Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5933

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-06-2020
Datum publicatie
10-07-2020
Zaaknummer
NL20.1412 + NL20.1413
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het ongeloofwaardig is dat eiseres al voor haar vertrek uit Iran weblogs en artikelen met een politieke inhoud schreef. Het begrip “politieke overtuiging” in de zin van artikel 10, eerste lid, onder e, van de Kwalificatierichtlijn (alsmede artikel 3.37, eerste lid, onder e, van het VV 2000) moet ruim worden geïnterpreteerd. Verweerder heeft, gelet op de publicatie van artikelen door eiseres na haar vertrek uit Iran op oppositionele websites die een groot bereik hebben en door de Iraanse autoriteiten als vijandig worden beschouwd en nu tussen partijen niet in geschil is dat de Iraanse autoriteiten (hard) optreden tegen personen die zich inzetten voor mensenrechten en vrouwenrechten, onvoldoende gemotiveerd dat eiseres niet (nu al) in de negatieve belangstelling staat van de Iraanse autoriteiten. Verweerder kon zich niet beperken tot de motivering dat eiseres, indien zij beschermd wil worden door het vluchtelingenrecht - of meer specifiek - indien zij aangemerkt wil worden als ‘refugié sur place’, allereerst aannemelijk moet maken dat de artikelen zijn geschreven en gepubliceerd op basis van een fundamentele politieke overtuiging. Immers, dat is slechts relevant voor de beantwoording van de vraag of bij terugkeer naar Iran terughoudendheid van haar mag worden verwacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 20 mei 2020, rechtsoverweging 5.4 (ECLI:NL:RBDHA:2020:4634). Verweerder heeft tot slot niet deugdelijk gemotiveerd waarom de publicaties van eiseres van na haar vertrek uit Iran niet moeten worden beschouwd als een voortzetting van de overtuigingen of strekkingen die zij in haar land van herkomst aanhing (in de zin van artikel 3.37b, tweede lid van het VV 2000) en waarom eiseres niet behoort tot de risicogroep van personen die actief zijn op het gebied van de mensenrechten en daarbij significant kritiek uiten op de autoriteiten zoals bedoeld in de Vreemdelingencirculaire 2000, paragraaf C2/3.2, bezien in samenhang met paragraaf C7/14.3.2.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: NL20.1412, NL20.1413

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [V-nummer]

mede namens haar minderjarige kind

[kind]

V-nummer: [V-nummer]

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(samen te noemen: eisers)

(gemachtigde: mr. R. Hijma),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H.M. Post).

Procesverloop

Bij besluiten van 13 januari 2019 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarnaast wordt eisers geen verblijfsvergunning regulier verleend. Verder wordt eisers geen uitstel van vertrek verleend.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2020.

Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. B. Salehi heeft als tolk gefungeerd.

Overwegingen

1. Eisers zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum] 1979 en [geboortedatum] 1981. Op

16 augustus 2018 hebben zij de hiervoor vermelde aanvragen ingediend. Hieraan hebben zij (kortgezegd) ten grondslag gelegd dat zij vrezen voor de Iraanse autoriteiten en aanhangers van het Iraanse regime vanwege de weblog van eiseres op het gebied van mensen- en vrouwenrechten.

2. Bij de bestreden besluiten (en de daarin ingelaste voornemens) heeft verweerder de aanvragen van eisers afgewezen. Verweerder beschouwt de volgende elementen van het asielrelaas van eisers als relevant:

1. de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers;

2. het schrijven van weblogs en artikelen met een politieke inhoud door eiseres;

3. problemen in Iran wegens de weblog op het gebied van mensen- en vrouwenrechten van eiseres.

Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig. Hoewel verweerder geloofwaardig acht dat eiseres na haar vertrek uit Iran artikelen heeft geschreven met een politieke inhoud, acht hij niet geloofwaardig dat zij dit heeft gedaan vanuit een

fundamentele politieke overtuiging. Ook de gestelde problemen in Iran worden ongeloofwaardig geacht. Gelet op het voorgaande komen eisers in de visie van verweerder niet in aanmerking voor vergunningverlening op één van de gronden van artikel 29, eerste en tweede lid, van de Vw 2000.

