Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5959

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-06-2020
Datum publicatie
02-07-2020
Zaaknummer
NL20.3382
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Statushouder Griekenland – opvolgende aanvraag – bijzondere kwetsbaarheid als nieuw element of bevinding – interventie derde partij bij procedure EHRM, beoordeling standpunten van deze derde partij – rechtbank houdt de behandeling niet aan in verband met de interim measure van het EHRM - beroep ongegrond.

Eiser heeft in 2019 een eerste aanvraag ingediend om aannemelijk te maken dat van hem niet kan worden gevergd naar Griekenland te gaan om zijn rechten als statushouder te effectueren en genieten.

Eiser is rolstoelafhankelijk, leidt aan ernstig vaatlijden en heeft psychische klachten.

Er is sprake van een opvolgende aanvraag en dus zal de rechtbank de situatie van statushouders in Griekenland en de persoonlijke situatie van eiser niet beoordelen als ware het een eerste aanvraag of een verkapt hoger beroep ten opzichte van de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2019. Primair staat ter beoordeling of verweerder zich, gelet op hetgeen eiser heeft aangevoerd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van wezenlijke veranderingen ten opzichte van de eerste procedure. Het is aan eiser om dit te stellen en aannemelijk te maken en anders dan eiser stelt niet aan verweerder om zich ervan te vergewissen hoe de situatie van statushouders in Griekenland en van eiser in het bijzonder is.

Eiser heeft een beroep gedaan op de interventie van RSA & PROASYL in de procedure bij het EHRM inzake Darwesh and Others v. the Netherlands en heeft daarbij gesteld dat uit hun schriftelijke standpunt volgt dat het eiser zou moeten worden toegestaan om in Nederland een asielaanvraag in te dienen. De rechtbank stelt vast dat eiser heeft nagelaten om aan te geven in hoeverre uit deze submissions volgt dat de situatie voor statushouders in Griekenland is gewijzigd ten opzichte van de vorige procedure. De rechtbank acht zich echter bevoegd en bovendien gehouden een volledig en ex nunc onderzoek te verrichten om te kunnen beoordelen of eiser bij terugkeer naar Griekenland in een situatie komt die in strijd is met artikel 3 EVRM of artikel 4 Handvest. Daarom zal de rechtbank desondanks de inhoud van de submissions en de overige kort voor de zitting overgelegde stukken integraal bij de beoordeling betrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.3382


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

[V nummer]

(gemachtigde: mr. V.M. Oliana),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Sweerts).


Procesverloop
Bij besluit van 30 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoekschrift heeft als zaaknummer NL20.3383.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting in zowel het beroep als het verzoek heeft plaatsgevonden op

15 juni 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld van zijn echtgenote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Eiser heeft verzocht de behandeling van het onderzoek ter zitting aan te houden in afwachting van een uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over de positie van zogenaamde statushouders in Griekenland. De rechtbank heeft aangegeven daar vooralsnog geen aanleiding toe te zien en als dat bij de beraadslagingen anders zou blijken het onderzoek te heropenen. Aansluitend aan de zitting heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Eerdere asielprocedure

1. De rechtbank stelt vast dat eiser al eerder, te weten op 25 januari 2019, een aanvraag heeft gedaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Ter onderbouwing van die aanvraag heeft eiser gesteld dat hij [naam] is, geboren op [geboortedag] 1984 te Aleppo (Syrië) en van Syrische nationaliteit. Eiser heeft in Griekenland om asiel gevraagd. De Griekse autoriteiten hebben hem op 5 december 2016 internationale bescherming geboden. Zijn vergunning is geldig tot 5 december 2019. Eiser heeft bezwaar tegen terugkeer naar Griekenland. In de eerste plaats vreest hij in Griekenland voor leden van Daesh (ISIS). In de tweede plaats heeft hij gezondheidsproblemen. Hij heeft een spoedoperatie nodig omdat zijn voeten aan het afsterven zijn. In Griekenland hebben ze niet de capaciteit om hem te behandelen. Eiser stelt dat hij in Griekenland geen gezondheidszorg heeft gekregen. Volgens hem hebben zij hem financieel noch immaterieel geholpen. Hij heeft een jaar lang op straat geleefd en moest eten en drinken op straat.

Het bestreden besluit van 7 februari 2019

2. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 7 februari 2019 niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. De reden hiervoor is dat uit Eurodac is gebleken dat eiser in Griekenland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend en dat de autoriteiten van Griekenland op 5 december 2016 aan hem internationale bescherming hebben verleend. Verweerder volgt eiser niet in diens stelling dat de situatie van statushouders in Griekenland schrijnender is dan die van asielzoekers, omdat die stelling niet nader is onderbouwd. De enkele verwijzing naar de prejudiciële vragen die het Bundesverwaltungsgericht op 15 september 2017 heeft gesteld over de leefomstandigheden van statushouders, acht verweerder niet afdoende. Er zijn door de Duitse rechter enkel zorgen geuit en vragen uitgezet, maar er is niet geconcludeerd dat een statushouder bij terugkeer naar Griekenland heeft te vrezen voor een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten en de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verboden gedraging. Bovendien dateren deze prejudiciële vragen van vóór de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 30 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1795), waarin is overwogen dat de situatie in Griekeland voor statushouders moeilijk is, maar niet zodanig dat statushouders bij terugkeer daarheen zonder meer het risico lopen op schending van artikel 3 van het EVRM. Verweerder ziet geen aanleiding om de beslissing in de zaak van eiser aan te houden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen die het Duitse Bundesverwaltungsgericht zijn gesteld, omdat niet is gebleken dat de levensomstandigheden voor statushouders in Griekenland niet aan de vereisten van de Kwalificatierichtlijn voldoen of in strijd zijn met artikel 4 van het Handvest of artikel 3 van het EVRM.

3. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser op grond van de Kwalificatierichtlijn toegang heeft tot de gezondheidszorg, sociale voorzieningen en huisvesting. Eiser kan aan zijn status de rechten ontlenen die hem op grond van deze richtlijn worden toegekend, maar hij moet die rechten wel zelf effectueren. Aangezien eiser een verblijfsvergunning heeft, bestaat er geen beperking voor hem om een zorgverzekering voor zichzelf te regelen en zodoende zich toegang tot verdere medische hulp te verschaffen. Uit zijn verklaringen blijkt bovendien dat eiser in Griekenland reeds toegang heeft tot medische hulp. Voor zover hij niet tevreden is over de medische zorg is het aan hem daarvan beklag te doen bij betreffende dan wel geëigende instanties.

4. Daarnaast heeft eiser in Griekenland na het verkrijgen van zijn verblijfsvergunning opvang gekregen in een school. Nu hij statushouder is geworden, geniet hij dezelfde rechten als Griekse onderdanen en heeft hij op gelijke voet als Griekse staatsburgers toegang tot de woningmarkt. Naar de mening van verweerder heeft eiser met zijn verklaringen noch met documenten inzichtelijk gemaakt dat hij inspanningen heeft verricht om zelfstandig woonruimte te zoeken. Het is de verantwoordelijkheid van eiser om al dan niet met behulp van de Griekse autoriteiten of non-gouvernementele instanties te trachten zijn situatie te verbeteren. Zo heeft de Greek Council for Refugees onder andere programma’s lopen die gericht zijn op voorzieningen voor kwetsbare personen.

5. Met betrekking tot de verklaring van eiser dat hij in Griekenland vreest voor leden van Daesh, overweegt verweerder dat er nimmer iets concreets is gebeurd. Eiser heeft geen melding gedaan bij de Griekse autoriteiten van hun aanwezigheid in Griekenland. Bovendien kan hij in het geval van dreigende of zich voordoende problemen in Griekenland, de bescherming inroepen van de (hogere) autoriteiten van Griekenland dan wel geëigende instanties, aldus verweerder.

6. Verweerder komt niet toep aan eisers beroep op artikel 64 van de Vw 2000, omdat niet ambtshalve wordt beoordeeld of er reden is voor toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 als de aanvraag niet-ontvankelijk wordt verklaard op grond van artikel 30a van de Vw 2000.

De uitspraak 6 maart 2019

7. Eiser heeft tegen het besluit van 7 februari 2019 beroep ingesteld. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 6 maart 2019 (NL19.2948), is het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank verwijst in haar uitspraak naar eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2018, waarin is overwogen dat statushouders onder de Griekse wet gelijk zijn aan Griekse staatsburgers. Wel is het voor statushouders in Griekenland moeilijk om betaald werk te vinden, is de toegang tot gezondheidszorg moeizaam en is de statushouder volledig op zichzelf aangewezen om huisvesting te vinden. Volgens de Afdeling is de situatie in Griekenland voor statushouders echter niet zo slecht dat sprake is van extreme armoede of ontberingen van eerste levensbehoeften en rechteloosheid waartegenover de Griekse autoriteiten onverschillig zouden staan.

8. De rechtbank overweegt verder dat het voorgaande niet betekent dat er geen individuele omstandigheden kunnen zijn op basis waarvan in een specifiek geval van statushouders niet kan worden verwacht terug te keren naar Griekenland. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het persoonlijke relaas van eiser geen aanknopingspunten voor die conclusie. Verweerder heeft er in dit verband terecht op gewezen dat uit de verklaringen van eiser volgt dat hij al toegang heeft tot medische hulp in Griekenland. Voor zover eiser de aan hem verleende zorg nog niet voldoende vindt, is het aan hem om de nodige inspanningen te leveren voor voldoende toegang tot gezondheidszorg, nu van hem mag worden verwacht dat hij zelf in Griekenland de rechten die voortvloeien uit zijn status effectueert. Bovendien kan eiser zich bij voorkomende problemen wenden tot de (hogere) autoriteiten in Griekenland. Naar het oordeel van de rechtbank is door eiser niet onderbouwd dat de Griekse autoriteiten hem niet willen of kunnen helpen.

9. De rechtbank oordeelt voorts in haar uitspraak van 6 maart 2019 dat het beroep van eiser op de door het Bundesverwaltungsgericht gestelde prejudiciële vragen geen doel treft, nu deze vragen dateren van vóór de voornoemde uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2018. Bovendien zal de beantwoording van de prejudiciële vragen voor de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet van beslissende betekenis zijn. Er is namelijk niet gebleken dat de levensomstandigheden voor statushouders in Griekenland niet aan de vereisten van de Kwalificatierichtlijn voldoen of dat ze in strijd zijn met artikel 4 van het Handvest of artikel 3 van het EVRM. De rechtbank ziet om dezelfde redenen geen aanleiding om, zoals de gemachtigde van eiser ter zitting heeft verzocht, het beroep aan te houden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen.

