk voor een op 10 april 2016 in vereniging gepleegde overval. Deze veroordeling is onherroepelijk.

3. Op 7 december 2016 heeft de staatssecretaris een voornemen uitgebracht tot intrekking van eisers verblijfsvergunning asiel en oplegging van een inreisverbod. Daarbij is eiser in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze op dat voornemen naar voren te brengen. Eiser heeft bij brief van 5 januari 2017 van die gelegenheid gebruik gemaakt en een zienswijze ingediend. Op 31 maart 2017 is eiser gehoord door een ambtelijke hoorcommissie. Bij brieven van 25 januari 2017, 14 april 2017, 15 december 2017 en 5 november 2018 heeft eiser zijn zienswijze aangevuld en aanvullende informatie ingebracht.

4. Eiser is aansluitend aan zijn strafrechtelijke detentie in mei 2018 gaan deelnemen aan een begeleid wonentraject bij de RIBW. Dat traject richt zich op verzelfstandiging van jongens in de leeftijd van 16 tot 26 die (onder meer) een justitieel verleden hebben.

5. Op 11 december 2018 heeft de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant eiser veroordeeld tot 1 week gevangenisstraf voorwaardelijk voor een op 25 augustus 2018 gepleegde vernieling. Deze veroordeling is onherroepelijk.

Intrekking op grond van de openbare orde: het unierechtelijke openbare-orde-criterium of de glijdende schaal?

6. Eiser heeft allereerst aangevoerd dat de staatssecretaris een verblijfsvergunning asiel alleen kan intrekken, als het persoonlijke gedrag van de vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast (hierna ook wel: het unierechtelijke openbare-orde-criterium).

7. De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris eisers verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), in samenhang met artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000

(Vb 2000), heeft ingetrokken met terugwerkende kracht per 10 april 2016. Daarbij heeft de staatssecretaris de glijdende schaal als bedoeld in het derde lid van artikel 3.86 van het Vb 2000 toegepast. In dat kader heeft de staatssecretaris in aanmerking genomen dat eiser voor een op 10 april 2016 gepleegd strafbaar feit onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 14 maanden en dat eiser op die datum een verblijfsduur in Nederland had van ten minste vijf jaar, maar minder dan zes jaar. Zoals de staatssecretaris op de zitting desgevraagd heeft bevestigd, heeft hij bij het nemen van het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning alleen getoetst aan de – nationaalrechtelijke – glijdende schaal en niet (tevens) aan het unierechtelijke openbare-orde-criterium.

8. Verder stelt de rechtbank vast dat het hier aan de orde zijnde besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning betrekking heeft op een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van nareis. Niet in geschil is dat zo’n besluit valt onder de reikwijdte van artikel 6, tweede lid, van richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PB 2003 L 251, met rectificatie in PB 2012 L 71; hierna: de Gezinsherenigingsrichtlijn). Dat artikellid luidt als volgt:

"De lidstaten kunnen een verblijfstitel van een gezinslid intrekken of verlenging ervan weigeren om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid.

De lidstaat neemt bij zijn besluitvorming naast artikel 17 ook de ernst van de inbreuk of het soort van inbreuk van het gezinslid op de openbare orde of de openbare veiligheid in

overweging, of het risico dat van die persoon uitgaat."

De rechtbank wijst in dat verband op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 12 december 2019, inzake G.S., ECLI:EU:C:2019:1072. Uit dat arrest leidt de rechtbank af dat in die zaak twee gevallen voorlagen waarin de staatssecretaris, net als in dit geval, de – nationaalrechtelijke – glijdende schaal heeft toegepast. De verwijzende rechter heeft zich afgevraagd of de staatssecretaris moet aantonen dat de persoonlijke gedragingen van de betrokken onderdaan van een derde land een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormen voor een fundamenteel belang van de samenleving (zie onder meer de punten 14, 18, 26 en 33 van genoemd arrest). Het Hof heeft geoordeeld dat artikel 6, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn betrekking heeft op een norm die minder veeleisend is dan het unierechtelijke openbare-orde-criterium (zie de punten 53 en 57). Verder volgt uit dat arrest dat de bevoegde autoriteiten alleen kunnen vaststellen dat een onderdaan van een derde land een bedreiging van de openbare orde vormt op basis van de loutere omstandigheid dat die onderdaan voor een strafbaar feit is veroordeeld, indien dit feit zo ernstig of van dien aard is dat het noodzakelijk is het verblijf van deze onderdaan op het grondgebied van de betrokken lidstaat uit te sluiten (zie punt 66). Een en ander betekent dat bij een intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van nareis de staatssecretaris niet hoeft aan te tonen dat de desbetreffende vreemdeling voldoet aan het unierechtelijke openbare-orde-criterium en dat de staatssecretaris in beginsel de glijdende schaal kan toepassen. De beroepsgrond faalt.