3. Eisers betogen in beroep (samengevat weergegeven) dat verweerder ten onrechte de eis heeft gesteld dat sprake dient te zijn van een fundamentele politieke overtuiging. De activiteiten van eiseres voorafgaand aan haar vertrek uit Iran dienen namelijk als politieke activiteiten te worden beschouwd. Als gevolg van deze activiteiten staat zij in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten. Uit het algemeen ambtsbericht over Iran (hierna: ambtsbericht) van 2013 volgt dat de Iraanse autoriteiten hard optreden tegen personen die zich, zoals eiseres, inzetten voor mensen- en vrouwenrechten. Volgens eisers doet zich in dit geval dan ook niet de situatie voor dat een vreemdeling eerst na zijn vertrek uit het land van herkomst politieke activiteiten heeft ontplooid. Daarom kan niet aan eiseres worden tegengeworpen dat geen sprake is van een fundamentele politieke overtuiging.

Subsidiair hebben eisers het standpunt ingenomen dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat haar activiteiten wel degelijk voortvloeien uit een fundamentele politieke overtuiging. Verweerder gaat er in dat kader ten onrechte vanuit dat voor het hebben van een fundamentele politieke overtuiging vereist is dat deze overtuiging is voorafgegaan door een persoonlijke ‘trigger’. Eisers hebben aangevoerd dat sprake is van substantiële activiteiten van eiseres gedurende een periode van meerdere jaren en dat zij uit eigen beweging vanuit Iran contact heeft gezocht met bekende Iraanse activisten in het buitenland, zoals Masih Alinejad.

Voorts hebben eisers zich op het standpunt gesteld dat zij aannemelijk hebben gemaakt dat eiseres vanwege het schrijven van een weblog en/of artikelen in de negatieve

belangstelling van de Iraanse autoriteiten is komen te staan en problemen heeft ondervonden in Iran. Aan eiseres kan niet worden tegengeworpen dat zij geen stukken heeft overgelegd met betrekking tot haar mishandeling door twee personen, van wie zij één persoon had herkend als lid van de Basij. Verder hebben eisers aangevoerd dat eiseres niet heeft verklaard dat haar aangifte op schrift is gesteld. Tevens hebben eisers aangevoerd dat de ouders van eiseres nog in 2018 door de Iraanse autoriteiten zijn benaderd vanwege eiseres, hetgeen een concrete aanwijzing vormt dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van de politieke activiteiten van eiseres na haar vertrek uit Iran. Dit betekent dat zij – als activiste op het gebied van mensen- en vrouwenrechten en daardoor behorend tot een risicogroep – bij terugkeer in Iran in de negatieve belangstelling van de autoriteiten zal staan. Ook hebben eisers gesteld dat eiseres heeft aangetoond dat haar e-mailaccount is gehackt. Ter onderbouwing van haar gestelde politieke activiteiten heeft eiseres screenshots overgelegd van de belangrijkste artikelen/berichten die zij heeft gepubliceerd alsmede een overzicht met weblinks naar haar belangrijkste artikelen. Voorts heeft eiseres een brief van 2 juni 2020 van de heer [naam docent] , als docent verbonden aan het Instituut voor Regiostudies van de Universiteit Leiden, overgelegd.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is; of

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade, bestaande uit:

1° doodstraf of executie;

2° folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

3° ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

6. De rechtbank zal hierna eerst de geloofwaardigheidsbeoordeling bespreken. Daarna zal zij toetsen of verweerder de elementen 2 en 3 van het relaas ongeloofwaardig heeft kunnen achten. Daarna zal het risico bij terugkeer van eisers naar Iran worden beoordeeld. Daarbij komen aan de orde: de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten en de fundamentele politieke overtuiging.

