Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5960

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
02-07-2020
Zaaknummer
NL20.6542
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep niet tijdig beslissen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.6542


uitspraak van de enkelvoudige kamer als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet

bestuursrecht in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser,

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. S.B. Kleerekooper),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Op 12 maart 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit

op zijn aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als

bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000.

Overwegingen

1. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is

bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een

besluit wordt gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.

Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan een beroepschrift tegen het niet

tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig

een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop de belanghebbende

het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de bestuursrechter, indien het

beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, dat het bestuursorgaan binnen

twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit

bekendmaakt.

Op grond van het tweede lid, voor zover hier van belang, verbindt de bestuursrechter aan

zijn uitspraak een nadere dwangsom voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft

de uitspraak na te leven.

Op grond van het derde lid, voor zover hier van belang, kan de bestuursrechter in bijzondere

gevallen een andere termijn bepalen.

2. Op 11 juni 2019 heeft eiser zijn asielaanvraag ingediend. Dit betekent dat de beslistermijn eindigde op 11 december 2019. Eiser heeft verweerder op 25 februari 2020 in gebreke gesteld. Omdat tot op heden nog geen beslissing op de aanvraag van eiser is genomen, is het beroep kennelijk gegrond.

3. De bestuursrechter stelt vast dat nog geen gehoor heeft plaatsgevonden en

overweegt dat, gelet op de capaciteitsproblemen bij verweerder in samenhang met de beperkingen vanwege de corona-crisis, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De bestuursrechter zal in dit geval niet de standaard-beslistermijn opleggen, maar een langere, als bedoeld in dat derde lid. De bestuursrechter acht voor het nemen van een besluit een termijn van zestien weken na de uitspraak in beginsel redelijk.

4. De bestuursrechter ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van

de Awb te bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt als hij deze termijn overschrijdt.

De bestuursrechter stelt de hoogte van deze dwangsom vast op € 100,- per dag, met een

maximum van € 7.500,-.

5. Voorts ziet de bestuursrechter aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs

heeft moeten maken. De bestuursrechter stelt de kosten van de door een derde beroepsmatig

verleende rechtsbijstand met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op

€ 262,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van

€ 525,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een beslissing op de

aanvraag van eiser;

- draagt verweerder op binnen zestien weken na verzending van het afschrift van deze

uitspraak een besluit te nemen;

- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom verbeurt van € 100,- per dag, voor elke

dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van

€ 7.500,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 262,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op

een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze

uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken. Deze uitspraak is gedaan op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet

worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de

gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.