10. De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 6 maart 2019 (NL19.2949) het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen omdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep.

11. Eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van

6 maart 2019. De Afdeling heeft bij uitspraak van 29 maart 2019, zaaknummer 201902093/1/V3, het hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak bevestigd. Daarmee staat het besluit van 7 februari 2019 in rechte vast.

12. Vervolgens heeft eiser op 5 juli 2019 verweerder verzocht om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000. Bij primair besluit van 7 augustus 2019 heeft verweerder die aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat eiser niet de gevraagde bewijsmiddelen binnen de gestelde termijn heeft ingediend en BMA daardoor geen advies kan worden gevraagd.

Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij beschikking op bezwaar (bob) van 16 september 2019 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank beschikt niet over gegevens waaruit blijkt of eiser in beroep hiertegen op is gekomen.

De huidige asielaanvraag

13. Eiser heeft op 30 oktober 2019 andermaal een aanvraag gedaan tot het verlenen van verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser stelt zich op het standpunt dat Nederland de verantwoordelijkheid van zijn asielaanvraag op zich dient te nemen, aangezien hij als statushouder in Griekenland geen toegang zal hebben tot huisvesting en noodzakelijke medische zorg.

14. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij vanwege zijn medische omstandigheden als bijzonder kwetsbaar dient te worden aangemerkt en dat hij bij terugkeer naar Griekenland in een situatie van materiële deprivatie zal belanden. Eiser wijst in dit verband naar de nieuwe ontwikkelingen in de jurisprudentie omtrent de positie van bijzonder kwetsbare statushouders in Griekenland, zoals de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2385) en het arrest van het Europese Hof van Justitie (HvJ) inzake Ibrahim e.a. van 19 maart 2019, C-297/17, C318/17, C-319/17 en C-438/17 (ECLI:EU:C:2019:219). Tot slot wijst eiser naar de toegewezen interim measure van 17 oktober 2019 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake Darwesh and Others v. the Netherlands, application no. 523334/19.

15. Eiser brengt naar voren dat hij lijdt aan vaatlijden vanwege martelingen die hij in Syrië heeft ondergaan. Hierdoor treedt bij hem een vernauwing op van de slagaders die naar de beenspieren gaan. Een aantal tenen is al geamputeerd. Hij wordt sinds zijn verblijf in Nederland nauwgezet in de gaten gehouden door een vaatchirurg in het Deventerziekenhuis. Elke 20 dagen dient hij ter controle naar het ziekenhuis te gaan. Een operatie is noodzakelijk om het vaatlijden tegen te gaan en te voorkomen dat dat zijn been moet worden geamputeerd. Hij is niet in staat zelfstandig te lopen. Daarnaast ondergaat hij psychiatrische behandeling in verband met het trauma dat hij vanwege de marteling in Syrië heeft opgelopen. Verder heeft eiser verwezen naar een medisch stuk van 29 april 2019, dat is opgesteld door een verpleegkundig specialist in opleiding en een verpleegkundig specialist GGZ die zijn werkzaam zijn bij Team Ziekenhuispsychiatrie Deventer Dimence. Hij zit in een rolstoel. Geconcludeerd wordt dat hij al geruime tijd last heeft van een verminderde stemming en somberheid. Hij is uitgeprocedeerd en moet terug naar Syrië waar hij naar eigen zeggen vermoord zal worden. Verder staat er dat hij een poging tot suïcide heeft ondernomen, maar op dat moment geen concrete plannen heeft. Concluderend een man met een traumatisch verleden, PTSS en een man die klachten van moedeloosheid heeft in verband met uitzichtloze situatie ten aanzien van somatiek (mogelijk moet patiënt nog onderbeen amputatie ondergaan) en dreiging tot uitzetting.

16. Verder stelt eiser dat hij thans geen internationale bescherming in Griekenland (meer) geniet, omdat zijn verblijfsvergunning op 5 december 2019 is afgelopen. Hij verzoekt verweerder om de Griekse autoriteiten te vragen of hij nog in het bezit is van een geldige verblijfsvergunning en of de Griekse autoriteiten hem op grond van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn zullen ontvangen. Eiser vreest bij terugkeer naar Griekenland voor refoulement.

17. Voor wat betreft de huidige situatie voor statushouders in Griekenland verwijst eiser naar landeninformatie van VluchtelingenWerk. Hij zal bij terugkeer in Griekenland volledig op zichzelf zijn aangewezen om huisvesting te vinden. Hij heeft als statushouder nooit sociale ondersteuning gekregen.

Het bestreden besluit

18. Verweerder heeft op grond van artikel 3.118b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) besloten om eiser niet nader te horen, omdat hij van oordeel is dat een beoordeling kan plaatsvinden op grond van de informatie die door eiser is aangeleverd. Verweerder is – kort gezegd – van mening dat er geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen.

