Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5980

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-06-2020
Datum publicatie
02-07-2020
Zaaknummer
8311731 RP VERZ 20-50084
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek werkgever tot betaling vergoeding wegens onregelmatige opzegging (7:677 lid 2 en lid 3 sub a BW) en schadevergoeding (o.g.v. 7:661 BW) toegewezen.

Beroep van werknemer op aangeboden vaststellingsovereenkomst slaagt niet. Aanbod in de vaststellingsovereenkomst herroepen voor aanvaarding. Geen overeenstemming over de essentialia van de vaststellingsovereenkomst voor herroeping. Aanvaarding met meerdere voorwaarden is als tegenbod te beschouwen.

Beoordeling ontslag op staande voet in kader van verweer tegen het schadevergoedingsverzoek. Verweer onvoldoende onderbouwd. Ontslag op staande voet terecht gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0715
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

MLJ/c

Zaaknummer: 8311731 RP VERZ 20-50084

Uitspraakdatum: 5 juni 2020

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Lans Westland B.V.,
gevestigd te Maasdijk,
verzoeker,

hierna te noemen: de werkgever,
gemachtigde: mr. J. Kaldenberg,

tegen

[verweerder]

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de werknemer,

gemachtigde: mr. P. Hoogenraad.

1 Het procesverloop

1.1.

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

  • -

    het verzoek met producties, ingekomen op 7 februari 2020;

  • -

    het verweerschrift met producties, ingekomen op 26 maart 2020;

  • -

    de akte inbrengen producties van de zijde van werknemer van 1 mei 2020.

1.2.

Op 1 mei 2020 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Verschenen zijn de werknemer in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, en namens de werkgever, de heer [betrokkene 1] ( [functie] ) en de heer [betrokkene 2] ( [functie] ) bijgestaan door hun gemachtigde. Daarbij zijn door de gemachtigde van werkgever pleitaantekeningen en door de gemachtigde van werknemer aanvullende producties overgelegd. Van het overige verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt die zich in het procesdossier bevinden.

1.3.

De beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Werkgever is een bedrijf in het Westland dat zich bezighoudt met het telen van diverse soorten tomaten.

2.2.

Werknemer, geboren op [geboortedag] 1986, is vanaf 1 januari 2010 in dienst geweest bij werkgever op de standplaats Maasdijk. Er was sprake van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor de Glastuinbouw van toepassing. De laatste functie die werknemer vervulde was teamleider Verpakken, met een bruto maandsalaris van € 2.874,14 bruto exclusief 8,33% vakantietoeslag.

2.3.

De werkgever teelt hoofdzakelijk zogenaamde ‘klasse I tomaten’ die uitsluitend worden verkocht via de telersorganisatie “Harvest House B.V.”, hierna “Harvest House”. Klasse II tomaten worden incidenteel ook rechtstreeks aan groothandels verkocht.

2.4.

Werknemer was in zijn functie verantwoordelijk voor het afwegen van de tomaten op de vestiging, de controle van de kwaliteit van de verpakte tomaten, de zorg voor de inkomende en uitgaande producten en materialen en de daarbij noodzakelijke registraties en documentatie. De heer [betrokkene 3] , hierna: “ [betrokkene 3] ”, eveneens in dienst bij werkgever, was de leidinggevende van werknemer.

2.5.

Op 27 november 2019 heeft [betrokkene 2] (via de heer [betrokkene 4] van Harvest House, hierna “ [betrokkene 4] ”) vernomen dat [betrokkene 3] aan een vaste relatie van Harvest House, Bircan & Van der Wel B.V., hierna “B&W” zou hebben aangeboden om rechtstreeks aan B&W ‘Klasse I Red Pearl tomaten’ te verkopen voor een lagere prijs dan de prijs waarvoor zij door werkgever worden aangeboden. [betrokkene 3] zou daarbij aan B&W hebben aangegeven reeds te leveren aan Catak Groothandel B.V., hierna “Catak”.

2.6.

