Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:6041

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-06-2020
Datum publicatie
07-07-2020
Zaaknummer
C/09/593605 / FA RK 20-3394
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing rechterlijke machtiging tot opname en verblijf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaak-/rekestnr.: C/09/593605 / FA RK 20-3394

Datum beschikking: 16 juni 2020

Afwijzing rechterlijke machtiging tot opname en verblijf

Beschikking naar aanleiding van het op 28 mei 2020 door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een machtiging voor de duur van zes maanden als bedoeld in artikel 24 van de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:

[de vrouw] ,

hierna te noemen: cliënt,

geboren op [geboortedag] 1977 te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

thans verblijvende in de accommodatie: [verblijfplaats] ,

advocaat: mr. N.C.E.C. Luns te Alkmaar.

Procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 28 mei 2020.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:

- een indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van

4 augustus 2014;

- een aanvraag voor een rechterlijke machtiging aan het CIZ van 6 mei 2020;

- een op 7 mei 2020 ondertekende medische verklaring van een ter zake kundige arts,

[psychiater] , die cliënt met het oog op de machtiging kort te voren heeft onderzocht, maar niet bij diens behandeling betrokken was;

- een verklaring van de zorgaanbieder [verblijfplaats] van de accommodatie waarin cliënt

is opgenomen van 8 mei 2020;

- een signaleringsplan van 28 mei 2020;

- een afschrift van de beschikking waarbij mentorschap is ingesteld en een afschrift

van de beschikking waarbij een mentor is benoemd.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 16 juni 2020.

Bij die gelegenheid zijn op grond van artikel 2 Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid de navolgende personen gelijktijdig telefonisch gehoord door de rechtbank omdat het houden van een fysieke zitting vanwege de geldende veiligheidsmaatregelen met betrekking tot het coronavirus niet mogelijk was:

  • -

    de advocaat, mr. N.C.E.C. Luns;

  • -

    de [gedragsdeskundige/orthopedagoog] ;

  • -

    de [arts verstandelijk gehandicapten] ;

  • -

    de persoonlijk begeleider;

  • -

    de wijkagent;

  • -

    de [mentor]

  • -

    cliënt.

Standpunten ter zitting

Cliënt heeft naar voren gebracht dat een rechterlijke machtiging niet nodig is. In het verlengde daarvan heeft cliënt aangegeven dat zij het prettig vindt dat zij een eigen kamer heeft bij [verblijfplaats] dat zij daar graag wil blijven en haar best wil blijven doen. Client zegt zich goed aan alle afspraken te houden, maar in het kader van de corona-maatregelen was het voor haar soms wel lastig.

De arts verstandelijke gehandicapten heeft naar voren gebracht dat, naast het gegeven dat cliënt zich moeilijk houdt aan de afspraken die gelden rond de coronamaatregelen, zij geen ziektebesef en –inzicht heeft. Daarnaast vertoont cliënt zorgmijdend gedrag waardoor het ernstig nadeel ontstaat. Als zij drugs gebruikt ontstaan er psychotische verschijnselen en neemt zij geen medicatie. Anderen kunnen dan misbruik van haar maken. Dit soort situaties ontstaan als cliënt buiten de instelling is, want haar drang om buiten te zijn is groot. Als cliënt weg is, weet niemand waar zij is. De medicatie neemt zij dan niet in. Hieruit kan worden afgeleid dat er geen sprake is van vrijwilligheid bij cliënt. Een rechterlijke machtiging kan haar helpen om haar structuur te geven binnen de instelling. Het stappenplan voor cliënt is tijdens de coronatijd gehanteerd omdat zij zich juist in deze periode overal tegen verzette. Het stappenplan is niet helemaal doorlopen, er is toen voor gekozen om een rechterlijke machtiging aan te vragen.

