Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5961

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-03-2020
Datum publicatie
02-07-2020
Zaaknummer
NL20.2617 NL20.2618 NL20.2619 NL20.2620
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Dublin Estland, Turks diplomatengezin woonde o.g.v. diplomatieke status in Estland, verblijfsrecht rechtstreeks ontleend aan verdrag van Wenen inzake diplomatieke betrekkingen, geen verblijfstitel in de zin van de Dublinverordening, beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL20.2617, NL20.2618, NL20.2619 en NL20.2620

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser 1] , geboren op [geboortedatum 1] , v-nummer [v-nummer 1] , eiser, en

[eiseres] , geboren op [geboortedatum 2] , v-nummer [v-nummer 2] , eiseres,

mede namens hun minderjarige kinderen:

[eiser 2] , geboren op [geboortedatum 3] , v-nummer [v-nummer 3] , en

[eiser 3] , geboren op [geboortedatum 4] , v-nummer [v-nummer 4] ,

allen van Turkse nationaliteit, gezamenlijk te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. de Jong).

Procesverloop

In twee besluiten van 29 januari 2020 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Estland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld en hebben, bij wijze van voorlopige voorziening, verzocht om hun beroepen in Nederland te mogen afwachten.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2020. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk in de Turkse taal was aanwezig [persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank/ voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.1.

Eisers zijn een Turks gezin. Eiser heeft vanaf 2010 als [functie 1] voor de Turkse overheid gewerkt. Vanaf februari 2017 tot juni 2019 heeft hij als [functie 2] op de Turkse ambassade in Estland gewerkt en met zijn vrouw en dochters in Estland gewoond.

1.2.

Eisers hebben Estland op 3 juni 2019 verlaten en zijn via Letland, Litouwen, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk naar Nederland gereisd. Ze zijn op 13 juni 2019 Nederland ingereisd en hebben op 16 juni 2019 asiel aangevraagd.

1.3.

Verweerder heeft de asielaanvragen niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin staat dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen, als op grond van de Dublinverordening1 is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Estland een verzoek om overname gedaan. Estland heeft dit verzoek in eerste instantie afgewezen, maar na een verzoek om heroverweging aanvaard.

Standpunt eisers

2. Eisers betogen dat Estland niet verantwoordelijk is voor de behandeling van hun asielaanvragen, omdat de Estse autoriteiten nooit een verblijfstitel aan hen hebben verstrekt. Zij hadden verblijfsrecht in Estland op grond van hun diplomatieke status. Dat verblijfsrecht ontleenden zij rechtstreeks aan het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer uit 1961 (hierna: het Verdrag van Wenen), en dus niet aan een beslissing of een machtiging van de Estse autoriteiten. Ze verwijzen in dit verband naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 maart 2008.2

Standpunt verweerder

3. Volgens verweerder hebben de Estse autoriteiten wel degelijk een verblijfstitel aan eiser en zijn familieleden verstrekt. Verweerder verwijst naar de paragrafen 2.1 en 2.2 van het Estse Handbook Diplomatic Immunities and Privileges in Estonia, waarin staat dat de diplomatieke kaarten de enige juridische grondslag vormen voor het verblijfsrecht van diplomatiek personeel in Estland. Eisers beschikten over deze diplomatieke kaarten. Daarnaast hebben eisers tweeëneenhalf jaar in Estland gewoond op basis van hun diplomatieke status, waardoor Estland het land is dat de grootste rol heeft gespeeld bij de toegang tot en het verblijf van eisers in de Europese Unie. Daarom past het in de uitgangspunten van de Dublinverordening om Estland verantwoordelijk te houden voor de behandeling van hun asielaanvragen. Verweerder verwijst in dit verband naar de toelichting bij de vorige Dublinverordening (Dublin II).

Juridisch kader

4.1.

In artikel 12, eerste lid, van de Dublinverordening staat dat de lidstaat die een geldige verblijfstitel aan een persoon heeft afgegeven, verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van deze persoon.

4.2.

In artikel 2, onder l, van de Dublinverordening is de volgende definitie van ‘verblijfstitel’ gegeven:

“een door de autoriteiten van een lidstaat afgegeven machtiging waarbij het een onderdaan van een derde land of een staatloze wordt toegestaan op het grondgebied van die lidstaat te verblijven, met inbegrip van de documenten waarbij personen worden gemachtigd zich op het grondgebied van die lidstaat op te houden in het kader van een tijdelijke beschermingsmaatregel of in afwachting van de tenuitvoerlegging van een verwijderingsmaatregel die tijdelijk door bepaalde omstandigheden niet kan worden uitgevoerd, echter met uitzondering van visa en verblijfsvergunningen die zijn afgegeven tijdens de periode die nodig is om de verantwoordelijke lidstaat te bepalen in de zin van deze verordening of tijdens de behandeling van een verzoek om internationale bescherming of een aanvraag voor een verblijfsvergunning.”

4.3.

In artikel 7 van het Verdrag van Wenen staat dat een staat die een diplomatieke zending heeft gevestigd (de zendstaat) in beginsel vrij is in het aanstellen van personeelsleden van de zending.

4.4.

In artikel 10 van het Verdrag van Wenen staat dat de zendstaat mededeling moet doen aan de ontvangende staat van de benoeming van de leden van de zending en van de aankomst en het vertrek van deze leden en hun gezinsleden in de ontvangende staat.

4.5.

Uit artikel 39 van het Verdrag van Wenen volgt dat een lid van een zending kan genieten van zijn privileges en immuniteiten als [functie 1] vanaf het moment waarop hij het grondgebied van de ontvangende staat betreedt om zijn functie te aanvaarden. Als de taak van het lid van de zending is beëindigd, houden zijn privileges en immuniteiten in beginsel op te bestaan, op het moment waarop deze persoon het land verlaat.

