Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:6037

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
03-07-2020
Zaaknummer
NL20.8208
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet is gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiseres aan Zweden van een onevenredige hardheid getuigt. Geen aanleiding de aanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de DublinVo aan zich trekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.8208

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R. Hijma),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: K.H.A.M. Elias).

Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen S.M. Razhaci. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres komt uit Iran en is geboren op [1963] . Eiseres heeft op 23 april 2015 in Hongarije een asielaanvraag ingediend en op 2 mei 2016 in Zweden. Daarna heeft zij op 5 februari 2020 een asielaanvraag in Nederland ingediend. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat hij Zweden op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk heeft geacht voor de behandeling van die asielaanvraag.1 Nederland heeft bij Zweden een verzoek om terugname gedaan. Zweden heeft dit verzoek aanvaard.

2. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Volgens eiseres loopt zij door de overdracht aan Zweden risico op indirect réfoulement. Dit reële risico blijkt uit haar in Zweden ongegrond verklaarde beroep tegen de afwijzing van haar asielaanvraag en het daarin vermelde besluit om haar naar Iran uit te wijzen. Eiseres wijst in dit verband op het arrest Jawo2 en het arrest C.K.3 en voert aan dat verweerder die te beperkt heeft uitgelegd. Uit die arresten volgt immers dat het beschermingsniveau van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) verder rijkt dan systeemfouten in de asielprocedure. Het bestreden besluit van verweerder is dan ook in strijd met art 3, tweede lid, van de Dublinverordening, artikel 4 van het Handvest en artikel 15c van de Definitierichtlijn tot stand gekomen. Voor zover verweerder stelt dat Zweden garandeert het asielverzoek in behandeling te nemen, miskent verweerder dat Zweden de asielaanvraag van eiseres heeft afgewezen en er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn die een nieuwe aanvraag met enige kans van slagen zinvol maken. Dus ook een opvolgende aanvraag brengt vrees voor indirect réfoulement met zich. Eiseres wijst hierbij nog op het verschil in toelatingsbeleid ten aanzien van voormalig leden van de ‘mujahedin khalq organisatie’ (MKO). Nederland neemt, anders dan Zweden, in dit soort zaken in de regel een artikel 3 van het EVRM schending aan en biedt internationale bescherming. Op grond van het voorgaande is eiseres van mening dat verweerder haar asielaanvraag in behandeling dient te nemen, zo nodig met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening.

3. De rechtbank overweegt dat in deze procedure alleen ter beoordeling staat welke lidstaat verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van het verzoek om internationale bescherming. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er in het algemeen van uitgaan dat Zweden zijn verdragsverplichtingen ten opzichte van eiseres nakomt. Het ligt daarom op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dat Zweden dit in het algemeen of ten aanzien van eiseres in het bijzonder niet doet.

4. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres hierin niet geslaagd. Eiseres heeft geen informatie overgelegd die aanleiding geeft voor het oordeel dat Zweden zich ten opzichte van haar niet aan zijn internationale verplichtingen houdt. Dat sprake is van (indirect) réfoulement omdat de asielaanvraag van eiseres in Zweden eerder is afgewezen en zij geen nieuwe feiten en omstandigheden aan haar opvolgende asielaanvraag ten grondslag kan leggen, volgt de rechtbank niet. De inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag van eiseres en daarbij de beoordeling van de vraag of eiseres gegronde vrees heeft voor vervolging of een onmenselijke behandeling in Iran, moet juist plaatsvinden in Zweden. De rechtbank overweegt hierbij dat Zweden, net zoals Nederland, gebonden is aan het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), het Vluchtelingenverdrag, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) en verschillende Europese richtlijnen op het gebied van asielrecht. Verder garanderen de Zweedse autoriteiten met de acceptatie van het claimakkoord dat eiseres een effectief rechtsmiddel kan indienen tegen de al afgewezen asielaanvraag.4 Dus moet eiseres, indien zij meent dat er bij een eventuele overdracht vanuit Zweden naar Iran sprake is van een situatie als bedoeld in het arrest Jawo en C.K. of dat Zweden niet juist handelt, omdat eiseres in het verleden lid was van de MKO, dat in Zweden aan de orde stellen. Voor zover eiseres meent dat Zweden zich daarbij niet aan de toepasselijke Verdragen en Richtlijnen houdt, moet eiseres dat in Zweden aan de orde stellen. Dat klagen hierover bij de desbetreffende autoriteiten niet mogelijk zou zijn, is niet gebleken. Voorgaande betekent dat naar het oordeel van de rechtbank verweerder niet onzorgvuldig heeft gehandeld door geen inhoudelijke beoordeling te maken van de door eiseres aangevoerde asielgronden of het verschil in toelatingsbeleid.

5. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in het bestreden besluit in redelijkheid op het standpunt gesteld dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat de verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Evenmin heeft eiseres aannemelijk gemaakt dat er ernstige, op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat zij in Zweden een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest zal lopen bij haar overdracht of als gevolg daarvan. Verweerder heeft alles overziend mogen concluderen dat niet is gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiseres aan Zweden van een onevenredige hardheid getuigt. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien de aanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken. De beroepsgronden slagen niet.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E. van der Does, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

rechtsmiddel overeenkomstig artikel 39 van de Procedurerichtlijn tegen de afwijzing van haar asielaanvraag.

De uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op:

23 juni 2020

Mr. V.E. van der Does

Rechter

Rechtbank Midden-Nederland

L.M. Kleijn

Griffier

Rechtbank Midden-Nederland

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 In artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

2 ECLI:EU:C:2019:218

3 ECLI:EU:C:2017:127

4 Artikel 18, eerste lid, onder d, in samenhang gelezen met artikel 18, tweede lid van de Dublinverordening, waaruit volgt dat Zweden op grond van artikel 18, tweede lid, van de Dublinverordening, ervoor zal zorgen dat eiseres een beroep kan doen op een daadwerkelijk