Werkinstructie 2014/10; de beoordeling van de geloofwaardigheid

7. Verweerder verricht de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas overeenkomstig het gestelde in Werkinstructie 2014/10 (WI). Ingevolge de WI moet, indien de vreemdeling een relevant element niet of onvoldoende kan onderbouwen met documenten of ander objectief bewijsmateriaal, aan de hand van de geloofwaardigheidsindicatoren tot het oordeel geloofwaardig of ongeloofwaardig worden gekomen. Het relaas van de asielzoeker kan geloofwaardig worden geacht - aan de hand van de interne en externe geloofwaardigheidsindicatoren, waarin de omstandigheden uit (het inmiddels vervallen) artikel 3.35, derde lid, van het Voorschrift vreemdelingen 2000 (VV 2000) ook terugkomen, en rekening houdend met de persoon van de asielzoeker - ondanks de omstandigheid dat hij niet alle elementen van zijn verzoek met bewijsmateriaal heeft kunnen staven. Het voordeel van de twijfel is dan van toepassing.

Element 2: het schrijven van weblogs en artikelen met een politieke inhoud

8. Verweerder volgt eisers voor zover zij stellen dat eiseres ná haar vertrek uit Iran (in augustus 2014) artikelen heeft geschreven met een politieke inhoud. Verweerder acht het ongeloofwaardig dat eiseres al voor haar vertrek uit Iran weblogs en artikelen met een politieke inhoud schreef. Verweerder acht het ongeloofwaardig dat laatstgenoemde weblogs en artikelen een politieke inhoud hadden, omdat eiseres zelf heeft verklaard dat ze voor haar vertrek uit Iran niet politiek actief was.

9. De rechtbank stelt vast dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres geen artikelen heeft overgelegd die dateren van vóór haar vertrek uit Iran.

Zo is het artikel “Iraanse Baha’i-jongeren” gedateerd op 22 mei 2014 en dateert het artikel “Iraanse vrouw in verloop van tijd” van 22 februari 2014.

10. Uit artikel 10, eerste lid, onder e, van de Kwalificatierichtlijn (alsmede artikel 3.37, eerste lid, onder e, van het VV 2000) volgt dat het begrip “politieke overtuiging” met name inhoudt dat de betrokkene een opvatting, gedachte of mening heeft betreffende een aangelegenheid die verband houdt met de in artikel 6 van deze richtlijn genoemde potentiële actoren van vervolging (te weten: de staat, partijen of organisaties die de staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheersen dan wel niet-overheidsactoren waartegen de betrokkene niet kan worden beschermd) en hun beleid of methoden, ongeacht of de verzoeker zich in zijn handelen door deze opvatting, gedachte of mening heeft laten leiden.

11. Nu het begrip “politieke overtuiging” ruim moet worden geïnterpreteerd en gelet op de door eisers overgelegde stukken, is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat het ongeloofwaardig is dat eiseres voorafgaand aan haar vertrek uit Iran politieke activiteiten heeft ontplooid. Zo heeft eiseres zich in het overgelegde artikel over Baha’i-jongeren kritisch uitgelaten over de regering/de president in relatie tot burgerrechten. Dat eiseres, zoals verweerder eisers heeft tegengeworpen, in het nader gehoor heeft verklaard dat zij haar activiteiten vóór haar vertrek uit Iran zelf niet beschouwt als politieke activiteiten maakt dit, vanwege de inhoud van dit artikel, niet anders. Bovendien heeft eiseres in het nader gehoor tevens verklaard dat de autoriteiten haar activiteiten wél beschouwen als van politieke aard. Daarnaast heeft eiseres, door het overleggen van de bij de zienswijze van 13 januari 2020 gevoegde vertaling van productie 8 (een bericht aan Masih Alinejad), haar stelling onderbouwd dat haar weblog op grond van een gerechtelijk bevel was geblokkeerd. Dit kan er op duiden dat op het weblog politieke, het regime onwelgevallige berichten waren geplaatst.

