Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5950

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-06-2020
Datum publicatie
01-07-2020
Zaaknummer
NL20.2669
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burundi, asiel, journalist, maatschappelijk middenveld, risicogroep, motiveringsgebrek, beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.2669

V-nummer: [V-nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

(gemachtigde: mr. L.M. Deiman),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Jansen).


Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 7 januari 2020 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft op 2 april 2020 een aanvullend besluit genomen. Eiser heeft naar aanleiding daarvan aanvullende beroepsgronden ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. Mukankusi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Burundese nationaliteit. Op 7 juni 2016 heeft hij een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eisers beroep tegen dat besluit is ongegrond verklaard.1 Eiser is niet binnen de daarvoor gestelde termijn overgedragen aan Italië, omdat hij met onbekende bestemming is vertrokken.

2. Op 26 april 2018 heeft eiser opnieuw een asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft hij het volgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft van 2008 tot 13 mei 2015 gewerkt voor het radio-/televisiestation RT Renaissance in Burundi. In de periode 2010-2014 heeft hij ook aan een aantal projecten voor het United Nations Development Program (UNDP) gewerkt. Daarnaast was eiser sinds 2004 lid van de APDDH2, een lokale mensenrechtenorganisatie die is aangesloten bij FORSC3, een forum dat bestaat uit 146 organisaties. Voor deze organisatie heeft eiser voorlichtingen gegeven, campagne gevoerd en deelgenomen aan demonstraties tegen de president, die de grondwet wilde veranderen om een derde ambtstermijn te kunnen realiseren. Eiser heeft ook reportages gemaakt over deze manifestaties. In mei 2015 vond er een staatsgreep plaats door officieren en generaals die ook tegen de grondwetswijziging waren en het geweld tegen de bevolking wilden stoppen. RT Renaissance is één van de radiozenders die hun toespraak hebben uitgezonden. Op 14 mei 2015 hebben de autoriteiten de gebouwen van diverse radiozenders, waaronder RT Renaissance, in brand gestoken. Daarna is SOS Media opgericht, een digitaal platform waarop journalisten nieuws uit Burundi publiceren, om mensen te informeren over wat er echt aan de hand is in het land. Eiser heeft ook op dit platform gepubliceerd. Op 23 mei 2015 is eisers buurman, ook een journalist, beschoten en gewond geraakt. Degene met wie hij samen was is doodgeschoten. Dit vormde voor eiser aanleiding om te gaan onderduiken bij zijn oom in Kigobe. Zijn oom is kolonel en is op 10 juli 2015 gedeserteerd. Op diezelfde dag is de woning van de oom doorzocht en daarbij zijn spullen van eiser meegenomen, waaronder zijn laptop en documenten over zijn werk bij het radiostation. Op 11 juli 2015 is ook eisers huis doorzocht. Eisers neef, die in zijn huis verbleef, is toen meegenomen en sindsdien heeft niemand meer iets van hem vernomen. Ook het huis van eisers moeder is die dag doorzocht, maar zij was een paar weken eerder al samen met eisers vrouw naar Rwanda gevlucht. Eiser heeft daarna op verschillende plekken in verschillende wijken gewoond. Op 21 november 2015 was eiser terug in Ngagara – de wijk van Bujumbura waar hij woonde - om een interview te geven. Hij had afgesproken in een café en net nadat hij daar was vertrokken, kwam de inlichtingendienst hem zoeken. Op 11 of 12 december 2015 is het huis van eisers moeder weer doorzocht. Zij was op dat moment weer thuis en zij hebben haar gevraagd waar haar ‘rebellenzoon’ was. In januari/februari 2016 heeft eiser bij [naam 2] gelogeerd, een advocaat en oud-klasgenoot. Begin maart 2016 is zijn huis doorzocht en is hij meegenomen door de inlichtingendienst en gemarteld. Al deze gebeurtenissen hebben ertoe geleid dat eiser op 8 mei 2016 Burundi heeft verlaten. Eiser heeft verder nog aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij Tutsi is en ook om die reden problemen heeft ondervonden met de geheime diensten. Ook heeft hij problemen gehad omdat hij atheïst is.

