Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:6034

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-06-2020
Datum publicatie
03-07-2020
Zaaknummer
NL20.7034
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep, Dublinverordening, Duitsland, gesteld minderjarig, registratie Duitsland en eigen onderzoek, ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.7034

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. H. Drenth),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. K.H.A.M. Elias).

Procesverloop

Eiser heeft op 29 december 2019 een asielaanvraag bij verweerder ingediend.

In het besluit van 18 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder besloten de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak NL20.7035, plaatsgevonden op

19 juni 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen

J. Malik. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Wat is de aanleiding voor deze procedure?

1. Eiser komt uit Ethiopië en is in 2014 naar Europa vertrokken. Hij heeft op

17 november 2016 in Duitsland een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is afgewezen. Vervolgens is eiser naar Nederland gekomen en heeft hier een asielaanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. De reden daarvoor is dat volgens verweerder op grond van de Dublinverordening Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, omdat eiser daar eerder een asielaanvraag heeft ingediend.

Waar moet de rechtbank zich over uitlaten?

4. Partijen zijn het niet eens over de leeftijd van eiser. Eiser zegt namelijk dat hij als minderjarige moet worden aangemerkt, terwijl verweerder vindt dat eiser als meerderjarige moet worden aangemerkt. De leeftijd van eiser is van belang, omdat dit bepalend is voor de vraag welk land de asielaanvraag in behandeling neemt. Als eiser als minderjarig moet worden aangemerkt, zal Nederland de asielaanvraag in behandeling nemen. Als eiser als meerderjarig moet worden aangemerkt, zal Duitsland dit moeten doen.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft kunnen concluderen dat eiser meerderjarig is en om die reden de asielaanvraag van eiser niet in behandeling heeft hoeven nemen. Deze conclusie heeft verweerder zowel kunnen baseren op de registratie van eiser in Duitsland, waar hij als meerderjarige is geregistreerd, als op zijn eigen onderzoek (de leeftijdsschouw). Dat in het voornemen de nadruk ligt op het eigen onderzoek en in het bestreden besluit op de registratie in Duitsland, betekent niet dat slechts aan één van beide aspecten doorslaggevend gewicht kan worden toegekend. Beide aspecten kunnen naast elkaar aan het niet in behandeling nemen van de aanvraag ten grondslag worden gelegd.

6. Over de registratie in Duitsland merkt de rechtbank op dat verweerder mag uitgaan van de juistheid van de in Duitsland geregistreerde geboortedatum. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS)1 dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel er in beginsel vanuit mag gaan dat die registratie zorgvuldig tot stand is gekomen en dat eiser dus meerderjarig is. Verweerder hoeft hier geen nader onderzoek naar te doen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat deze in Duitsland geregistreerde geboortedatum onjuist is. Daarvoor heeft eiser echter geen concrete aanknopingspunten aangevoerd. Dat verweerder mag uitgaan van de in Duitsland geregistreerde geboortedatum, betekent overigens niet dat hij die registratie ook per se moet overnemen. Dat is ook niet gebeurd. Op de zitting heeft verweerder toegelicht waarom eiser in Nederland is geregistreerd met een andere geboortedatum ( [1998] ) dan de datum die in Duitsland staat geregistreerd ( [2000] ). Dit komt omdat eiser zijn geboortedatum niet met identiteitsdocumenten heeft aangetoond. In zo’n geval bepaalt verweerder zelf een geboortedatum. Omdat eiser in Duitsland is geregistreerd als evident meerderjarig (20 jaar of ouder) – wat ook volgt uit verweerders eigen onderzoek – heeft verweerder gekozen voor een geboortedatum die daar bij past. Daarom is eiser in Nederland geregistreerd met geboortedatum [1998] . Deze uitleg vindt de rechtbank niet onredelijk.

7. Verder is het de rechtbank niet gebleken dat verweerders eigen onderzoek, de leeftijdsschouw, niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Er is geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder de voorschriften uit de Werkinstructie 2018/19 niet in acht heeft genomen. Eerst heeft er een schouw plaatsgevonden door de Vreemdelingenpolitie. Er is geen aanleiding om te betwijfelen dat twee bevoegde, professionele medewerkers van de Vreemdelingenpolitie deze schouw hebben uitgevoerd. Beide namen staan vermeld in het proces-verbaal en dit stuk is ook door hen beide ondertekend. Dat er slechts één naam in het systeem is ingevoerd, is onvoldoende om hieraan te twijfelen. De uitleg die hierover staat vermeld in het proces-verbaal vindt de rechtbank niet onredelijk. De medewerkers van de

1. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 27 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:653).