De beoordeling

19. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser aan zijn opvolgende asielaanvraag geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd. Voor zover eiser stelt dat hij thans in Griekenland geen internationale bescherming meer geniet nu zijn verblijfsvergunning aldaar op 5 december 2019 is verlopen, kan hij daarin niet worden gevolgd. Anders dan eiser kennelijk veronderstelt, brengt het verlopen van een verblijfstitel niet met zich dat hij geen internationale bescherming meer heeft. De rechtbank wijst ter vergelijking naar de uitspraak van de Afdeling van 9 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1253). Een internationale beschermingsstatus eindigt alleen na een individuele beoordeling. Aangezien niet is gebleken dat de Griekse autoriteiten de aan eiser verleende internationale bescherming hebben ingetrokken of beëindigd en door eiser dan ook niet is aangetoond, zoals verweerder terecht opmerkt, dat zijn verblijfsvergunning niet zal worden verlengd als hij daarom vraagt, kan ervan worden uitgegaan dat hij nog immer internationale bescherming geniet.

20. Verder kan weliswaar aan eiser worden toegegeven dat het arrest Ibrahim van het HvJ, de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2019 en de op 17 oktober 2019 afgegeven interim measure een novum zijn in die zin dat zij dateren van na het eerdere besluit van 7 februari 2019 dat in rechte vaststaat, maar verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze jurisprudentie – voor zover jurisprudentie al kan worden aangemerkt als een nieuw element of bevinding – niet is te beschouwen als een rechtens relevant novum.

21. Zoals reeds is overwogen is sprake van een opvolgende aanvraag en zal de rechtbank de situatie van statushouders in Griekenland en de persoonlijke situatie van eiser dus niet beoordelen als ware het een eerste aanvraag of een verkapt hoger beroep ten opzichte van de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2019. In maart 2019 heeft de Afdeling de situatie van eiser en de situatie in Griekenland beoordeeld om uitspraak te kunnen doen op het hoger beroep van eiser. Eiser dient in deze procedure aannemelijk te maken dat ofwel zijn medische conditie ofwel de situatie in Griekenland voor statushouders zodanig is verslechterd dat van hem niet kan worden gevergd om zich naar Griekenland te begeven om zijn rechten als statushouder te effectueren. De rechtbank toetst het bestreden besluit dus niet zonder meer aan de actuele situatie in Griekenland of aan de actuele medische conditie van eiser. Primair staat ter beoordeling of verweerder zich, gelet op hetgeen eiser heeft aangevoerd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van wezenlijke veranderingen ten opzichte van de eerste procedure. Het is aan eiser om dit te stellen en aannemelijk te maken en anders dan eiser stelt niet aan verweerder om zich ervan te vergewissen hoe de situatie van statushouders in Griekenland en van eiser in het bijzonder is. Hierbij zal de ter zitting geponeerde stelling van eiser dat een deel van de nu overgelegde informatie ten tijde van de eerste procedure reeds voorhanden was maar destijds niet is ingebracht en deze aldus moet worden beoordeeld als nieuw element of bevinding worden gepasseerd. Eiser is immers ook in de eerste procedure bijgestaan door een gemachtigde. Voor zover destijds het beroep onvoldoende was onderbouwd komt dit voor rekening van eiser.

22. In de eerste procedure is reeds geoordeeld dat het persoonlijk relaas van eiser voor zover dit betrekking heeft op zijn ervaringen in Griekenland geen aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat de situatie voor statushouders in Griekenland zo slecht is dat van eiser niet kan worden verwacht terug te keren. Eiser is na de eerste procedure niet teruggekeerd naar Griekenland en heeft dus daar geen nieuwe ervaringen opgedaan waarmee hij zijn huidige aanvraag zou kunnen onderbouwen. Voor zover eiser zijn persoonlijke ervaringen in Griekenland ten grondslag legt aan deze opvolgende aanvraag komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling hiervan.

23. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 30 mei 2018 overwogen dat de situatie voor statushouders in Griekenland moeilijk was. Zij konden moeilijk betaald werk vinden, de toegang tot de gezondheidszorg was voor hen moeizaam en zij waren volledig op zichzelf aangewezen om huisvesting te vinden. De situatie was echter niet zo slecht dat sprake was van extreme armoede of ontberingen van eerste levensbehoeften en rechteloosheid waartegenover de Griekse autoriteiten onverschillig zouden staan (vergelijk de punten 89 en 90 van het arrest Ibrahim). Volgens de Afdeling stelde verweerder zich terecht op het standpunt dat hij van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mocht uitgaan.

24. In haar uitspraak van 15 juli 2019 overweegt de Afdeling dat uit de door partijen aangehaalde bronnen niet blijkt dat de situatie voor statushouders die vanuit Nederland terugkeren naar Griekenland, is verbeterd. Verweerder heeft ter zitting bij de Afdeling bevestigd dat terugkerende statushouders niet in aanmerking komen voor huisvesting en toelagen die door de UNHCR worden geboden als onderdeel van het ESTIA-programma van het Asiel-, Migratie- en Integratiefonds van de Europese Unie. Ook andere aan dat programma verbonden voorzieningen en maatregelen vormen voor deze groep statushouders dus geen verbetering. Voor maatregelen die de Griekse overheid zelf neemt om de integratie van statushouders te bevorderen, zoals het aangekondigde HELIOS 2-programma, komt slechts een beperkt aantal statushouders in aanmerking.

25. Het vorenstaande neemt niet weg dat de Afdeling in haar uitspraak van 15 juli 2019 oordeelt dat uit de door partijen aangehaalde bronnen niet blijkt dat de situatie van statushouders in Griekenland wezenlijk is verslechterd ten opzichte van de situatie die in de uitspraak van 30 mei 2018 aan de orde was. Laatstgenoemde uitspraak is in de vorige asielprocedure van eiser nadrukkelijk betrokken.