Op 28 november 2019 heeft een gesprek over deze melding plaatsgevonden tussen werkgever en [betrokkene 3] . [betrokkene 3] heeft werkgever bij dat gesprek foto’s verstrekt die hij naar zijn zeggen had gemaakt van WhatsApp-berichten op de werktelefoon van werknemer. Het ging om berichten van en naar “Alice-T”.

2.7.

Werkgever heeft op 28 november 2019 geconstateerd dat Transportbedrijf Koos van Gaalen B.V. , hierna “Koos van Gaalen” op het punt stond te vertrekken met vijf pallets tomaten in red pearl dozen, die niet waren geregistreerd in het ordersysteem en dat de pallets niet waren voorzien van de vereiste documentatie. De planner van Koos van Galen, [betrokkene 5] , heeft aan werkgever verklaard dat het een transport betrof naar Catak en dat op vijf eerdere data leveringen zijn geschied aan Catak.

2.8.

Op 28 november 2019 heeft vervolgens ook een gesprek plaatsgevonden tussen werkgever en werknemer. Werknemer heeft betrokkenheid bij deze levering ontkend en gesteld niet bekend te zijn met de opdrachtgever Catak. Werkgever heeft werknemer op 28 november 2019 geschorst en heeft nader onderzoek ingesteld.

2.9.

Op 4 december 2019 heeft werkgever een vaststellingsovereenkomst aangeboden aan werknemer, met hem besproken dat hij erover zou nadenken en een vervolgafspraak gemaakt om 9 december 2019 op het kantoor van werkgever.

2.10.

Op 7 december 2019 heeft de gemachtigde van werknemer een brief verzonden aan werkgever, met – voor zover relevant – de volgende inhoud.

"2. U heeft inmiddels aan cliënt een vaststellingsovereenkomst overhandigd en hem gezegd dat hij maandag 9 december 2019 deze dient te ondertekenen en aan U ter hand dient te stellen. Gelet op de huidige situatie is cliënt in beginsel bereid een vaststellingsovereenkomst met U overeen te komen, echter niet onder de door U opgestelde voorwaarden. Cliënt is bereid akkoord te gaan onder de navolgende voorwaarden:

a. […] Zulks betekent dat de arbeidsovereenkomst zal eindigen op 1 april 2020. Dit dient de einddatum te zijn. […]

d. Opvallend is dat in de vaststellingsovereenkomst door U geen transitievergoeding is vastgesteld terwijl cliënt hier wel recht op heeft. Blijkens bijgaande berekening heeft cliënte recht op een bruto bedrag van € 22.661,--. In de vaststellingsovereenkomst dient dan ook deze transitievergoeding te worden opgenomen. […]

e. Tevens heeft U bepaald dat cliënt tot het einde dienstverband vrijgesteld zal worden van de werkzaamheden. In dit verband merk ik op dat tot het einde van het dienstverband, zijnde 1 april 2020 cliënt gewoon aanspraak maakt op vakantiegeld en de "niet-ziek" bonus van € 1.000,-- netto. Hij is bereid akkoord te gaan met het niet uitbetalen van de niet-genoten vakantiedagen, alsmede de overuren. Art. 3.2 dient op dit punt dan ook te worden gewijzigd.

f. Tevens moge ik U verzoeken een extra bepaling op te nemen […] dat U een vergoeding vaststelt van € 850,-- exclusief btw inzake de kosten van rechtsbijstand.

g. De andere door U opgestelde bepalingen kunnen gehandhaafd blijven."

2.11.

Op of omstreeks 5 december 2019 heeft werkgever een verklaring ontvangen van de eigenaar van Catak, de heer [betrokkene 6] gedateerd 5 december 2019. In de verklaring stelt [betrokkene 6] onder meer:

“(…) De heer [betrokkene 7] kreeg het geld in een envelop van een zoon of kleinzoon van de heer [betrokkene 8] . Voordat de heer [betrokkene 7] het geld bij [betrokkene 2] kwam brengen belde hij naar de medewerker van [betrokkene 2] .