3. Verweerder heeft de volgende relevante elementen uit het relaas vastgesteld:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst
2. Werkzaamheden UNDP
3. Actief journalist zijn
4. Problemen vanwege journalist zijn
5. Problemen vanwege lidmaatschap van APDDH
6. Problemen vanwege etniciteit Tutsi
7. Problemen vanwege atheïst zijn

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond. Verweerder acht element 1 geloofwaardig. Element 2 acht verweerder ook geloofwaardig, maar verweerder stelt vast dat niet is gebleken dat eiser vanwege deze werkzaamheden problemen heeft ondervonden. Verweerder acht verder geloofwaardig dat eiser werkzaam is geweest bij RT Renaissance, maar niet dat eiser na 2014 nog actief is geweest als journalist en hierom bekendheid genoot. De werkzaamheden voor SOS Media acht verweerder ongeloofwaardig. Element 4 acht verweerder ongeloofwaardig. Verweerder heeft alle door eiser genoemde incidenten afzonderlijk beoordeeld en geconcludeerd dat deze ongeloofwaardig zijn. Daar komt bij dat eiser in december 2015 zijn paspoort heeft verlengd en daarna op legale wijze probleemloos zijn land heeft verlaten. Ook werpt verweerder in dit verband aan eiser tegen dat hij na zijn eerste asielprocedure in Nederland met onbekende bestemming is vertrokken. Element 5 acht verweerder geloofwaardig, maar verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij hierdoor in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. Tot slot acht verweerder elementen 6 en 7 ongeloofwaardig.

5. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.

6. Verweerder heeft in zijn beleid ten aanzien van Burundi – paragraaf C7/7.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000, voor zover hier relevant – het volgende opgenomen:
“De IND merkt voor Burundi uitsluitend de volgende groep als risicogroep aan:
a. journalisten;
b. oppositieleden; en
c. personen die een significante rol spelen in het maatschappelijk middenveld.
ad a: Tot deze groep rekent de IND journalisten die actief zijn of na 2014 actief zijn geweest voor regeringskritische media.
(..)
ad. c: Tot deze groep rekent de IND vertegenwoordigers van NGO’s of andere organisaties die vanwege de significante rol die deze personen spelen in het maatschappelijk middenveld door de autoriteiten worden gezien als tegenstanders van de regering.”

7. In geschil is allereerst of eiser na 2014 als journalist actief is geweest voor regeringskritische media en om die reden tot een risicogroep behoort. Verweerder betwist niet dat eiser als journalist bij RT Renaissance gewerkt heeft, maar stelt vast dat eiser van maart 2014 tot mei 2015 was aangesteld bij de programma-afdeling en in die hoedanigheid betrokken was bij de programmering en de coördinatie van de dagelijkse activiteiten van de zender. Andere dan journalistieke werkzaamheden bij een journalistieke organisatie kunnen niet gelijk gesteld worden met de werkzaamheden van een journalist. Bovendien kan hij zijn werkzaamheden als journalist enkel onderbouwen met bijdragen aan reportages van vóór 2014, zodat eiser volgens verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ook ná 2014 nog actief was als journalist.

8. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat eiser tot 14 mei 2015 – de dag van de brandstichting – bij RT Renaissance heeft gewerkt en dat deze radiozender behoorde tot de groep ‘regeringskritische media’. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder vervolgens onvoldoende gemotiveerd waarom eisers werkzaamheden voor RT Renaissance na 2014 niet aangemerkt kunnen worden als journalistieke werkzaamheden. Dat eiser een coördinerende functie had, betekent immers niet dat zijn werkzaamheden plotseling niet meer als journalistiek kunnen worden aangemerkt. Eiser heeft verklaard dat hij in eerste instantie een ‘gewone’ journalist was. Hij had verschillende werkzaamheden, waaronder het maken van reportages en het lezen van het journaal op de radio. Vanaf 2014 werd hij belast met de coördinatie van programma’s, gelet op zijn ruime werkervaring bij onder meer de Verenigde Naties. Soms was er echter zoveel nieuws en informatie dat eiser, naast zijn coördinerende werkzaamheden, ook nog reportages maakte en interviews afnam. Hij was dan ook te horen op de radio.4 Eiser heeft ook een reportage gemaakt over het onrecht dat de burgers die aanwezig waren bij de manifestaties tegen de derde ambtstermijn is aangedaan.5 Verweerder heeft onvoldoende waarde toegekend aan deze verklaringen van eiser. Ter zitting heeft verweerder verwezen naar p. 41 van het ambtsbericht6 en de vergelijking gemaakt met bloggers, die minder risico lopen omdat ze meer in de anonimiteit opereren. Deze vergelijking volgt de rechtbank niet. Eiser heeft immers verklaard dat hij juist niet in de anonimiteit opereerde: hij had een ‘allround’ functie bij een radiostation dat bekend stond om zijn kritiek op de regering. Bovendien merkt de rechtbank op dat op p. 41 van het ambtsbericht staat dat hoewel bloggers meer in de anonimiteit opereren, ze nog steeds voorzichtig te werk moeten gaan omdat ze in de problemen kunnen komen als hun artikelen te ‘politiek’ worden. Tot slot merkt de rechtbank op dat eiser een goede verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van bewijsmateriaal van zijn werkzaamheden. Zoals wordt bevestigd op p. 28 van het ambtsbericht, is het overgrote deel van het materiaal van de radiostations vernietigd op 14 mei 2015. De rechtbank concludeert dat verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft waarom eiser niet tot deze risicogroep behoort. De beroepsgrond slaagt.