26. De rechtbank overweegt dat eiser in zijn gronden van beroep slechts zeer summier heeft geconcretiseerd wat er in Griekenland voor statushouders is gewijzigd ten opzichte van de vorige procedure. De regelgeving waar eiser naar verwijst was voor zover relevant reeds van kracht gedurende de vorige procedure.

Uit de overgelegde informatie is bovendien niet eenduidig af te leiden of de informatie steeds betrekking heeft op statushouders of dat tevens de situatie van asielzoekers en vluchtelingen in het algemeen wordt belicht. Ook is uit de informatie niet steeds duidelijk op welke periode de informatie betrekking heeft. Wel is inzichtelijk wat de datum van publicatie is maar onduidelijk is of er sprake is van een andere situatie sinds de afronding van de eerste procedure. Het had op de weg van eiser gelegen om dit te verduidelijken zodat de rechtbank in staat zou zijn geweest om te beoordelen of sprake is van een wezenlijke verslechtering ten aanzien van de eerste procedure. Voor zover eiser thans onder verwijzing naar landeninformatie van VluchtelingenWerk stelt dat hij volledig op zichzelf zal zijn aangewezen om huisvesting te vinden en in dat verband nimmer ondersteuning heeft gekregen, verschilt die situatie niet wezenlijk van de situatie die in de vorige procedure al is beoordeeld, zoals verweerder terecht stelt.

27. Eiser heeft een werkdag voor de behandeling ter zitting meerdere producties waaronder een stuk overgelegd dat betrekking heeft op de procedure bij het EHRM inzake Darwesh and Others v. the Netherlands. Dit stuk behelst de “Written submissions on behalf of Refugee Support Aegaen (RSA) & Stiftung PRO ASYL” van 4 juni 2020 en is een weergave van de standpunten van beide ngo’s met betrekking tot de positie van statushouders in Griekenland. De bovengenoemde ngo’s hebben zich in de procedure bij het EHRM door tussenkomst gevoegd als “interveners”.

28. Verweerder heeft gesteld dat het in strijd met de goede procesorde is om zo kort voor de zitting nog zoveel stukken aan het digitale dossier toe te voegen, waarbij door verweerder is toegelicht dat stukken die door eiser worden geüpload pas de volgende dag voor verweerder zichtbaar zijn in het digitale dossier. Gemachtigde van eiser heeft erkend dat het meerdere producties betreft over statushouders in Griekenland en de medische situatie van eiser maar dat dit mede voortkomt uit de planning van de rechtbank. De rechtbank heeft met partijen besproken op welke wijze deze feitelijke gang van zaken zodanig kan worden gecompenseerd dat beide partijen voldoende in de gelegenheid worden gesteld om kennis te nemen van alle stukken en de standpunten daarover kenbaar te maken. De rechtbank heeft partijen voorgehouden dat indien wenselijk kan worden overgegaan tot een korte schorsing van de behandeling ter zitting, een langere aanhouding van de behandeling van het beroep of dat partijen na behandeling van de zaak een termijn voor een nader schriftelijk standpunt kan worden gegund. Partijen hebben uiteindelijk na de behandeling van de zaak aangegeven hier geen behoefte meer aan te hebben, zodat de rechtbank het onderzoek aansluitend aan de behandeling ter zitting heeft gesloten.

29. Eiser heeft een beroep gedaan op de interventie van RSA & PROASYL en heeft daarbij gesteld dat uit hun schriftelijke standpunt volgt dat het eiser zou moeten worden toegestaan om in Nederland een asielaanvraag in te dienen.

De rechtbank stelt vast dat eiser heeft nagelaten om aan te geven in hoeverre uit deze submissions volgt dat de situatie voor statushouders in Griekenland is gewijzigd ten opzichte van de vorige procedure.

30. De rechtbank acht zich echter bevoegd en bovendien gehouden een volledig en ex nunc onderzoek te verrichten om te kunnen beoordelen of eiser bij terugkeer naar Griekenland in een situatie komt die in strijd is met artikel 3 EVRM of artikel 4 Handvest. Daarom zal de rechtbank desondanks de inhoud van de submissions en de overige kort voor de zitting overgelegde stukken integraal bij de beoordeling betrekken.

31. De submissions bevat een uiteenzetting van de feitelijke gevolgen van regelgeving en beleid met betrekking tot statushouders. Uit deze productie blijkt onder meer dat statushouders niet langer zes maanden, maar 1 maand na statusverlening nog gebruik kunnen maken van opvang. Tevens is gedocumenteerd dat wordt overgegaan tot gedwongen ontruiming als de opvanglocatie na 1 maand niet wordt verlaten. De rechtbank overweegt allereerst dat statushouders anders dan asielzoekers geen recht hebben op opvang maar aan hen dezelfde rechten toekomen als aan Griekse burgers. Door te bepalen dat statushouders na een maand niet langer recht hebben op opvang handelt Griekenland dan ook niet in strijd met Europese regelgeving.

Ook met betrekking tot deze aspecten heeft eiser niet kenbaar gemaakt dat sprake is van een verslechtering sinds de vorige procedure. De rechtbank overweegt bovendien dat deze passage geen betrekking heeft op eiser omdat hij immers momenteel in Nederland verblijft. Voor zover eiser heeft bedoeld te betogen dat daardoor meer mensen naar woonruimte zoeken en dit zodanige krapte in de woningmarkt veroorzaakt dat het reëel en voorzienbaar is dat hij na terugkeer niet kan zorgdragen voor woonruimte overweegt de rechtbank dat dit niet uit de informatie blijkt. Hoe de woningmarkt in Griekenland zich verhoudt tot het aantal inwoners, zowel van Griekse als andere nationaliteit is niet duidelijk.