Hij overhandigde het geld bij de roldeur nabij de dozenvouwmachine. (…)

De heer [betrokkene 7] heeft de foto’s van 2 medewerkers gezien. De foto van [werknemer] herkende de heer [betrokkene 7] als een van de medewerkers waaraan hij het geld overhandigde. De foto van [betrokkene 3] was niet goed genoeg voor de heer [betrokkene 7] om met zekerheid te zeggen dat hij de andere medewerker was. (…)”

2.12.

De vervolgafspraak van werkgever en werknemer van 9 december 2019 heeft niet plaatsgevonden. Op 9 december 2019 heeft werkgever gebeld met werknemer en hem medegedeeld dat zij het aanbod in de vaststellingsovereenkomst introk en dat zij werknemer op staande voet ontsloeg. Werknemer heeft tijdens dit gesprek op deze mededelingen niet inhoudelijk gereageerd.

2.13.

Het mondeling gegeven ontslag op staande voet is bij aangetekende brief van 10 december 2019 schriftelijk bevestigd door werkgever. In de brief is onder meer het volgende aangegeven:

“(…) Op donderdag 5 december 2019 is ons nadere informatie ter kennis gekomen, waarin

de aan u gemaakte verwijten voor ons bevestigd zijn. De verwijten zijn zodanig, dat zij een dringende reden vormen om de arbeidsovereenkomst met u onmiddellijk te beëindigen. Na ingewonnen advies hebben wij u op 9 december 2019 ontslag op staande voet aangezegd. Wij wilde u dat mededelen tijdens het geplande gesprek. U kwam — zonder bericht — echter niet opdagen. (…)

De aanvullende informatie die wij op 5 december 2019 hebben ontvangen, bestaat eruit dat wij hebben vastgesteld dat u enveloppen met contant geld heeft aangenomen van de heer [betrokkene 7] , oud-eigenaar van Catak Groothandel. De bevindingen zal ik hierna nader toelichten. Deze brief vormt de aangekondigde schriftelijke bevestiging van het ontslag op staande voet. De eerder aangeboden vaststellingsovereenkomst is hiermee (voor de volledigheid) niet meer aan de orde. (…)

Uit alle door ons gedane bevindingen is ons aldus gebleken dat u Klasse 1 cocktailtomaten -

buiten medeweten en zonder toestemming van Lans - hebt verkocht, althans hebt getracht te verkopen aan marktpartijen teneinde de daaruit voortvloeiende omzet in de eigen zak te steken. U hebt getracht dit verborgen te houden door te verzuimen afleverbonnen te produceren.

Wij hebben u te kennen gegeven dat de hiervoor beschreven handelingen - ieder voor zich, maar ook in samenhang - in onze visie een dringende reden vormen, die een ontslag op staande voet rechtvaardigt. (…)”

2.14.

Werkgever heeft op 10 december 2019 aangifte gedaan bij de politie van verduistering.

2.15.

De gemachtigde van werknemer heeft bij brief van 12 december 2019 aan werkgever bericht dat hij betwist dat sprake was van een dringende reden en dat hij de vernietiging van het ontslag inroept. Bij deze brief heeft de gemachtigde verder de vaststellingsovereenkomst die op 4 december door werkgever aan werknemer was aangeboden, welke overeenkomst inmiddels door werknemer was ondertekend, toegezonden met het verzoek deze ook van de zijde van werkgever te ondertekenen.

2.16.

Werknemer heeft geen verzoek ingediend bij de kantonrechter om het hem gegeven ontslag op staande voet te vernietigen.

3 Het verzoek van de werkgever, de grondslag daarvan en het verweer

3.1.

De werkgever verzoekt, na wijziging van het verzoek ter zitting, dat de kantonrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. werknemer veroordeelt tot betaling van de vergoeding wegens onregelmatige opzegging ex artikel 7:677 lid 2 en lid 3 sub a BW ter hoogte van € 5.386,46;

II. werknemer, hoofdelijk, veroordeelt tot betaling van door Lans geleden schade ter hoogte van € 32.598,30 en een bedrag van € 8.150,00 als vergoeding van interne bedrijfskosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, dan wel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag aan schadevergoeding;

III. werknemer veroordeelt in de kosten van de procedure, het salaris van de gemachtigde daaronder begrepen.

3.2.