Element 3: de gestelde problemen naar aanleiding van de publicaties van eiseres

12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder evenmin deugdelijk heeft gemotiveerd dat de door eisers gestelde problemen in Iran naar aanleiding van de publicaties van eiseres ongeloofwaardig zijn.

13. Volgens verweerder doet de legale uitreis van eisers uit Iran afbreuk aan de geloofwaardigheid van hun verklaringen. Eisers hebben aangevoerd dat ten tijde van hun uitreis nog geen sprake was van een gerechtelijke veroordeling van eiseres, dat eiseres zich evenmin had onttrokken aan een plicht om zich bij de autoriteiten te melden, waardoor een uitreisverbod niet in de rede lag, en dat uit de ambtsberichten over Iran noch uit andere openbare bronnen volgt dat de Iraanse autoriteiten systematisch voor iedereen die in de negatieve belangstelling staat een uitreisverbod opleggen. Verweerder heeft dat niet weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt derhalve een deugdelijke motivering ten aanzien van waarom de legale uitreis van eisers (in het algemeen) afbreuk zou doen aan de geloofwaardigheid van hun verklaringen. Dat betrekt de rechtbank eveneens bij het navolgende.

Mishandeling van eiseres door de Basij

14. Met betrekking tot de gestelde mishandeling van eiseres door twee leden van de Basij in 2014 acht verweerder weliswaar geloofwaardig dat eiseres is mishandeld door leden van de Basij, maar acht hij ongeloofwaardig dat deze mishandeling verband houdt met de publicaties van eiseres. Daarbij heeft verweerder betrokken dat volgens hem ongeloofwaardig is dat eiseres al voor haar vertrek uit Iran weblogs en artikelen met een politieke inhoud schreef.

15. Zoals de rechtbank hiervoor in rechtsoverweging 11 heeft overwogen heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat niet aannemelijk is dat eiseres al voor haar vertrek uit Iran weblogs en artikelen met een politieke inhoud schreef.

16. Eiseres heeft verklaard dat zij er zelf van meet af aan van uitging dat de mishandeling het gevolg was van haar publicaties. Zij heeft ook verklaard dat zij haar activiteiten op het weblog een tijdje heeft stilgezet na de mishandeling. Uit de door eiseres overgelegde vertaling van de bij de zienswijze gevoegde bijlage 4 (een bericht aan Masih Alinejad) blijkt dat eiseres een verband legt tussen haar mishandeling door de Basij en haar activiteiten op haar weblog. Verweerder heeft ter zitting erkend dat de Basij een paramilitaire organisatie is, die meer taken uitoefent dan alleen optreden als ‘de religieuze politie van het Iraanse regime’. Zo fungeert de Basij volgens verweerder als ‘oren en ogen’ en ‘knokploeg’ van het regime. Enig verband tussen de publicaties en de mishandeling door de Basij is daarom niet onwaarschijnlijk.

17. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat de mishandeling van eiseres door de Basij verband houdt met haar politieke activiteiten.

Ontvoering van eiseres

18. Verweerder acht de door eisers gestelde ontvoering van eiseres ongeloofwaardig. Eiseres heeft onder meer verklaard dat zij is meegenomen naar een gebouw waar zij is mishandeld en verkracht. Degenen die hiervoor verantwoordelijk zijn zouden dit hebben gedaan, omdat zij wisten wie zij was en wat zij allemaal schreef.

19. Ten eerste heeft verweerder aan eisers tegengeworpen dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat eiseres ten tijde van de ontvoering al een weblog bijhield of artikelen schreef. Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 11 reeds is overwogen heeft verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het ongeloofwaardig is dat eiseres voorafgaand aan haar vertrek uit Iran politieke activiteiten heeft ontplooid. Gelet hierop kan genoemde tegenwerping geen stand houden.

