Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5930

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-06-2020
Datum publicatie
03-07-2020
Zaaknummer
09/837509-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft met een mes in de richting van de hals en nek van het slachtoffer gestoken en hem daarbij aan de linker kaak verwond.

De rechtbank kwalificeert dit feit als een poging tot doodslag.

Verwerping van het beroep op noodweer/noodweerexces.

Gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden en oplegging van de maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van drie jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/837509-19

Datum uitspraak: 29 juni 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren [geboortedatum] 1994 [geboorteplaats],

[adres 1] Den Haag,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [adres 2]

.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 23 maart 2020 (pro forma) en 15 juni 2020 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. K. van Diemen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. J.M. Bekooij naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 december 2019 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [slachtoffer] van het leven te beroven, althans opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk met een (groot) mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans één maal, heeft gestoken en/of gesneden in de (richting van de) hals/ nek en/of het (dij)been, in elk geval in het lichaam van de zich in zijn, verdachte's, nabijheid bevindende [slachtoffer]

, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 december 2019 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een of meermalen met een (groot) mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, in de (richting van de) hals/ nek en/of het (dij)been, in elk geval in het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Op 19 december 2019 heeft op [adres 3] te Den Haag een steekincident plaatsgevonden waarbij [slachtoffer] gewond is geraakt.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde. De verdachte is met een groot mes naar de woning gegaan waar [slachtoffer] verbleef en hij heeft daar [slachtoffer] in de hals en het bovenbeen gestoken. Door zo te handelen heeft de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] daardoor zou overlijden en zich daarmee schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat de verdachte geen mes bij zich had toen hij naar de woning van [slachtoffer] ging. Het dossier bevat daarvoor onvoldoende (betrouwbaar) bewijs. Het is [slachtoffer] geweest die het mes uit de keuken heeft gepakt en hij is vervolgens tijdens een worsteling met de verdachte door zijn eigen mes gewond geraakt. De verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Op 19 december 2019 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan van een steekincident dat omstreeks 16.00 uur die dag heeft plaatsgevonden. Aangever heeft verklaard dat hij de verdachte schreeuwend met een mes voor de deur zag staan. Toen hij de deur open deed haalde de verdachte direct uit met het mes in de richting van de hals/nek van aangever. Hij voelde dat hij geraakt werd. Er ontstond een worsteling, waarna aangever en de verdachte in het portiek van de keldertrap af vielen. Daar stak de verdachte aangever in zijn linker dijbeen.2

Op 21 december 2019 heeft aangever bij de politie nader verklaard. Aangever verklaarde dat er hard op het raam werd gebonkt en dat de vriendin van aangever schreeuwde dat de verdachte voor de deur stond. Aangever stapte het portiek in en deed de deur van de woning achter zich dicht. Daarna deed hij de deur van het portiek open. Hij zag dat de verdachte een mes in zijn rechterhand had. De verdachte stapte het portiek in, duwde aangever tegen de muur en haalde direct uit met het mes naar de nek van aangever. Aangever voelde dat hij in zijn nek was geraakt. Er ontstond een worsteling waarbij aangever en de verdachte onderaan de keldertrap belandden. Daar stak de verdachte met het mes in zijn rechterhand aangever in zijn linkerbeen.3

Op 29 mei 2020 heeft aangever bij de rechter-commissaris onder meer verklaard dat hij niet met een mes naar buiten is gegaan.4

Bij aangever zijn in het ziekenhuis onder meer steekverwondingen aan kaak en bovenbeen geconstateerd. Deze verwondingen zijn gehecht.5

Op 19 december 2019 heeft de politie omstreeks 19.30 uur met de bovenburen van aangever, wonende op [huisnummer] , gesproken. Zij hebben verklaard dat zij zich op straat voor hun portiek bevonden toen een jongen kwam aanrennen die op de ramen bij de buurman/aangever bonkte. De jongen riep: ’Kom naar buiten’ en de buurman opende de portiekdeur. Er ontstond een schermutseling en zij zagen dat de jongen een mes had. Er werd over en weer geduwd en de jongen en de buurman vielen van de trap naar de kelderboxen. Ze hebben niet gezien wat daar is gebeurd. De jongen ging vervolgens weg. Zij hebben het mes niet meer gezien.6

Op 16 februari 2020 heeft [getuige 1] , de buurvrouw van [huisnummer] , bij de politie verklaard dat zij buiten het portiek stond en dat zij een man snel zag komen aanlopen. De man sloeg met beide vuisten hard tegen het raam links van het portiek en riep: ’Stuur die bolle naar buiten’. De man was boos en sloeg met de vuist van een hand in zijn open andere hand. De buurman deed de deur van het portiek open en de man duwde de buurman tegen de muur van het portiek. De man bewoog zijn rechterarm naar boven en had in zijn rechterhand een mes. Zij heeft niet kunnen zien waar het mes vandaan kwam. Het was een mes zo groot als een vel A-4, ongeveer 30 cm in totaal. De man hield het mes met de punt in de richting van het gezicht van de buurman. De buurman pakte de hand vast waarin de man het mes vasthield. Vervolgens werd er geduwd en getrokken en de buurman duwde de man naar beneden, de trap af, richting de kelderboxen. Vervolgens duwde de buurman ook nog een kast die in het portiek stond in de richting van de man. De buurman verloor daarbij het evenwicht en kwam met de kast op de man terecht. Het mes heeft zij toen niet meer gezien.7