Aan het verzoek tot betaling van de vergoeding wegens onregelmatige opzegging legt de werkgever ten grondslag dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst is te wijten aan werknemer doordat hij door zijn handelen aan werkgever een dringende reden heeft gegeven voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Het gevorderde bedrag is gelijk aan het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij een regelmatige opzegging had behoren voort te duren, namelijk 1,73 maanden. Aan het verzoek tot schadevergoeding legt werkgever ten grondslag dat werknemer door - kort gezegd - de verkoop van tomaten buiten werkgever om schadeplichtig is geworden jegens werkgever doordat hij (primair) haar schade heeft toegebracht bij de uitvoering van zijn werk (artikel 7:661 BW) dan wel hij (subsidiair) jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld waardoor werkgever schade heeft geleden (artikel 6:162 BW). De schade ziet op misgelopen omzet ter zake van vijf leveringen aan Catak waarvoor werkgever geen betaling heeft ontvangen. De zesde levering kon door werkgever op tijd worden teruggehaald en daardoor is geen schade geleden. Daarnaast heeft werkgever kosten moeten maken voor vaststelling van de schade en aansprakelijkheid als bedoeld in 6:96 lid 2 BW. Werkgever heeft toegelicht dat zij [betrokkene 3] aansprakelijk houdt voor dezelfde schade en hem ook in rechte tot terugbetaling heeft aangesproken. Zij bedoelt met de verzochte hoofdelijkheid, dat bepaald wordt dat de schade niet door werknemer behoeft te worden vergoed indien en voor zover de schade reeds geheel of gedeeltelijk is vergoed door [betrokkene 3] .

3.3.

De werknemer verweert zich gemotiveerd tegen het verzoek en concludeert tot niet- ontvankelijkheid, althans afwijzing van alle verzoeken van de werkgever, met veroordeling van de werkgever in de proceskosten. Werknemer legt hieraan - zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag:

- Er is tussen partijen een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen, waarin finale kwijting is verleend. Werkgever kon niet meer op de vaststellingsovereenkomst terugkomen en is daaraan dus gebonden;

- Werknemer betwist dat hij op enigerlei wijze betrokken was bij de gestelde verduistering van de tomaten en andere geconstateerde onregelmatigheden. De door werkgever geconstateerde onregelmatigheden zijn buiten hem om gegaan en zijn hem niet bekend.

- Werknemer betwist de door werkgever gestelde schade; deze is werknemer niet bekend en de schade is niet voldoende onderbouwd.

4 De beoordeling

Vaststellingsovereenkomst

4.1.

De kantonrechter zal eerst het meest verstrekkende verweer behandelen, namelijk de stelling dat werkgever niet ontvankelijk is in haar verzoek, althans dat dit moet worden afgewezen, omdat er tussen partijen een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen waarin finale kwijting is verleend.

4.2.

De vraag of een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen moet worden beantwoord aan de hand van het leerstuk van aanbod en aanvaarding. Vast staat dat werkgever op 4 december 2019 een vaststellingsovereenkomst heeft aangeboden en dat deze op dat moment door werknemer niet is aanvaard. Ook staat vast – werknemer heeft dit ter zitting erkend – dat werkgever op 9 december 2019 mondeling aan hem heeft medegedeeld dat zij het aanbod in de vaststellingsovereenkomst introk. Op grond van artikel 6:219 BW kan een aanbod worden herroepen, tenzij het aanbod een termijn voor aanvaarding inhoudt of de onherroepelijkheid op andere wijze uit het aanbod volgt en zolang het niet is aanvaard of een mededeling houdende een aanvaarding is verzonden. Gesteld noch gebleken is dat het aanbod onherroepelijk was. De kantonrechter moet dus beoordelen of de werkgever het aanbod op 9 december 2019 nog kon herroepen.

4.3.