20. Voorts heeft verweerder niet in redelijkheid aan eisers kunnen tegenwerpen dat zij de bekentenis en de verklaring die eiseres stelt te hebben moeten ondertekenen en de vingerafdrukken die zij stelt te hebben moeten afstaan, niet heeft overgelegd. Gezien de omstandigheden waaronder eiseres stelt te zijn meegenomen en vastgehouden is het niet reëel om te veronderstellen dat zij bij haar vrijlating een afschrift van genoemde documenten heeft meegekregen. Eiseres heeft ook niet verklaard dat dat wel is gebeurd.

21. Verder acht verweerder het ongerijmd dat eiseres heeft verklaard dat zij zelf in een auto (een onofficiële taxi) is gestapt, die voor haar stond en dat daarin de mensen zaten die haar wilden oppakken en meenemen. Tijdens het nader gehoor (pagina 14, 4e alinea, 3e regel) heeft zij echter verklaard dat er in de plaats van ‘stond’ ‘stopte’ had moeten staan, wat de ongerijmdheid zou wegnemen. Hoewel het op de weg van eiseres had gelegen dit meteen bij de correcties en aanvullingen te corrigeren, is deze inconsistentie op zichtzelf naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de verklaring van eiseres over de ontvoering ongeloofwaardig te achten. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat het eiseres niet is tegengeworpen dat zij over de gestelde ontvoering onvoldoende gedetailleerd of specifiek heeft verklaard, dat onvoldoende is gemotiveerd dat zij destijds niet al politiek actief was en dat uit paragraaf 2.3.1 van het ambtsbericht van 2017, waarnaar eisers hebben verwezen, volgt dat het niet ongebruikelijk is dat personen vanwege de inhoud van hun weblog of sociale media door de autoriteiten worden gearresteerd.

22. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij de gestelde ontvoering van eiseres ongeloofwaardig acht.

Het risico bij terugkeer in Iran

23. Ingevolge artikel 3.37b, tweede lid van het VV 2000 kan een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico op ernstige schade gegrond zijn op activiteiten van de vreemdeling sedert hij het land van herkomst heeft verlaten, met name wanneer wordt vastgesteld dat de betrokken activiteiten de uitdrukking en de voortzetting vormen van overtuigingen of strekkingen die de betrokkene in het land van herkomst aanhing.

24. Ingevolge artikel 3.37, tweede lid van het VV 2000 doet het bij de beoordeling of de vrees van de vreemdeling voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag gegrond is, niet ter zake of de vreemdeling in werkelijkheid de politieke kenmerken vertoont die aanleiding geven tot de vervolging indien deze kenmerken hem door de actor van de vervolging worden toegeschreven.

25. Eisers stellen dat eiseres – als mensen- en vrouwenrechtenactiviste die in de negatieve belangstelling staat van de Iraanse autoriteiten – bij terugkeer in Iran heeft te vrezen voor vervolging, omdat zij als een tegenstander van het regime wordt beschouwd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat deze vrees ongegrond is, omdat niet is gebleken dat eiseres in de negatieve belangstelling staat van de Iraanse autoriteiten. Daarnaast is volgens verweerder geen sprake van een fundamentele politieke overtuiging van eiseres, zodat van haar bij terugkeer in Iran terughoudendheid mag worden verwacht om negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten te voorkomen.

26. Tussen partijen is niet in geschil dat dat de publicaties van eiseres van na haar vertrek uit Iran politiek van aard zijn.

27. In het ambtsbericht over Iran van 2013 staat dat de Iraanse autoriteiten (hard) optreden tegen personen die zich inzetten voor mensenrechten en vrouwenrechten en deze personen al snel beschuldigen van misdrijven tegen de nationale veiligheid. Verweerder heeft niet gesteld dat dit thans anders is. Het is de rechtbank ook niet gebleken, bijvoorbeeld uit het ambtsbericht van 2019, dat dit het geval is.