Beoordeling door de rechtbank

5.1.

Eisers en verweerder zijn het erover eens dat de Estse autoriteiten diplomatieke kaarten aan eisers hebben verstrekt, die nog geldig waren op het moment dat zij hun asielaanvragen in Nederland indienden. Eisers en verweerder zijn het er ook over eens dat Estland deze diplomatieke kaarten heeft verstrekt in overeenstemming met het Verdrag van Wenen en dat ze vergelijkbaar zijn met wat in Nederland als een geprivilegieerdendocument wordt aangeduid. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of een dergelijke diplomatieke kaart kan worden aangemerkt als een verblijfstitel zoals bedoeld in artikel 2, onder l, van de Dublinverordening.

5.2.

Uit de Afdelingsuitspraak van 27 maart 2008, waar eisers naar verwijzen, volgt dat een [functie 1] in Nederland zijn status als geprivilegieerde rechtstreeks ontleent aan artikel 39 van het Verdrag van Wenen. De persoon is voor zijn privilege als [functie 1] , waaronder het verblijfsrecht in Nederland, dus niet afhankelijk van een door de Nederlandse autoriteiten afgegeven document (het geprivilegieerdendocument):

“2.1.3. Niet-duurzaam verblijvend personeel van ambassades en hun gezinsleden ontlenen hun bijzondere geprivilegieerde status rechtstreeks aan het verdrag en niet aan het bezit van een geprivilegieerdendocument of de registratie in Probas. Immers, in artikel 39 van het verdrag, waarin is geregeld wanneer die status wordt verkregen en verloren, is verkrijging en verlies niet afhankelijk gesteld van het bezit van een geprivilegieerdendocument of de registratie in een daarop betrekking hebbend bestand.”

5.3.

De rechtbank ziet geen reden om de werking van artikel 39 van het Verdrag van Wenen anders uit te leggen in de Estse context dan de manier waarop de Afdeling dat in de Nederlandse context heeft gedaan. De rechtbank concludeert daarom dat eisers hun verblijfsrecht in Estland rechtstreeks aan het Verdrag van Wenen ontleenden. Daarvoor was geen beslissing van de Estse autoriteiten nodig. De door de Estse autoriteiten verstrekte diplomatieke kaarten waren dus slechts declaratoir van aard, en niet constitutief voor het verblijfsrecht van eisers. Het feit dat de Estse autoriteiten daar zelf mogelijk anders over denken (zoals lijkt te blijken uit het door verweerder aangehaalde Handbook Diplomatic Immunities and Privileges in Estonia), maakt dit niet anders.

5.4.

De rechtbank leidt hieruit af dat eisers in Estland niet over een ‘verblijfstitel’ beschikten zoals bedoeld in artikel 2, onder l, van de Dublinverordening. De door de Estse autoriteiten afgegeven diplomatieke kaarten kunnen niet worden aangemerkt als een machtiging of toestemming tot verblijf, omdat eisers al over een verblijfsrecht in Estland beschikten op grond van het Verdrag van Wenen.

5.5.

Daaruit volgt dat Estland niet op grond van artikel 12, eerste lid, van de Dublinverordening verantwoordelijk kan worden gehouden voor de behandeling van de asielaanvragen van eisers. Dit is ook in lijn met uitgangspunten en het doel van de Dublinverordening. Uit de door verweerder aangehaalde toelichting bij de oude Dublinverordening (Dublin II) blijkt dat het de bedoeling is om de verantwoordelijkheid voor de behandeling van een asielaanvraag te leggen bij de lidstaat die een positieve handeling heeft verricht om een asielzoeker tot de Europese Unie toe te laten, bijvoorbeeld door het afgeven van een visum of verblijfstitel. De Estse autoriteiten hebben juist niet zo’n positieve handeling verricht. Zij waren verplicht om het verblijf van eisers op hun grondgebied te accepteren op grond van de bepalingen van het Verdrag van Wenen.

5.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat eisers niet visumplichtig waren in Nederland op het moment dat zij Nederland inreisden, omdat zij over Turkse diplomatieke paspoorten beschikten.3Daaruit volgt dat Nederland op grond van artikel 14, tweede lid, van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvragen.

Conclusie

6.1.

Uit het voorgaande volgt dat de beroepen van eisers gegrond zijn. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. Verweerder zal nieuwe besluiten moeten nemen op hun asielaanvragen binnen de daarvoor geldende termijnen. Omdat de rechtbank heeft geconcludeerd dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvragen, zal verweerder deze inhoudelijk in behandeling moeten nemen.

6.2.

Gelet op deze uitkomst komt de rechtbank niet toe aan een oordeel over andere beroepsgronden van eisers.

6.3.

Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, hebben eisers geen belang meer bij de toewijzing van hun verzoeken om een voorlopige voorziening. De rechtbank wijst die verzoeken daarom af.

6.4.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.575,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Als aan eisers een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaken geregistreerd onder nummers NL20.2617 en NL20.2619:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    draagt verweerder op om de asielaanvragen van eisers inhoudelijk in behandeling te nemen en nieuw besluiten te nemen op hun aanvragen met inachtneming van deze uitspraak;

in de zaken geregistreerd onder nummers NL20.2618 en NL20.2620:

- wijst de verzoeken af;

in alle zaken:

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.575,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.P. van Straelen, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van bekendmaking daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

1 Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking).

2 ECLI:NL:RVS:2008:BC8570.

3 Dit volgt uit artikel 1, aanhef en onder b, in samenhang gelezen met de bijlage onder g, van de Regeling vrijstelling visumplicht Rijksvisumwet.