Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:6059

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
06-07-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 610
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Aanvraag vbv bij partner afgewezen, geen enkele onderbouwing van de relatie. Skype zitting. Aanhoudingsverzoek afgewezen. Beroep ogg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 20/610 (beroep)

AWB 19/8111 (voorlopige voorziening)

AWB 20/521 voorlopige voorziening)

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum 1] , eiseres en verzoekster, hierna: eiseres,

mede namens haar minderjarige zoon

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum 2] , eiser en verzoeker, hierna: eiser,

beiden van Braziliaanse nationaliteit,

samen ook: eisers

(gemachtigde: mr. M. Dorgelo),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Saglik).

Procesverloop

Het verzoek om voorlopige voorziening AWB 19/8111

Met het besluit van 24 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers van 13 mei 2019 om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 met als doel “verblijf bij partner [persoon] ” (referent) afgewezen.

Op 22 oktober 2019 hebben eisers verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar is beslist.

Met het besluit van 21 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Het beroep AWB 20/610

Eisers hebben op 27 januari 2020 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het verzoek om voorlopige voorziening AWB 20/521

Eisers hebben op 22 januari 2020 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe dient de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

Alle zaken

De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en verzoek behandeld op de zitting van 3 juni 2020. In verband met overheidsmaatregelen die zijn uitgevaardigd als gevolg van de uitbraak van het Corona-virus vond deze zitting via een videoverbinding plaats. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

Alle zaken

1. Eisers hebben om vrijstelling van het griffierecht verzocht. Zij hebben hun verzoek onderbouwd met een verklaring van afwezigheid van inkomen en vermogen. Mede gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 februari 20151 is de rechtbank van oordeel dat het beroep op betalingsonmacht moet worden gehonoreerd, zodat eisers vrijgesteld zijn van de verplichting tot het betalen van griffierecht.
Het verzoek om voorlopige voorziening AWB 20/521

2.1.

Op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar gelijkgesteld met een verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep.

2.2.

Het verzoek om voorlopige voorziening wat is geregistreerd onder nummer AWB 19/8111 geldt dan ook als verzoek om voorlopige voorziening hangende het beroep. De gemachtigde van eisers heeft het verzoek onder nummer AWB 20/521 op de zitting ingetrokken. Er is in deze zaak geen griffierecht geheven.
Het aanhoudingsverzoek

3.

3.1.

De gemachtigde van eisers heeft op de zitting verzocht om de zaak aan te houden, zodat eisers gehoord kunnen worden op zitting en nadere stukken overgelegd kunnen worden. Omdat de gemachtigde op korte termijn op hoogte is gesteld van de skype zitting, was het voor haar niet meer mogelijk om dit voor de skype zitting te regelen.

3.2.

De rechtbank wijst beide verzoeken af. De rechtbank heeft artikel 8:52 van de Awb toegepast, inhoudende dat de bestuursrechter kan bepalen dat de zaak versneld wordt behandeld waarbij termijnen kunnen worden bekort, de zogenoemde versnelde behandeling. Dit is kenbaar gemaakt in de uitnodiging en op rechtspraak.nl. De gemachtigde vertegenwoordigt eisers. Toen de zitting werd gepland heeft de gemachtigde niet aangegeven dat zij wilde dat eisers ook zouden worden gehoord, noch heeft zij bezwaar gemaakt tegen de voorgestelde behandeldatum. De stelling ter zitting dat met de griffier gecommuniceerd zou zijn dat er voor eisers geen mogelijkheid zou zijn om ook een skype link te krijgen is niet aannemelijk geworden nu daarvan niet blijkt uit de e-mailwisseling in het dossier, nog daargelaten dat het gemachtigde uiteraard geheel vrij stond eisers via een zelf te initiëren zogenoemde conferencecall bij de zitting te betrekken. Het eerst ter zitting gedane verzoek om alsnog stukken aan te leveren, is naar het oordeel van de rechtbank te laat gedaan in het licht bezien van de omstandigheid, dat acht dagen voor de zitting bij gemachtigde bekend was dat deze zitting zou plaatsvinden en de gemachtigde daar niet aanstonds op heeft gereageerd door alsnog stukken in te leveren of aanstonds te vragen of daartoe nog gelegenheid werd geboden.
Het beroep AWB 20/610

4.

4.1.