Werknemer stelt dat het werkgever niet meer vrij stond het aanbod in te trekken, omdat werknemer in de brief van de gemachtigde van 7 december 2019 het aanbod feitelijk al heeft aanvaard. Volgens werknemer was er overeenstemming bereikt over de essentialia van de vaststellingsovereenkomst en moest er slechts nog worden onderhandeld over de nevenvorderingen. De vaststellingsovereenkomst draait volgens werknemer immers om de beëindiging van de arbeidsrelatie en hierover was overeenstemming bereikt. Met werkgever is de kantonrechter echter van oordeel dat niet is gebleken dat overeenstemming was bereikt over de essentialia van de vaststellingsovereenkomst. Uit de brief van de gemachtigde blijkt immers dat de gemachtigde nog meerdere voorwaarden stelde aan de vaststellingsovereenkomst, zoals onder meer het toekennen van een transitievergoeding aan werknemer. Hoewel een belangrijk doel van de vaststellingsovereenkomst is om de arbeidsrelatie tussen partijen te beëindigen, kan niet worden volgehouden dat een voorwaarde zoals het al dan niet toekennen van een transitievergoeding slechts een ondergeschikt punt is in de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. In het al dan niet toekennen van de transitievergoeding kan immers vaak een oordeel besloten liggen over de (mate van) verwijtbaarheid van werknemer. Bovendien ging het om een aanzienlijk bedrag (ruim € 22.000,--). Nu de reactie van werknemer op belangrijke punten afwijkt van het aanbod van werkgever, is de reactie niet te beschouwen als een aanvaarding van het aanbod, maar als een tegenbod.

4.4.

Hoewel werknemer bij ondertekening de vaststellingsovereenkomst heeft gedateerd op 9 december 2019, heeft hij ter zitting verklaard dat hij zich niet kan herinneren of hij de overeenkomst al voor de mededeling van werkgever dat het aanbod werd ingetrokken heeft getekend. In ieder geval blijkt nergens uit dat hij voorafgaand aan die mededeling aan werkgever heeft verklaard dat hij het aanbod aanvaardde. Werknemer heeft dat in ieder geval niet gezegd in het telefoongesprek met werkgever op 9 december 2019. De ondertekende vaststellingsovereenkomst is vervolgens pas op 12 december 2019, dus ná de herroeping van het aanbod, verzonden aan werkgever.

4.5.

Aangezien niet is gebleken dat werknemer het aanbod heeft aanvaard – of de mededeling dat hij het aanbod aanvaardde heeft verzonden – vóór de mededeling van werkgever dat zij haar aanbod heeft ingetrokken, is de herroeping tijdig gedaan en daarmee het aanbod komen te vervallen. Werknemer kon dat dus ná 9 december 2019 niet meer aanvaarden. Nu tussen partijen geen vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen, kan werknemer geen beroep doen op de in deze overeenkomst opgenomen finale kwijting.

Schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging

4.6.

Werkgever heeft binnen twee maanden het verzoek tot schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging ingediend. Het verzoek is tijdig ingediend zodat werkgever ontvankelijk is in haar verzoek.

4.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat op 9 december 2019 werkgever de arbeidsovereenkomst met werknemer heeft opgezegd op grond van een dringende reden in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW. Werknemer heeft hiertegen wel geprotesteerd, maar heeft niet binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd een verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet ingediend, waardoor de vervaltermijn in artikel 7:686a lid 4 sub a BW is verstreken en het ontslag op staande voet als zodanig niet meer kan worden aangetast.

4.8.

In beginsel is werknemer - indien deze werkgever een dringende reden heeft gegeven de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen en werkgever van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt - op grond van 7:677 lid 2 en lid 3 sub a BW een (gefixeerde) vergoeding aan werkgever verschuldigd. Hoewel werknemer echter geen verzoekschrift tot vernietiging van het ontslag meer kan indienen, kan werknemer zich er nog wel - bij wijze van verweer tegen het verzoek tot schadevergoeding - op beroepen dat het ontslag onterecht was, omdat er geen sprake was van een dringende reden, zoals ook is overwogen in de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 6 november 2018 (ECLI:NL:GHAMS:2018:4160). Om die reden zal de kantonrechter alsnog beoordelen of er sprake is van een dringende reden.

4.9.