Intrekking in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)?

9. Eiser heeft vervolgens aangevoerd dat de intrekking van zijn verblijfsvergunning in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Tussen hem en zijn ouders en zussen is sprake is van “more than the normal emotional ties”. Door die intrekking is (voorts) sprake van inmenging in zijn recht op gezins- en privéleven als bedoeld in die verdragsbepaling. Die inmenging is gelet op zijn persoonlijke omstandigheden niet gerechtvaardigd, aldus eiser.

10. Ingevolge artikel 3.86, zeventiende lid, van het Vb 2000 wordt de aanvraag niet afgewezen, als uitzetting van de vreemdeling in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM. Niet in geschil is dat deze bepaling ook van toepassing is op een eventuele intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in het kader van nareis.

11. De staatssecretaris is ervan uitgegaan dat in dit geval geen sprake is van beschermenswaardig gezinsleven maar wel van beschermenswaardig privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Verder heeft de staatssecretaris voor de vraag of de inmenging in eisers privéleven gerechtvaardigd is een belangenafweging gemaakt tussen de belangen van eiser om in Nederland het recht op privéleven uit te oefenen enerzijds en het algemeen belang van de Nederlandse staat om de openbare orde te beschermen anderzijds. Bij die belangenafweging heeft de staatssecretaris de criteria betrokken waarmee volgens de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 2 augustus 2001, Boultif tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2001:0802JUD005427300, en 18 oktober 2006, Üner tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2006:1018JUD004641099, rekening moet worden gehouden indien openbare ordeaspecten in de belangenafweging worden betrokken. Daarbij heeft de staatssecretaris onder meer in aanmerking genomen dat eiser op 10 april 2016 tezamen en in vereniging met een ander een straatroof heeft gepleegd, waarbij fors geweld tegen het slachtoffer is gebruikt en het slachtoffer blijvend letsel aan een oog heeft opgelopen. Nu de staatssecretaris op de zitting heeft verklaard dat hij heeft getoetst aan de – nationaalrechtelijke – glijdende schaal, gaat de rechtbank ervan uit dat de staatssecretaris vindt dat in zoverre wordt voldaan aan die glijdende schaal en niet, zoals in het bestreden besluit staat, (ook) aan het unierechtelijke openbare-orde-criterium. Verder heeft de staatssecretaris onder meer het tijdsverloop sinds het misdrijf, de gedragingen van eiser gedurende die tijd, de familieomstandigheden, de duur van het verblijf in Nederland, en de hechtheid van de sociale, culturele en familiebanden met Nederland en met het land van herkomst bij zijn besluitvorming betrokken.

12. De beroepsgrond van eiser dat tussen hem en zijn ouders en zussen sprake is van “more than the normal emotional ties” als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, faalt. De staatssecretaris heeft terecht in aanmerking genomen dat eiser zelfstandig woont sinds hij deelneemt aan het begeleidwonentraject. Gelet hierop heeft de staatssecretaris terecht aan de omstandigheid dat eiser meerdere dagen in de week doorbrengt met zijn familie en dagelijks contact met ze heeft, geen overwegende waarde toegedicht.