9. Verder is in geschil of eiser behoort tot de risicogroep ‘personen die een significante rol spelen in het maatschappelijk middenveld’. Verweerder heeft bij zijn beoordeling of eiser vanwege zijn lidmaatschap van de APDDH behoort tot deze groep drie elementen betrokken: de aard van de politieke of maatschappelijke beweging, de mate waarin deze beweging doelwit is van de autoriteiten, en de aard en intensiteit van de betrokkenheid van de vreemdeling bij deze beweging. Volgens verweerder valt de APDDH onder FORSC, maar heeft deze beweging een veel minder politiek en meer algemeen, maatschappelijk karakter. APDDH noch FORSC zijn verboden in Burundi, terwijl andere mensenrechtenorganisaties dat wel zijn. Uit openbare bronnen blijkt niet dat APDDH stelselmatig doelwit van de autoriteiten is geweest of zal worden. Eiser heeft met zijn verklaringen ook niet aannemelijk gemaakt dat de APDDH een doelwit van de autoriteiten is. Tot slot heeft eiser summier verklaard over zijn rol binnen de organisatie en over de demonstraties, campagnes en manifestaties waarbij hij betrokken zou zijn geweest. Hij heeft dit ook niet met documenten onderbouwd. Verweerder concludeert daarom dat eiser niet tot deze risicogroep behoort.

10. Ter zitting is vast komen te staan dat verweerder onderzoek heeft gedaan naar de verkeerde organisatie. De bron die verweerder heeft genoemd in het aanvullend besluit gaat over de organisatie APDH7, niet over APDDH. Desalniettemin handhaaft verweerder zijn standpunt dat niet is gebleken dat leden van APDDH het doelwit van vervolging door de Burundese autoriteiten zijn. Verder stelt verweerder dat APDDH niet te vinden is in openbare bronnen en dat eiser heeft nagelaten verifieerbare informatie over te leggen waaruit het bestaan van APDDH en het verschil met APDH blijkt.

11. Omdat verweerder de verkeerde organisatie heeft onderzocht, kan zijn standpunt over de aard van de beweging niet in stand blijven. In het verweerschrift wordt eiser voor het eerst tegengeworpen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat APDDH bestaat, waardoor hij onvoldoende gelegenheid heeft gehad om daarop te reageren. In het bestreden besluit zijn immers al eisers verklaringen over dit element geloofwaardig geacht. Waarom eiser het verschil met APDH zou moeten aantonen is de rechtbank niet duidelijk: eiser heeft immers nooit verklaard dat hij daar lid van was. Verder heeft verweerder ten onrechte overwogen dat FORSC niet verboden is in Burundi. Niet in geschil is dat uit verschillende door eiser aangehaalde bronnen blijkt dat FORSC geschorst is op 23 november 2015 vanwege de campagnes tegen de derde ambtstermijn. Ter zitting heeft verweerder erkend dat een schorsing op zijn minst genomen een tijdelijk verbod is. Tot slot stelt de rechtbank vast dat verweerder in het voornemen en bestreden besluit eiser gevolgd heeft in zijn verklaringen dat hij voorlichtingen heeft gegeven, burgers heeft gemobiliseerd, heeft deelgenomen aan manifestaties, en campagnes tegen illegale praktijken heeft gevoerd. Ook wordt gevolgd dat eiser tijdens één van de manifestaties is geïdentificeerd en dat er werd geschoten. Ook bij andere manifestaties werd er geschoten. Vervolgens overweegt verweerder in het aanvullend besluit dat eiser vaag en summier heeft verklaard over zijn rol binnen de organisatie, dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij geïdentificeerd is en dat hij zijn rol binnen de organisatie niet met documenten heeft onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet met elkaar te rijmen en kon verweerder in het aanvullend besluit niet zonder nadere motivering – die ontbreekt – terugkomen van zijn standpunt dat al eisers verklaringen over zijn lidmaatschap van APDDH en de problemen die hij daardoor heeft gehad geloofwaardig zijn. De rechtbank concludeert dat verweerder ook onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser niet tot deze risicogroep behoort.

11. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een bestuurlijke lus, omdat dat volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om deze zaak af te doen. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt het bestreden besluit;

 draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

1 Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 29 september 2016, zaaknummer AWB 16/19948 (niet gepubliceerd).

2 Association pour la protection et la défense des droits de l’homme

3 Forum pour le Renforcement de la Société Civile

4 Zie het verslag eerste gehoor, p. 11 en het verslag aanvullend gehoor, p. 5

5 Zie verslag nader gehoor, p. 7

6 Algemeen ambtsbericht Burundi, Ministerie van Buitenlandse Zaken, 22 maart 2017

7 Association pour la Paix et les Droits de l’Homme