Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5945

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-06-2020
Datum publicatie
02-07-2020
Zaaknummer
AWB 19/8043
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv regulier, geen vrijstelling middelenvereiste, ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/8043

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 26 juni 2020 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Marokkaanse nationaliteit,

eiser,

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. L.K. Matpanözer, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel “verblijf bij familie- of gezinslid” afgewezen.

Bij besluit van 1 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft 15 mei 2020 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2020. Eiser is vertegenwoordigd door een waarnemer van zijn gemachtigde, mr. P. Ozyakup. Verweerder is niet verschenen.


Overwegingen

  1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling het volgende.
    Eiser wenst verblijf bij mevrouw [referente] , verder te noemen referente. Eiser en referente zijn op 25 mei 2017 met elkaar gehuwd in Marokko. Referente ontvangt een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw).

  2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan het inburgeringsvereiste. De aanvraag is ook afgewezen, omdat referente niet aan het inkomensvereiste voldoet. De afwijzing van de aanvraag levert geen schending op van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3. Eiser voert aan dat sprake is van een situatie waarin het voor hem onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt om gebruik te maken van zijn recht op gezinshereniging. Verweerder heeft eiser en referente ten onrechte niet vrijgesteld van het middelenvereiste. Referente is al zeven jaar ontheven van haar plicht tot arbeidsinschakeling. Er wordt daarmee voldaan aan de ratio van het beleid zoals dat destijds was vastgelegd in paragraaf B7/2.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Het beleid laat verweerder ook ruimte om een individuele beoordeling te maken. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom referente gelet op haar persoonlijke omstandigheden niet wordt geacht blijvend niet in staat te zijn om aan de wettelijke plicht tot arbeidsinschakeling te voldoen. Uit haar medische informatie blijkt dat zij niet in staat is om te werken.
Eiser voert voorts aan dat verweerder hem ten onrechte niet vrijstelt van het inburgeringsvereiste. Hij heeft veel inspanningen verricht om het inburgeringsexamen te halen, maar het lukt hem niet om te slagen. Zijn resultaten laten ook geen progressie zien. Eiser is analfabeet, ongeschoold en van middelbare leeftijd. Ter onderbouwing van zijn inspanningen het inburgeringsexamen te halen heeft eiser meerdere stukken overgelegd.

3.1

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat niet is aangetoond dat referente blijvend en volledig arbeidsongeschikt is, dan wel dat zij blijvend niet in staat zou zijn aan de plicht tot arbeidsinschakeling te voldoen. Het standpunt dat referente reeds zeven jaar volledig zou zijn ontheven van de verplichting tot arbeidsinschakeling blijkt, anders dan eiser stelt, ook niet uit de overgelegde stukken. Uit de brief van de gemeente Amsterdam van 9 januari 2018, blijkt dat referente sinds mei 2015 is vrijgesteld van de sollicitatieverplichting. De stelling ter zitting dat dit mogelijk pas in 2015 is vastgesteld, maar reeds eerder speelde omdat referente in 2013 is uitgevallen naar aanleiding van een re-integratietraject, blijkt niet uit de overgelegde stukken. Referente voldeed ten tijde van het bestreden beluit dan ook niet aan de voorwaarden om voor vrijstelling van het middelenvereiste in aanmerking te komen. Er is voorts ook geen medische informatie overgelegd waaruit kan blijken dat referente (ook in de toekomst) niet in staat is om te werken.

4. Nu verweerder eiser en referente niet vrij heeft hoeven stellen van het middelenvereiste en deze afwijzingsgrond de afwijzing van de gevraagde mvv zelfstandig kan dragen, zal de rechtbank de overige gronden onbesproken laten.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Mac Donald, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Schaap-Huijsmans, griffier, op 26 juni 2020.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.