Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5948

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-06-2020
Datum publicatie
01-07-2020
Zaaknummer
AWB 20/406
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nareis, Eritrea, identiteit en familierechtelijke relatie niet aangetoond, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 20/406

V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres,

gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. R.A.P.M. van der Zanden.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 19 december 2019 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 28 mei 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

  1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Eritrese nationaliteit te hebben. Op 29 maart 2016 heeft de gestelde echtgenoot van eiseres, [naam 2], een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gekregen. Op 13 april 2016 heeft hij namens eiseres een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis aangevraagd. Bij besluit van 19 juli 2017 heeft verweerder die aanvraag afgewezen. Eiseres heeft daar bezwaar tegen gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard, omdat eiseres haar identiteit en de familierechtelijke relatie met referent niet heeft aangetoond.

  2. Bij de beoordeling van nareiszaken hanteert verweerder een vaste gedragslijn.1Blijkens deze gedragslijn betrekt verweerder, als een vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen officiële documenten over de gestelde familierelatie kan overleggen, maar wel één of meer onofficiële documenten over de gestelde familierelatie heeft overgelegd, deze onofficiële documenten bij zijn beoordeling. Deze documenten kunnen verweerder aanleiding geven om de desbetreffende vreemdeling aanvullend onderzoek aan te bieden. Hiervoor is in de eerste plaats vereist dat de onofficiële documenten die die vreemdeling over de gestelde familierelatie heeft overgelegd, substantieel bewijs zijn. In de tweede plaats is vereist dat die vreemdeling, als hij geen officiële documenten heeft overgelegd om zijn identiteit aan te tonen en stelt dat hij geen officiële identiteitsdocumenten kan overleggen, dit met een op de persoon toegespitste verklaring aannemelijk maakt óf substantieel bewijs van zijn identiteit in de vorm van één of meer onofficiële identiteitsdocumenten overlegt. Het overleggen van één onofficieel document is volgens verweerder in de regel onvoldoende voor het aannemelijk maken van de identiteit of de gestelde familierelatie. Verweerder beoordeelt het geheel aan overgelegde documenten en afgelegde verklaringen en kent aan documenten die zijn opgesteld op basis van eigen verklaringen minder betekenis toe dan aan documenten die zijn gebaseerd op andere documenten of verklaringen. Verweerder biedt echter geen aanvullend onderzoek aan als een contra-indicatie van toepassing is.

3. Ter onderbouwing van haar aanvraag heeft eiseres een kopie van haar Eritrese identiteitskaart, een kopie van haar Eritrese geboorteakte en een kerkelijke huwelijksakte overgelegd. Er zijn dus geen officiële documenten ingebracht ter onderbouwing van de identiteit van eiseres en haar gestelde familierelatie met referent.

4. De kerkelijke huwelijksakte is onderzocht door Bureau Documenten (BD). Uit de verklaring van onderzoek van 20 juli 2017 blijkt dat dit document vals is. Eiseres heeft in beroep betoogd dat BD een kopie van het document heeft onderzocht. Referent heeft het originele document overhandigd aan VluchtelingenWerk en zij hebben vervolgens een kopie aan verweerder gezonden. De rechtbank merkt allereerst op dat eiseres dit betoog in het geheel niet heeft onderbouwd. Verder is de rechtbank met verweerder van oordeel dat uit de verklaring van onderzoek van BD niet blijkt dat er een kopie is onderzocht. Er wordt immers gesproken over handgeschreven handtekeningen en over stempelafdrukken. Indien er een kopie van een document was ingebracht, dan zou dit benoemd zijn in de verklaring van onderzoek. Deze beroepsgrond faalt.

5. Verweerder mag er in beginsel van uitgaan dat de verklaring van onderzoek van BD op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Dat laat echter onverlet dat zich situaties kunnen voordoen waarin de vergewisplicht van verweerder als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht meebrengt dat hij moet nagaan hoe BD tot zijn conclusies is gekomen.2 Eerst ter zitting heeft eiseres enkele kritische kanttekeningen geplaatst bij de inhoud van de verklaring van onderzoek. Zij heeft opgemerkt dat onduidelijk is of BD beschikt over vergelijkingsmateriaal voor deze specifieke kerk. Daarnaast vindt zij de conclusies over de opmaak van het document niet inzichtelijk. De rechtbank is van oordeel dat deze niet nader onderbouwde opmerkingen ter zitting onvoldoende zijn om te concluderen dat verweerder niet aan zijn vergewisplicht heeft voldaan. Bovendien vindt de rechtbank de redenering in de verklaring van onderzoek begrijpelijk en sluiten de conclusies daarop aan.

6. Het voorgaande betekent dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat de kerkelijke huwelijksakte niet als bewijsmiddel voor de gestelde familierechtelijke relatie kan dienen, omdat het een vals document betreft. Er zijn geen andere documenten ter onderbouwing van het gestelde huwelijk overgelegd, zodat verweerder heeft kunnen concluderen dat het huwelijk niet is aangetoond.

7. Eerst ter zitting heeft eiseres betoogd dat als verweerder niet gelooft dat eiseres en referent getrouwd zijn, zij in ieder geval aangemerkt moeten worden als partners. Een huwelijk is immers niet noodzakelijk om te kunnen nareizen. Referent heeft tijdens zijn asielprocedure in 2016 meteen benoemd dat eiseres zijn partner is. Ook dit betoog volgt de rechtbank niet. Nog afgezien van het feit dat referent de aanvraag heeft ingediend namens zijn gestelde echtgenote – en niet zijn gestelde partner – is deze gestelde partnerschapsrelatie in het geheel niet onderbouwd. Het enkele feit dat referent eiseres genoemd heeft tijdens zijn asielprocedure is daarvoor onvoldoende.

8. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiseres haar identiteit niet heeft aangetoond. De geboorteakte en de identiteitskaart zijn slechts in kopie overgelegd, zodat verweerder deze niet heeft kunnen onderzoeken op echtheid. De identiteitskaart is bovendien niet vertaald, zodat dit document niet als (indicatief) bewijsmiddel kan dienen. De geboorteakte is wel een indicatief bewijsmiddel, maar nu dit het enige bewijsmiddel is, hoefde verweerder geen aanleiding te zien om nader onderzoek aan te bieden. Dit klemt temeer nu sprake is van een ingebracht vals document.

9. De conclusie is dat verweerder het bezwaar terecht kennelijk ongegrond heeft verklaard. Het beroep is daarom ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2020.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Zie ook paragraaf C1/4.4.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000

2 Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:628 en ECLI:NL:RVS:2020:636.