Werkgever heeft als dringende reden - kort gezegd - aangegeven dat werknemer betrokken was bij het verkopen van tomaten van werkgever aan een derde, buiten werkgever om. In principe rust op werkgever de stelplicht en bewijslast dat er sprake was van een dringende reden. Werkgever heeft ter onderbouwing van haar stellingen onder meer WhatsApp-berichten overgelegd op de werktelefoon van werknemer met een medewerker van Catak, videobeelden waarop te zien is dat de leveringen worden opgehaald, een verklaring van de planner van Koos van Galen wanneer leveringen aan Catak hebben plaatsgevonden en een verklaring van [betrokkene 6] die aangeeft dat werknemer de cash-betalingen voor de levering ontving en dat hij werknemer op foto’s herkent als degene aan wie hij het geld gaf.

4.10.

Werknemer heeft in zijn verweer gesteld dat hij niets te maken heeft gehad met de onregelmatige verkoop van de tomaten. Werknemer stelt dat dit allemaal buiten hem om is gegaan en moet zijn gebeurd op dagen dat hij niet aanwezig was, bijvoorbeeld als hij op andere locaties moest werken vanwege personeelstekorten. Werknemer geeft verder aan dat hij de opdrachtgever Catak niet kent en nooit cash-betalingen heeft aangenomen.

4.11.

Gelet op de onderbouwing door werkgever, dient werknemer de stellingen van werkgever voldoende gemotiveerd te betwisten. De kantonrechter is van oordeel dat hij dat niet heeft gedaan. De stellingen van werknemer zijn niet onderbouwd en de (nadere) verklaringen van werknemer ter zitting zijn vaag of zelfs tegenstrijdig. Zo stelt werknemer dat hij Catak niet kent en nimmer contante betalingen heeft ontvangen. Ter zitting heeft werknemer echter verklaard wel een keer een contante betaling van Catak te hebben aangenomen, maar deze te hebben afgegeven aan zijn leidinggevende. Dit laatste wordt verder niet onderbouwd en werknemer legt ook niet uit waarom hij dit dat niet eerder heeft gezegd. Verder geeft werknemer aan Catak niet te kennen, maar werknemer heeft ter zitting verklaard dat [betrokkene 6] bij hem was voorgesteld als Catak. Dat werknemer niet aanwezig zou zijn op de dagen dat er ongedocumenteerde leveringen hebben plaatsgevonden aan Catak is in tegenspraak met de door werkgever overgelegde video-opnamen – van sommige van die data – waarop werknemer te zien is. Hij was op die dagen dus wel aanwezig. Werknemer heeft bovendien niet toegelicht waar hij wel was op de zes genoemde data. Werknemer stelt dat dit is bij gebrek aan wetenschap, omdat hij vanwege het ontslag geen toegang heeft tot de stukken, maar de kantonrechter is niet gebleken dat werknemer een poging heeft gedaan deze informatie op enige wijze te achterhalen. De data waarover het gaat staan in het verzoek. Werknemer heeft verder niet bestreden dat op zijn telefoon berichten aan en van Alice T stonden en heeft daarvoor geen afdoende verklaring. Het enkele feit dat andere werknemers gebruik konden maken van zijn telefoon, wil nog niet zeggen dat zij deze berichten hebben geplaatst. Het ligt niet voor de hand dat zij dat achter zijn rug om zouden hebben gedaan en dat hij daarvan dan niets zou hebben gemerkt. Ten aanzien van het ontbreken van orderbonnen bij de zendingen aan Catak, heeft werknemer nog aangegeven dat sommige orders handmatig werden opgesteld en om die reden niet in het ordersysteem stonden. Werknemer heeft echter niet betwist dat bij de leveringen aan Catak de benodigde documentatie ontbrak en dat voor die leveringen in de administratie van werkgever ook geen handmatig opgestelde orderbonnen zijn aangetroffen.

4.12.