32. Blijkens de bijlage behorende bij de submissions is de terugkeer van enkele statushouders gemonitord. Onvoldoende inzichtelijk is echter wat de concrete feiten en omstandigheden van deze statushouders zijn en wat zij hebben ondernomen om hun rechten te effectueren. Ook is niet duidelijk in hoeverre deze weergave representatief is voor de situatie van terugkerende statushouders. De rechtbank kan aan deze passages dan ook geen conclusies verbinden voor de beoordeling van de opvolgende aanvraag van eiser. Anders dan eiser stelt blijkt uit de overgelegde stukken niet dat hij niet zal kunnen voorzien in het verkrijgen van woonruimte omdat de situatie in Griekenland is verslechterd in vergelijking met de vorige procedure.

Deze overwegingen van de rechtbank hebben ook betrekking op de passages over integratie en sociale voorzieningen zodat de beroepsgronden die hier op zien evenmin slagen.

33. De rechtbank overweegt verder dat indien eiser hier anders over denkt en zich op het standpunt stelt dat Griekenland zich niet houdt aan internationale en Europese verplichtingen hij hierover dient te klagen bij de Griekse autoriteiten. In de submissions wordt beschreven dat dit recht om te klagen niet kan worden beschouwd als een “effective remedy” omdat procedures te lang duren en omdat compensatie bij een gegronde klacht alleen een financiële compensatie kan inhouden en niet het alsnog waarborgen van rechten. De rechtbank overweegt dat paragrafen 54 en 55 waarin dit standpunt uiteen is gezet geen bronvermelding en geen nadere toelichting bevat zodat de rechtbank niet kan concluderen dat eiser zich niet tot de Griekse autoriteiten kan wenden om zijn rechten als statushouder te effectueren. In de eerste procedure is vast komen te staan dat eiser deze stelling evenmin met verklaringen of documenten aannemelijk had gemaakt.

34. De rechtbank stelt vast dat uit de productie behorende bij de third party interventie van RSA & PRO ASYL niet duidelijk wordt in hoeverre de informatie als onderbouwing voor de opvolgende aanvraag van eiser kan dienen omdat niet kan worden afgeleid hoe lang de beschreven feitelijke situatie al aan de orde is.

35. Tot slot stelt de rechtbank vast dat voor een geslaagd beroep op het arrest Ibrahim moet blijken dat de situatie van statushouders – als dit een situatie van verregaande materiele deprivatie zou zijn – moet voortkomen uit een onverschillige houding van de Griekse autoriteiten ten aanzien van statushouders. Ook dit blijkt niet uit de written submissions. Weliswaar hebben de Griekse autoriteiten nieuwe regelgeving en beleid afgekondigd die –kort gezegd – tot een feitelijke versobering leiden van de bestaande situatie voor statushouders. Echter dat de motieven van deze wijzigingen voortkomen uit onverschilligheid blijkt niet, temeer nu de situatie voor Griekse burgers vergelijkbaar is. Weliswaar wordt, zoals door eiser ter zitting aangegeven, vermeld dat enkele gevallen van racisme op de woningmarkt en bij lokale gemeenten bekend zijn, echter daar kan niet de algemene conclusie aan worden verbonden dat de Griekse autoriteiten onverschillig zijn ten aanzien van statushouders en daarom de regelgeving wordt gewijzigd.

36. Gelet op het vorenoverwogene concludeert de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de situatie voor statushouders dermate verslechterd is ten aanzien van de eerste procedure dat sprake is van nieuwe elementen en bevindingen.

37. De rechtbank oordeelt voorts dat uit de uitspraak van de Afdeling van 3 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:996) volgt dat verweerder bij het niet-ontvankelijk verklaren van en asielaanvraag geen beoordeling hoeft te maken als bedoeld in het arrest van het HvJ van

16 februari 2017 in de zaak C.K. tegen Slovenië (ECLI:EU:C:2017:127), omdat een beroep op dat arrest niet kan leiden tot verlening van een asielvergunning. Verweerder hoeft in zo’n geval dus niet te beoordelen of het risico bestaat dat de overdracht of uitzetting van de betrokken vreemdeling aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor diens gezondheid zal hebben en welke voorzorgsmaatregelen nodig zijn om die gevolgen te voorkomen. Indien eiser wil dat verweerder deze beoordeling wel maakt, kan hij daartoe kosteloos een aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 indienen.