Op 9 mei 2019 heeft een huisbezoek plaatsgevonden waarbij eisers zijn aangetroffen. Omdat is gebleken dat eisers niet over een geldige verblijfsvergunning beschikten, heeft verweerder aan hen een terugkeerbesluit opgelegd. Eiseres heeft op 13 mei 2019 beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit en op dezelfde datum een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning voor het doel ‘verblijf bij partner [persoon] ’ en ‘gezinshereniging bij ouder, [eiseres] ’. Met de uitspraak van 1 oktober 2019 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep tegen het terugkeerbesluit ongegrond verklaard. Eiseres heeft geen hoger beroep ingesteld, zodat het terugkeerbesluit in rechte vast staat.

4.2.

Verweerder heeft de aanvraag voor een verblijfsvergunning afgewezen, omdat eisers niet beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en volgens verweerder ook niet in aanmerking komen voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Eiseres heeft aangegeven dat haar zoon medische klachten heeft en hiervoor een behandeling ondergaat, maar deze omstandigheden niet met stukken onderbouwd. Eiseres heeft geen enkel bewijs overgelegd van haar gestelde relatie met referent. Referent heeft de referentverklaring niet ondertekend, de vragenlijst is niet overgelegd en referent was niet aanwezig tijdens de afspraak aan het IND loket. Eiseres heeft geen ongehuwdverklaring overgelegd. De belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM2, zo die al gemaakt zou moeten worden, valt in eisers’ nadeel uit.

5. Verweerder heeft de afwijzing na bezwaar gehandhaafd in het bestreden besluit. Eisers hebben in bezwaar aangegeven dat bewijsstukken nog zullen volgen, maar deze stukken zijn niet overgelegd. Verweerder handhaaft zijn standpunt dat niet gebleken is van een duurzame en exclusieve relatie met referent. Verweerder neemt daarom ook geen stiefouder-kindrelatie aan tussen referent en de zoon van eiseres.

6. Eisers stellen dat zij de onderbouwende documenten meermalen in verschillende procedures heeft doen toekomen en vermeldt deze stukken als bijlage bij het beroepschrift, waarbij zij aangeven dat de documenten nog zullen volgen. Eisers overleggen een geapostillieerde geboortecertificaat van eiser en enkele foto’s. Daarnaast kondigen eisers aan dat zal worden overgelegd een verklaring van de schoolarts, de volgens eisers eerder overgelegde getekende relatieverklaring, foto’s, whatsapp conversaties, stukken waaruit blijkt dat zij allen hetzelfde adres hebben waaronder een stuk van woningbouwvereniging [bedrijf] , de eerder overgelegde ongehuwdverklaring, stukken over de omgang tussen referent en zijn kinderen in het Verenigd Koninkrijk en stukken over de intensieve activiteiten voor de kerk.
Heeft verweerder de aanvraag kunnen afwijzen?

7. Niet in geschil is dat eisers niet beschikken over een geldige mvv. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eisers allerlei documenten hebben toegezegd, maar dat zelfs in beroep de meest essentiële bewijzen voor de gevraagde vergunning ontbreken. Zo ontbreken stukken waaruit blijkt dat eiser onder medische behandeling staat en waaruit kan worden afgeleid dat hij mogelijk niet in staat is om te reizen. Anders dan eisers stellen heeft de rechtbank in het dossier geen door referent ondertekende relatieverklaring aangetroffen of stukken waaruit blijkt dat eiseres en referent een gemeenschappelijke huishouding voeren of familie- en gezinsleven uitoefenen. Eisers hebben in beroep een aantal foto’s overgelegd, maar de rechtbank kan uit deze foto’s niet opmaken dat zij en referent familie- of gezinsleven uitoefenen. Op de zitting heeft de gemachtigde nog aangevoerd dat familieleven kan worden afgeleid uit de inschrijving van eiser op het [school] . Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit de adressering van de overgelegde brief weliswaar zou kunnen worden opgemaakt dat eisers en referent op één adres verblijven, maar niet dat reeds daarom sprake is van familieleven. Daarmee is het familieleven niet aannemelijk gemaakt.

Verweerder heeft dan ook op goede gronden de aanvraag afgewezen.
Conclusie

8. Het beroep is ongegrond.
Het verzoek om voorlopige voorziening AWB 19/8111

9. De gevraagde voorziening dient om de uitzetting te verbieden tot vier weken nadat is beslist op het beroep. Omdat op het beroep is beslist, is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Over het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

10. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 20/610,

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 19/8111,

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Sloot, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

(voorzieningen)rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Tegen de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

1 ECLI:NL:CRVB:2015:282.

2 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.