Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:6031

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-06-2020
Datum publicatie
03-07-2020
Zaaknummer
NL20.6688
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Frankrijk. Coronavirus besmettingsgevaar, beroep op artikel 3 EVRM slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.6688

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. T. der Bedrosian),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. Y. Rikken).

Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Naar aanleiding van de maatregelen die zijn getroffen in verband het coronavirus is deze zaak behandeld op 11 juni 2020 door middel van een Skype-beeldverbinding. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser komt uit Syrië en is geboren op [1987] . Eiser is op 13 november 2018 door de buitenlandse vertegenwoordiging van Frankrijk in Burkino Faso in het bezit gesteld van een Schengenvisum dat geldig was voor 90 dagen in de periode van 13 november 2018 tot en met 12 november 2019. Op 15 november 2019 heeft eiser een asielaanvraag in Nederland ingediend. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat hij Frankrijk op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk heeft geacht voor de behandeling van die asielaanvraag.1 Nederland heeft bij Frankrijk een verzoek om overname gedaan. Frankrijk heeft met dit verzoek ingestemd.

2. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser verwijst naar de door hem ingediende zienswijze en stelt dat de inhoud daarvan woordelijk moet worden herhaald en ingelast beschouwd en met name de argumenten waarop verweerder niet is ingegaan.

3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd op de zienswijze is ingegaan. Eiser maakt niet concreet inzichtelijk waarom deze motivering niet juist zou zijn, noch op welke punten van zijn zienswijze verweerder niet is ingegaan. Dit had wel op zijn weg gelegen. Daarom gaat de rechtbank aan deze beroepsgrond voorbij.

4. Eiser voert aan dat vanwege het coronavirus alle overdrachten geannuleerd zijn en hij daarom op dit moment niet kan worden overgedragen aan Frankrijk. Eiser wordt door het reizen naar Frankrijk immers blootgesteld aan besmettingsgevaar en het is een feit van algemene bekendheid dat in Frankrijk het risico op besmetting met het coronavirus hoger ligt dan in Nederland. Daarom is het de vraag of verweerder handelt in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) als hij eiser naar een land stuurt waardoor hij een reële kans loopt op besmetting met het coronavirus. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat het risico op schending van artikel 3 van het EVRM de in de beroepsgronden genoemde bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan verweerder volgens hem de asielaanvraag met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich moet trekken. Verder heeft eiser nog toegevoegd dat hij van mening is dat de Nederlandse autoriteiten met twee maten meet, door enerzijds personen die in iemands gezicht niesen of hoesten strafrechtelijk te vervolgen en anderzijds vreemdelingen wel te willen overdragen aan Frankrijk.

5. De rechtbank overweegt dat het haar ambtshalve bekend is dat alle Dublinoverdrachten van en naar Frankrijk tijdelijk worden opgeschort op grond van de gezondheidssituatie in Frankrijk én Nederland vanwege het coronavirus. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 8 april 2020 geoordeeld dat de omstandigheid dat de overdracht op dit moment niet kan worden uitgevoerd een tijdelijk en feitelijk overdrachtsbeletsel is.2 Het maakt de vaststelling van – in dit geval – Frankrijk als verantwoordelijke lidstaat niet onrechtmatig en staat er niet aan in de weg dat, als dat beletsel is opgeheven, eiser in beginsel kan worden overgedragen.

6. Dat reizen naar Frankrijk op zichzelf genomen betekent dat eiser extra wordt bloot gesteld aan het virus en daarmee een groter risico loopt op een besmetting en dat er daarmee sprake is van een schending van artikel 3 van het EVRM, volgt de rechtbank niet. Het coronavirus heerst in grote delen van de wereld en de kans op besmetting doet zich dus overal voor. Dat eiser door overdracht naar Frankrijk een groter risico op besmetting loopt aldaar en dat er daarmee sprake is van een schending van artikel 3 van het EVRM, heeft hij niet aannemelijk gemaakt of onderbouwd. Dat een persoon strafrechtelijk wordt vervolgd als hij al dan niet het oogmerk heeft, dan wel de kans op de koop toe neemt om een andere persoon te besmetten of te bedreigen met een besmetting door opzettelijk die ander in het gezicht te niesen of hoesten acht de rechtbank bovendien niet vergelijkbaar met het (gedwongen) reizen per trein, bus of vliegtuig.

7. Daarnaast mag verweerder er gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel van uitgaan dat de autoriteiten van Frankrijk zich houden aan hun internationale verplichtingen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan en dat in Frankrijk sprake is van aan het systeem gerelateerde structurele tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat eiser daar een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) of artikel 3 van het EVRM. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel wordt er in beginsel ook vanuit gegaan dat er in Frankrijk sprake is van toegang tot vergelijkbare medische zorg. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer in Frankrijk bij een eventuele besmetting met het coronavirus of vanwege het coronavirus niet de benodigde zorg of, als dat al is aangevoerd, de benodigde opvang zal krijgen. Eiser heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hij zich bij voorkomende problemen niet zal kunnen wenden tot de (hogere) Franse autoriteiten. Eiser heeft met andere woorden niet aannemelijk gemaakt dat er in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

8. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank zijn besluit voldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd en is, gelet op het voorgaande, niet gehouden de asielaanvraag van eiser conform artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken. Van een onvoldoende belangenafweging is de rechtbank evenmin gebleken. De beroepsgronden slagen niet.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

16 juni 2020

Mr. L.A. Banga

Rechter

Rechtbank Midden-Nederland

L.M. Kleijn

Griffier

Rechtbank Midden-Nederland

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 In artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

2 ECLI:NL:RVS:2020:1032