De gedragsdeskundige geeft aan dat cliënt al tien jaar bij [verblijfplaats] verblijft en er tot nu toe geen machtigingen nodig zijn geweest. Sinds 2018 laat cliënt geen positief gedrag zien en is begonnen met een andere begeleidingsstijl. Dat had helaas geen effect want zij was regelmatig weg en nam niet meer deel aan activiteiten. Vanaf die periode zijn er ook veel meldingen en klachten ontvangen vanuit de politie. Aan de hand van de rechterlijke machtiging kan cliënt een goede begeleiding krijgen en kan er resultaatgericht gewerkt worden, maar dan is de volle termijn van zes maanden wel nodig. Desgevraagd geeft de gedragsdeskundige aan dat als de aanvraag wordt afgewezen, het stappenplan weer verder wordt toegepast en wordt geprobeerd cliënt zich aan die afspraken te laten houden.

De persoonlijk begeleider heeft naar voren gebracht dat in een besloten behandelsetting het juist heel goed ging met cliënt. Door de andere stijl van begeleiding werd het een open karakter met meer vrijheden en die heeft cliënt aangegrepen om steeds weg te gaan en dan neemt ze de medicatie niet in met alle gevolgen van dien waardoor ernstig nadeel gaat ontstaan. Het verblijf is momenteel vrijwillig, maar door de grote overlast is een rechterlijke machtiging aangevraagd.

De mentor heeft naar voren gebracht dat cliënt een periode in het veiligheidshuis in Leiden heeft verbleven omdat niemand meer wist hoe haar te behandelen. Het wegloopgedrag is hoog. Er zijn grote zorgen.

De advocaat heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de aanvraag dient te worden afgewezen en verwijst daartoe naar een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 maart 2020 met nummer ECLI:NL:RBGEL:2020:2200, waar een vergelijkbare zaak diende en bij welke beslissing het verzoek is afgewezen. Bij cliënt zijn er feitelijk alleen maar zorgen over haar psychische verschijnselen. Subsidiair heeft de advocaat verzocht in het geval het verzoek wordt toegewezen, de duur van de machtiging te beperken tot een periode van twee maanden.

Beoordeling

Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat cliënt lijdt aan een verstandelijke beperking, te weten een licht verstandelijke beperking. Daarnaast is er bij cliënt sprake van een stoornis in het gebruik van middelen.

Deze verstandelijke beperking en de stoornis leidt tot ernstig nadeel. Dit ernstig nadeel bestaat uit:

ernstig lichamelijk letsel;

ernstige verwaarlozing of maatschappelijke teloorgang;

bedreiging van de veiligheid van betrokkene al dan niet doordat hij onder invloed van een

ander raakt;

de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.

De rechtbank stelt vast dat cliënt al vele jaren zonder rechterlijke machtiging in de instelling verblijft. Cliënt heeft aangegeven dat zij haar verblijf ook vrijwillig wil voortzetten. De arts verstandelijk gehandicapten heeft naar voren gebracht dat de rechterlijke machtiging noodzakelijk is om cliënt zorg en structuur te bieden. In navolging van voormelde uitspraak van de rechtbank Gelderland overweegt de rechtbank dat de rechterlijke machtiging op grond van voormeld wetsartikel bedoeld is om het verblijf van cliënt in de instelling te verzekeren. Aan de vereisten voor een onvrijwillige opname als bedoeld in dat artikel is echter niet voldaan. Ook de situatie als genoemd in het vierde lid doet zich niet voor. Ook in het onderhavige geval heeft de noodzakelijk geachte onvrijwillige zorg voornamelijk betrekking op het kunnen bieden van structuur. Deze vorm van onvrijwillige zorg, op te vatten als zorg beschreven in artikel 2, eerste lid, onder h, van de Wzd, kan met toepassing van het stappenplan zonder rechterlijke machtiging worden toegepast. Daarvoor bieden de artikelen 10 en volgende van de Wzd mogelijkheden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.M. van der Kleijn, rechter, bijgestaan door

F.A.M. Vreeswijk als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 16 juni 2020.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 30 juni 2020.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.