Omdat werknemer de stellingen van werkgever over de gang van zaken onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, zijn deze stellingen komen vast te staan. Daaruit volgt dat werknemer betrokken was bij het verkopen van tomaten buiten werkgever om. Hij had via zijn telefoon contact met een koper, hij heeft betalingen in ontvangst genomen en de tomaten zijn zonder orderbonnen aan Catak geleverd, terwijl werknemer uit hoofde van zijn functie verantwoordelijk was voor het verzorgen van de noodzakelijke registraties en documentatie. Deze betrokkenheid bij het benadelen van werkgever levert een dringende reden voor onverwijlde opzegging door werkgever op. Dit leidt ertoe dat de gefixeerde schadevergoeding, waarvan de hoogte niet is betwist, zal worden toegewezen.

Schadevergoeding

.4.13. De kantonrechter is van oordeel dat gelet op wat hiervoor is overwogen voldoende vast staat dat de gedragingen die aanleiding gaven tot het onverwijld opzeggen van de arbeidsovereenkomst opzet, dan wel bewuste roekeloosheid opleveren als bedoeld in 7:661 BW. Voorts staat ook voldoende vast dat de schade is toegebracht aan werkgever bij de uitvoering van de overeenkomst, nu de onregelmatige verkoop van de tomaten heeft plaatsgevonden tijdens werktijd en vanuit het bedrijf van werkgever. Werknemer kan daarom aansprakelijk worden gehouden voor de schade die uit zijn handelen is voortgevloeid.

Leveringen aan Catak

4.14.

Werkgever vordert een bedrag van € 32.598,30. Werkgever heeft ter onderbouwing van deze schade een overzicht overgelegd van de zes bij haar bekende leveringen en het aantal pallets tomaten dat daarbij is geleverd. Dat het gaat om zes leveringen is door haar onderbouwd met verklaringen van derden, zoals de vervoerder. Vervolgens zijn per pallet de kosten daarvan berekend en is de waarde van de teruggehaalde tomaten daarop in mindering gebracht. Werknemer heeft de schade betwist, maar heeft zijn stellingen niet nader toegelicht en slechts gesteld dat hij niet bekend is met de prijs van tomaten en dus niet te kunnen zien hoe de schade door werkgever is berekend. Gelet op de onderbouwing door werkgever, waarin de prijs van de tomaten is opgenomen, kan werknemer niet volstaan met deze blote betwisting. Daarom zal de kantonrechter dit bedrag als onvoldoende weersproken toewijzen.

Kosten ter vaststelling van de schade

4.15.

Werkgever vordert een bedrag van € 8.150,00 aan interne bedrijfskosten ter vaststelling van de schade. Werkgever heeft ter onderbouwing een urenoverzicht overgelegd van de medewerker en directeuren die zich hebben beziggehouden met het onderzoek naar de onregelmatigheden bij de verkoop van tomaten aan Catak. Er is echter niet gespecificeerd om welke werkzaamheden het gaat en wanneer de kosten zijn gemaakt. De kantonrechter zal deze kosten afwijzen wegens onvoldoende onderbouwing en concretisering.

Hoofdelijkheid

4.16.

De kantonrechter kan werknemer en [betrokkene 3] niet hoofdelijk veroordelen omdat [betrokkene 3] niet in deze procedure is betrokken en de kantonrechter niet kan vaststellen of [betrokkene 3] met werknemer samen hoofdelijk aansprakelijk is jegens werkgever. Nu werkgever echter zelf verzoekt te bepalen dat werknemer niet hoeft te betalen voor zover [betrokkene 3] betaalt, zal de kantonrechter dat vastleggen.

proceskosten

4.17.

Werknemer zal als overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt werknemer om aan werkgever een vergoeding te betalen van € 5.386,46;

5.2.

veroordeelt werknemer tot betaling van € 32.598,30 aan schadevergoeding en bepaalt dat werknemer dit bedrag niet hoeft te betalen indien en voor zover deze zelfde schade door [betrokkene 3] aan werkgever is vergoed;

5.3.

veroordeelt werknemer in de proceskosten van werkgever, die de kantonrechter tot dit moment vaststelt op € 1.084,00 waarvan € 960,00 aan salaris gemachtigde;

5.4.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.D. Bellaart, kantonrechter en op 5 juni 2020 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.