28. In de door eisers overgelegde brief van [naam docent] schrijft [naam docent] (kortgezegd) dat eiseres veelvuldig heeft gepubliceerd op oppositionele websites die een groot bereik hebben en door de Iraanse autoriteiten als vijandig worden beschouwd. De publicaties zijn kritisch ten aanzien van het Iraanse regime en kunnen dit regime onmogelijk ter wille zijn, aldus [naam docent] . Daarnaast deelt hij in zijn brief mee dat de naam van eiseres, wanneer hij online zoekt op haar naam in het Farsi, een groot aantal zoekresultaten oplevert met links naar artikelen op diverse media. Verweerder heeft ter zitting erkend dat [naam docent] ter zake deskundig is.

29. Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 26, 27 en 28 is overwogen heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eiseres niet (nu al) in de negatieve belangstelling staat van de Iraanse autoriteiten. Verweerder kon zich niet beperken tot de motivering dat eiseres, indien zij beschermd wil worden door het vluchtelingenrecht - of meer specifiek - indien zij aangemerkt wil worden als ‘refugié sur place’, allereerst aannemelijk moet maken dat de artikelen zijn geschreven en gepubliceerd op basis van een fundamentele politieke overtuiging. Immers, dat is slechts relevant voor de beantwoording van de vraag of bij terugkeer naar Iran terughoudendheid van haar mag worden verwacht, bijvoorbeeld door het verwijderen van haar publicaties op internet, om te voorkomen dat ze in de negatieve belangstelling zal komen te staan van de Iraanse autoriteiten. Verweerder moet echter eerst deugdelijk motiveren dat eiseres niet nu al in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten staat. Dat heeft verweerder niet gedaan. Ongeacht hoe fundamenteel de politieke overtuiging van eiseres is, kan sprake zijn van een gegronde vrees voor vervolging als de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van de politieke activiteiten van eiseres en haar daarom een bepaalde politieke overtuiging toedichten. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 20 mei 2020, rechtsoverweging 5.4 (ECLI:NL:RBDHA:2020:4634).

30. Nu verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de publicaties van eiseres voorafgaand aan haar vertrek uit Iran niet politiek van aard zijn (de rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 11), is evenmin deugdelijk gemotiveerd waarom de publicaties van eiseres van na haar uitreis uit Iran niet moeten worden beschouwd als een voortzetting van de overtuigingen of strekkingen die zij in haar land van herkomst aanhing (in de zin van artikel 3.37b, tweede lid van het VV 2000), hetgeen met name reden zou zijn om de gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade aan te nemen.

31. Op grond van verweerders beleid ten aanzien van Iran, neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 2000, paragraaf C2/3.2, bezien in samenhang met paragraaf C7/14.3.2., behoren personen die actief zijn op het gebied van de mensenrechten en daarbij significant kritiek uiten op de autoriteiten tot een risicogroep. Zij kunnen, indien sprake is van geloofwaardige en individualiseerbare verklaringen, met geringe indicaties aannemelijk maken dat hun problemen die verband houden met één van de vervolgingsgronden leiden tot een gegronde vrees voor vervolging.

32. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiseres niet behoort tot deze risicogroep. In het voornemen, het bestreden besluit noch in de verweerschriften heeft verweerder dat gemotiveerd. Ook ter zitting is dit namens verweerder niet gedaan. Die motivering is temeer noodzakelijk gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverwegingen 26 en 28.

Conclusie

33. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de bestreden besluiten geen stand kunnen houden. De rechtbank ziet gelet op de grond voor vernietiging geen mogelijkheid voor finale geschilbeslechting. De rechtbank zal daarom de bestreden besluiten vernietigen en verweerder opdragen opnieuw besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

34. De rechtbank ziet, gelet op de gegrondverklaring van de beroepen, aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eisers redelijkerwijs gemaakte proceskosten, die zijn begroot op € 1.050,- op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 525,- per punt en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers in verband met het beroep tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Goofers, rechter, in aanwezigheid van

mr. R.C. Smeets, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 26 juni 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.