Vreemdelingenpolitie hebben geconcludeerd dat eiser evident meerderjarig is. Deze conclusie is vervolgens ook tijdens een tweede schouw door een medewerker van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) getrokken. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de tweede schouw door de IND niet volgens de voorschriften heeft plaatsgevonden, zoals het voorschrift van onafhankelijkheid door vooraf geen kennis te kunnen nemen van de bevindingen van de Vreemdelingenpolitie. De wens van eiser dat uit de stukken duidelijker naar voren moet komen dat de voorschriften ook daadwerkelijk in acht zijn genomen is voorstelbaar, maar dit is onvoldoende om in dit geval te betwijfelen dat het schouwen volgens de voorschriften heeft plaatsgevonden.

8. Het is de rechtbank verder niet gebleken dat de inhoud en conclusies van de schouw niet juist zouden zijn. Verweerder heeft mogen uitgaan van de hierin opgenomen lichamelijke kenmerken, zoals dat eiser opvallende kraaienpoten/rimpels om de ogen heeft, een duidelijk zichtbare adamsappel, stoppels en een lichte snor. Dat eiser dit zelf anders ziet, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat de inhoud van het rapport niet juist is en dat verweerder zich hierop niet zou mogen baseren. Daar komt bij dat de conclusie dat eiser evident meerderjarig is niet alleen gebaseerd is op zijn lichamelijke kenmerken, maar ook op zijn wisselende verklaringen over zijn leeftijd en scholing. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze verklaringen van eiser minder gewicht toe te kennen, omdat er geen gebruik gemaakt is van een registertolk. Vast staat immers dat als in een bepaalde taal er helemaal geen registertolk is, gebruik mag worden gemaakt van een niet-registertolk2. Dat is hier het geval. Verder staat in het proces-verbaal van de eerste schouw een tolkennummer vermeld, zodat kan worden achterhaald wie de tolk was. Bovendien blijkt nergens uit dat eiser de tolk niet goed begreep of dat eiser eigenlijk iets anders of meer had willen verklaren dan hij heeft gedaan. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat er ook geen correcties en aanvullingen zijn ingediend. De verklaring van eiser dat niet valt uit te sluiten dat er iets is misgegaan bij de omrekening via de Ethiopische kalender heeft verweerder ook onvoldoende kunnen vinden om geen waarde aan eisers verklaringen, zoals opgenomen in het proces-verbaal, te kunnen hechten.

9. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser meerderjarig is. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt of aangetoond dat dit niet klopt. Eiser zegt dat hij vanwege overmacht niet aan identiteitsdocumenten kan komen, maar heeft dit niet onderbouwd. Alleen daarom al kan het beroep op overmacht niet slagen.

10. Het voorgaande betekent ook dat alles wat is aangevoerd over de zwaarwegende belangen van een alleenstaand minderjarig kind niet op gaat. Dit behoeft dan ook geen verdere bespreking. Dit geldt ook ten aanzien van de grond dat verweerder een voogd voor eiser had moeten regelen.

11. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder de zienswijze van eiser voldoende heeft betrokken in de besluitvorming. Het klopt dat verweerder in het bestreden besluit niet elk punt uit de zienswijze heeft benoemd. Dit hoeft ook niet. Verweerder heeft in het bestreden besluit voldoende uitgelegd waarom hij eiser aanmerkt als meerderjarige en dat hij de door eiser ingenomen stellingen in de zienswijze niet volgt. Dat hierdoor niet de complete zienswijze kenbaar in het bestreden besluit wordt verwerkt, betekent niet dat het besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen of onvoldoende is gemotiveerd.

2 Zie hiervoor artikel 28, derde lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers.

Wat betekent deze uitspraak?

12. De eindconclusie van deze uitspraak is dat verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling heeft hoeven nemen. Verweerder heeft terecht Duitsland verantwoordelijk geacht voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.

12. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van

mr. S. Westerhof, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:

25 juni 2020

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.