38. Dat betekent echter niet, zoals de Afdeling ook overweegt in haar uitspraak van 15 juli 2019, dat de medische situatie van statushouders bij de niet-ontvankelijkverklaring van hun asielaanvraag niet relevant is, wanneer zij, net als eiser, betogen dat zij bij terugkeer naar de lidstaat waar zij een asielvergunning hebben gekregen, terechtkomen in leefomstandigheden die in strijd zijn met de artikelen 3 van het EVRM en 4 van het Handvest. Uit de punten 86, 88 en 93 van het arrest Ibrahim volgt namelijk dat de bijzondere kwetsbaarheid van individuele statushouders ertoe kan leiden dat zij bij terugkeer naar de lidstaat waar zij een asielvergunning hebben gekregen, buiten hun wil en keuzes om, zullen terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie als bedoeld in de punten 89 tot en met 91 van dat arrest. De medische situatie van statushouders kan hen – en degenen die noodgedwongen met de zorg voor hen zijn belast – bijzonder kwetsbaar maken. Hun lichamelijke of psychische problemen kunnen een negatieve invloed hebben op de mate waarin zij zich zelfstandig staande kunnen houden in de maatschappij en hun rechten kunnen effectueren. Omgekeerd kan een toestand van verregaande materiële deprivatie als bedoeld in het arrest Ibrahim negatieve gevolgen hebben voor hun lichamelijke of geestelijke gezondheid.

39. Ten aanzien van de vraag of eiser bijzonder kwetsbaar is als bedoeld in het arrest Ibrahim overweegt de rechtbank als volgt.

40. Eiser heeft psychische en fysieke klachten. In de beroepsgronden wordt gesteld dat eiser alleenstaand is, voor medische zorg afhankelijk is van derden die hem voortduwen in een rolstoel, dat hij elke 20 dagen medische controle nodig heeft bij de vaatchirurg vanwege vaatlijden, medicatie gebruikt, een operatie noodzakelijk is om te voorkomen dat zijn been wordt geamputeerd en dat hij stress gerelateerde klachten heeft. Door de psychiater is geoordeeld dat er een verhoogd suïciderisico is bij een chronisch uitzichtloze situatie. Volgens eiser is het gezien zijn handicap onmogelijk om arbeid te verrichten en in Griekenland een inkomen te genereren. Verder stelt eiser dat hij geen toegang tot medische en psychische zorg zal krijgen. De medische informatie die eiser bij zijn zienswijze heeft overgelegd dateert van 29 april 2019, dus van na de uitspraak van de rechtbank van 6 maart 2019 in de eerste asielprocedure. In dit stuk van Dimence staat dat hij suïcidale gedachten heeft, maar nog geen concrete plannen. Er is op het moment van schrijven geen acuut verhoogd risico. Verder blijkt dat het vaatlijden dermate ernstig is dat mogelijk een onderbeen-amputatie dreigt. Op 27 april 2019 is eiser ontslagen uit het ziekenhuis en (weer) naar het AZC in Schalkhaar gegaan. Onder het kopje “Nazorg” staat dat eiser een vervolgafspraak heeft gemaakt op de poli heelkunde en dat daarnaast maatschappelijk werk is ingeschakeld om te kijken of zij hem binnen het AZC op praktisch gebied nog kunnen ondersteunen.

41. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn gronden meerdere medische stukken overgelegd. De rechtbank overweegt dat deze stukken de beroepsgronden niet onderbouwen maar zelfs ontkrachten.

42. Uit productie 2, gevoegd bij de aanvullende gronden van beroep van 19 februari 2020 blijkt dat de chirurg aangeeft dat eiser leidt aan de ziekte van Buerger die in stand wordt gehouden door het rookgedrag van eiser en dat wordt verwacht dat de behandeling rond 1 april 2020 zal kunnen worden beëindigd. Ook is bijgevoegd een verklaring van de huisarts van 12 februari 2020 die aangeeft dat eiser geen behandeling meer krijgt voor zijn psychische klachten.

43. Bij de stukken die eiser kort voor de behandeling ter zitting heeft overgelegd bevinden zich actuelere medische stukken. Als productie 9 is bijgevoegd een schrijven van de chirurg van 25 mei 2020. Uit deze brief blijkt dat operatief ingrijpen of een dotterbehandeling de situatie van eiser niet zal verbeteren en dat medicamenteuze behandeling dat slechts beperkt zal doen. Aan eiser wordt gezegd te stoppen met roken omdat dit het ontstekingsbeleid duidelijk stimuleert en dus essentieel is voor een succesvol verloop. Dat voor eiser een operatie noodzakelijk is om de klachten te verminderen blijkt dus niet. Uit deze stukken blijkt dat eiser niet zal genezen van deze aandoeningen, maar niet blijkt van een verslechtering ten aanzien van de eerste procedure. Weliswaar bestaat de kans dat indien eiser de door de arts dringend geadviseerde gedragsverandering niet doorvoert meerdere ledematen moeten worden geamputeerd. Hoe verschrikkelijk dit ook moet zijn voor eiser blijkt hieruit niet een wezenlijke verslechtering van diens medische situatie en ten gevolge daarvan een verminderde mogelijkheid voor eiser om zijn rechten als statushouder te kunnen effectueren. Hierbij betrekt de rechtbank dat eiser ter zitting heeft verklaard dat hij in Griekenland ook reeds rolstoelafhankelijk was. Eiser had dit standpunt dan ook nader moeten onderbouwen en motiveren.