13. Ten aanzien van de beroepsgrond van eiser dat de inmenging in zijn recht op privéleven niet is gerechtvaardigd, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank volgt de staatssecretaris op zich in zijn standpunt dat de door eiser op 10 april 2016 gepleegde straatroof zeer ernstig is, vooral gelet op de gevolgen voor het slachtoffer. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris echter niet deugdelijk gemotiveerd dat de door hem gemaakte afweging heeft geresulteerd in een "fair balance" tussen enerzijds het belang van eiser bij privéleven hier te lande en anderzijds het belang van de bescherming van de openbare orde. De staatssecretaris heeft als het gaat om de gedragingen van eiser gedurende het tijdsverloop sinds het misdrijf van 10 april 2016 het trajectverslag van RIBW Brabant van 31 oktober 2018 betrokken. Uit dat verslag blijkt dat eiser vrijwillig heeft gekozen voor het begeleidwonentraject en dat hij zelf inzag dat hij hulp nodig had bij het opnieuw inrichten van zijn zelfstandige bestaan. Uit dat verslag blijkt ook dat eiser stappen heeft gezet: eiser heeft zijn financiën weer in eigen beheer genomen en hij heeft voor zijn inburgeringsplicht inmiddels de examens luistervaardigheid, leesvaardigheid, kennis Nederlandse maatschappij en spreekvaardigheid gehaald. Een werktraject was minder succesvol, omdat volgens de rapporteur eiser qua arbeidsethos nog leerpunten heeft, maar in het verslag wordt vervolgens benadrukt dat eiser op het punt staat zijn inburgering af te ronden en dat eiser de wens heeft om daarna een opleiding te gaan volgen. Verder is in het verslag vermeld dat eiser wordt gesteund door zijn familie die hem helpt bij het maken van de juiste keuzes. Ten slotte staat in dat verslag dat eiser de wens heeft om naar een zelfstandige woonvorm te gaan en dat de haalbaarheid hiervan vooral afhankelijk is van inkomsten. Verder is van belang dat een GZ-psycholoog bij eiser een posttraumatische stressstoornis en zwakbegaafdheid heeft vastgesteld, zoals blijkt uit de overgelegde rapportage ‘trajectbehandelplan’ met ‘datum bespreking’ 20 juli 2015 en een brief van 14 september 2015, beide van de Ottho Gerhard Heldringstichting in Zetten, een behandelcentrum voor jongeren met ernstige gedragsproblemen. In dat licht begrijpt de rechtbank niet waarom de staatssecretaris erop wijst dat in een overgelegde instemmingsverklaring ‘gedragswetenschapper bij het verzoek machtiging gesloten jeugdzorg’ van 10 april 2015 is vermeld dat de ouders van eiser ontkennen dat hij is getraumatiseerd. Ook een overgelegd reclasseringsadvies van 19 januari 2017, waarnaar de staatssecretaris heeft verwezen, gaat ervan uit dat eiser een traumatisch verleden heeft. In deze omstandigheden heeft de staatssecretaris eiser niet kunnen tegenwerpen dat hij onvoldoende heeft laten zien dat zijn gedrag sinds het misdrijf in positieve zin is veranderd. Eiser heeft veeleer aannemelijk gemaakt dat hij ondanks zijn posttraumatische stressstoornis en zwakbegaafdheid heeft ingezien dat hij hulp nodig had, dat hij hulp heeft ingeschakeld, en dat hij mede daardoor een positieve gedragsverandering heeft kunnen bewerkstelligen. In dat licht heeft de staatssecretaris aan de vernieling die eiser op 25 augustus 2018 heeft gepleegd niet de consequentie kunnen verbinden dat eiser nog steeds een gevaar is voor de openbare orde, temeer nu eiser hiervoor slechts is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 week. Verder staat vast dat eiser op zijn dertiende naar Nederland is gekomen en dat hij ten tijde van het bestreden besluit zo’n achtenhalf jaar in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning. Verder is niet in geschil dat eiser heeft gebroken met vrienden die een slechte invloed op hem hebben en dat hij nauwe banden heeft met zijn in Nederland verblijvende moeder en zussen die hem steunen bij het maken van de juiste beslissingen. De staatssecretaris heeft gelet op alle omstandigheden, mede in onderlinge samenhang bezien, niet kunnen concluderen dat de belangen van eiser om in Nederland het recht op privéleven uit te oefenen niet doorslaggevend zijn.

14. Het voorgaande betekent dat de staatssecretaris het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Dit geldt dan ook voor de aan eiser onthouden vertrektermijn en het aan hem opgelegde inreisverbod, aangezien die besluiten overwegend op het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning zijn gebaseerd.

15. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten of een bestuurlijke lus toe te passen. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om te bepalen dat de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen, omdat sprake is van een ambtshalve genomen belastend besluit. Als de staatssecretaris echter eisers verblijfsvergunning nog steeds wil intrekken, zal hij in het nieuw te nemen besluit in acht moeten nemen wat in deze uitspraak is overwogen.

16. Voor zover de staatssecretaris niet meer ertoe overgaat om eisers verblijfsvergunning – met alsnog een deugdelijke motivering – in te trekken, hecht de rechtbank eraan op te merken dat eiser op het rechte pad moet blijven. Als eiser toch weer strafbare feiten pleegt, dan kan een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM wel degelijk in zijn nadeel uitvallen.

17. De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten die eiser heeft gemaakt. Die kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op

€ 1.050,– (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting met een waarde per punt van € 525,– en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,–, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D.M. Michael, voorzitter, en
mr. M.H. Dworakowski-Kelders en mr. G.J.W.M. Kipping, leden, in aanwezigheid van
mr. D.S. Arjun Sharma, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 4 juni 2020.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.