44. Eiser heeft gesteld dat hij inmiddels afhankelijk is van mantelzorg en dit met zich brengt dat hij zich in Griekeland niet zelfstandig kan handhaven. De rechtbank overweegt dat niet duidelijk is in hoeverre deze situatie nieuw is ten aanzien van de vorige procedure en dat overigens uit de overlegde producties niet blijkt dat mantelzorg is geïndiceerd en hiervoor in Nederland voorzieningen zijn toegekend. Uit productie 4 gevoegd bij de aanvullende gronden van 25 mei 2020 blijkt dat op 29 augustus 2019 vanuit het COA zorgen zijn geuit of eiser kan zorgdragen voor hygiëne van zijn leefomgeving omdat hij zelf zegt dat niet te kunnen doen en daarom de ergotherapeut om advies is gevraagd. Hieruit blijkt onvoldoende dat professionele hulp daadwerkelijk is ingezet of noodzakelijk is. Eiser heeft ter zitting naar voren gebracht dat zijn echtgenote, met wie hij in januari 2020 is gehuwd, op dit moment dagelijks naar hem toe komt en helpt met zijn dagelijkse verzorging. De echtgenote van eiser, die ter zitting aanwezig was, heeft dit bevestigd. Desgevraagd heeft gemachtigde van eiser aangegeven dat de echtgenote een status heeft in Nederland en eiser niet kan en zal vergezellen bij terugkeer naar Griekeland. De rechtbank stelt vast dat uit bovengenoemd schrijven van 27 april 2019 en uit de situatie dat de echtgenote eiser dagelijks helpt met zijn verzorging niet valt af te leiden dat mantelzorg noodzakelijk is. Daargelaten dat eiser dit niet heeft onderbouwd, heeft eiser eveneens niet onderbouwd dat mantelzorg voor hem in Griekenland niet toegankelijk is of dat het nodig hebben van hulp bij zijn verzorging betekent dat hij zijn rechten als statushouders niet kan effecturen. Het valt zonder nadere toelichting, welke ontbreekt, niet zonder meer in te zien hoe het al dan niet nodig hebben van hulp bij de dagelijkse verzorging van invloed is op onder meer toegang tot de woningmarkt, de arbeidsmarkt, integratievoorzieningen en andere (sociale) voorzieningen.

Dat eiser thans hulp krijgt bij zijn dagelijkse verzorging betekent dan ook niet dat verweerder van eiser niet mag verwachten terug te keren naar Griekenland.

45. Voor zover eiser heeft gesteld dat hij psychische klachten heeft stelt de rechtbank vast dat hij daarvoor geen behandeling meer krijgt. Het ingeschatte suïcide-risico was (in ieder geval deels) gekoppeld aan de gedachte dat hij terug zou moeten keren naar Syrië, zo blijkt uit het schrijven van Dimence. Voor eiser moet inmiddels duidelijk zijn dat terugkeer naar Syrië niet aan de orde is. De rechtbank overweegt dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt dat hij thans psychische klachten heeft die hem zullen belemmeren in zijn mogelijkheden om zijn rechten als statushouder in Griekenland te effecturen. Of sprake is van een verslechtering van de psychische klachten ten aanzien van de eerste procedure kan dan ook onbesproken blijven.

46. Gelet op bovenstaande overwegingen concludeert de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser als bijzonder kwetsbaar in de zin van het arrest Ibrahim moet worden aangemerkt. Verweerder heeft dan ook mogen oordelen dat dit arrest geen nieuw element of bevinding is ten aanzien van de eerste procedure van eiser. De opmerking van eiser in de gronden van beroep in ieder geval kwetsbaar is in de zin van de arresten Popov of Tarakhel laat de rechtbank onbesproken om dat deze enkele opmerking in het geheel niet is toegelicht.

47. Omdat eiser door verweerder niet behoeft te worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar wijst de rechtbank het verzoek om aanhouding totdat het EHRM heeft beslist in de zaak Darwesh and Others v. the Netherlands af. In deze zaak waarin een interim measure is getroffen en waarin vragen aan Nederland zijn gesteld en RSA & PRO ASYL zich door tussenkomst in de procedure hebben gevoegd is de situatie van een gezin met twee jonge kinderen waarvan de moeder leidt aan de ziekte van Bowen aan de orde. De rechtbank acht deze feiten onvoldoende vergelijkbaar met de situatie van eiser zodat de beslissing van het EHRM niet behoeft te worden afgewacht. Het staat eiser uiteraard vrij om zijn zaak, nadat de nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput, zelf voor te leggen aan het EHRM..

48. Tot slot heeft eiser gesteld dat de corona-epidemie vereist dat eiser in de nationale procedure moet worden opgenomen. De rechtbank overweegt dat de verwijzing van eiser naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze zittingsplaats gepubliceerd onder ECLI:RBDHA:2020:3837 geen doel treft. In die zaak was eiseres niet in staat haar medische conditie te onderbouwen omdat de Nederlandse medische voorzieningen voor haar niet toegankelijk waren vanwege de beperkende corona-maatregelen. De voorzieningenrechter heeft daarom het verzoek toegewezen een daarbij aangegeven dat tegen de tijd dat het beroep moet worden behandeld verweerder de actuele situatie van de medische voorzieningen in Griekenland in verband met een mogelijke diagnose van eiseres moet betrekken. De linkjes die eiser heeft toegevoegd over de problemen die asielzoekers op de Griekse eilanden en elders ervaren door de corona-epidemie zijn geen onderbouwing voor de beroepsgronden van eiser zodat de rechtbank deze verder onbesproken laat.

Conclusie

49. De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder hoeft eiser dus niet toe te laten tot de asielprocedure en hoeft evenmin de door Griekenland verleende status aan te merken als ware deze door verweerder verleend. Het beroep is ongegrond.

50. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.A.M.J. Smulders, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:29 juni 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.