Bij de rechter-commissaris is getuige [getuige 1] nogmaals gehoord. Zij heeft overeenkomstig haar verhoor bij de politie verklaard. Meer in het bijzonder heeft zij nog verklaard dat zij buiten voor het portiek stond toen de verdachte met zijn rechterhand een mes uit zijn jas- of broekzak haalde. Door de brievenbussen die in het portiek hangen kon zij niet precies zien of het mes uit de broek of de jaszak kwam. Ze zag het mes toen de verdachte met zijn hand met het mes boven de brievenbussen uit kwam. De buurman had geen mes bij zich toen hij naar beneden kwam. Dat had zij gezien moeten hebben, want het was een groot mes.8

Op 16 februari 2020 heeft [getuige 2] , de buurman van [huisnummer] , bij de politie verklaard dat hij en zijn vriendin buiten het portiek stonden en dat een man kwam aanrennen. De man sloeg op het raam van de eerste verdieping. De buurman van de eerste verdieping was in het portiek en de andere man duwde tegen de deur en ging naar binnen. Op dat moment pakte de man een mes uit zijn zak. Getuige zag het mes toen heel even. Het was een slachtmes, een mes dat in een slagerij wordt gebruikt met een lemmet van ongeveer 25-30 cm lang en 7 cm breed. De buurman hield de arm van de andere man vast. Getuige heeft verder niet gezien wat er gebeurde omdat dit in het donkere gedeelte van het portiek was. Getuige stond op ongeveer 5 meter afstand op het moment dat de man het mes pakte. Toen de man het portiek uit vluchtte heeft de getuige het mes niet meer gezien.9

Bij de rechter-commissaris is getuige [getuige 2] nogmaals gehoord. Hij heeft zijn verklaring zoals afgelegd bij de politie gehandhaafd. Meer in het bijzonder heeft hij nog verklaard dat de man die van buiten kwam het mes, een vleesmes, pakte op het moment dat hij het portiek in ging. Getuige heeft niet gezien waar het mes vandaan kwam. De man liep met het mes op de buurman af en ze begonnen te vechten. De buurman pakte de arm vast waar de man het mes in zijn hand had. Getuige heeft niet gezien wat er met het mes is gebeurd. Al vechtend zijn ze richting de kelderboxen gevallen. Hij heeft door de ruit kunnen zien wat er gebeurde.10

Op 22 december 2019 is de vader van de verdachte telefonisch gehoord. Hij heeft onder andere verklaard dat zijn zoon hem op de dag van het steekincident ’s avonds tussen 22.00 en 23.00 uur belde. Het eerste dat zijn zoon zei was: ”Pap, sorry, ik wil even mijn kinderen zien. Ik weet dat ik fout ben geweest, het is gewoon een stomme zet geweest. Ik voelde me bedreigd door hem”. Zijn zoon zei ook: ”Ik heb iemand neergestoken pap”.11

De telefoon van de verdachte is uitgelezen. Daarin is onder meer een sms-bericht aangetroffen dat de verdachte op 19 december 2019 om 12.04 uur naar [naam] , zijn ex-vriendin en de moeder van zijn kinderen, heeft gestuurd, luidende: ”Waar moet ik heen gaan vanmiddag haar huis of die van hem geloof me [naam] ik flip he gaan enge dingen gebeuren”.12

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij naar het huis van aangever was gegaan om een ruzie uit te praten. Daar aangekomen klopte hij op het raam en zag hij door het raam dat aangever naar de keuken liep en een groot mes pakte dat hij achter in zijn broeksband stak. Toen aangever in de deuropening van het portiek kwam, trok aangever hem naar binnen. Aangever had hem met rechts bij de keel vast en in zijn linkerhand had hij het mes. Vervolgens werd er geduwd en getrokken. Ze hadden tijdens de worsteling samen het mes vast. Ze gingen onderuit in het portiek en op dat moment raakte aangever zichzelf met het mes. Ze vielen de trap af richting de kelderboxen. Tijdens het gevecht dat daar plaatsvond is aangever gewond geraakt door het mes. Hij, de verdachte, heeft het mes op geen enkel moment alleen in zijn hand gehad. Het kan zijn dat hij toen aangever heeft verwond of dat aangever zichzelf heeft verwond. De verdachte heeft benadrukt dat hij geen mes bij zich had toen hij naar het huis van aangever ging. Het is aangever geweest die met een mes uit de woning kwam.

De rechtbank overweegt dat zij op grond van de hierboven besproken bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte met een mes naar de woning, waar aangever verbleef, is gegaan en daar aangever met een mes heeft gestoken. De rechtbank kent veel gewicht toe aan de verklaringen van de buren, de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , die beiden hebben verklaard dat de verdachte degene is geweest die een mes bij zich had en daarmee aangever te lijf is gegaan. Deze getuigen hebben consistent verklaard en voorts is niet aannemelijk geworden dat zij ook maar enig belang zouden hebben gehad om bezijden de waarheid, zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris, te verklaren. De rechtbank acht hun verklaringen betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

Daarnaast wordt de rechtbank in haar overtuiging gesterkt door de uitlatingen die de verdachte tegenover zijn vader in de avond heeft gedaan nadat het incident had plaatsgevonden alsmede door het sms-bericht dat de verdachte aan zijn ex-vriendin rond het middaguur – dus enkele uren voorafgaand aan het steekincident – heeft gestuurd. Hieruit komt een beeld naar voren van een opgefokte en agressieve verdachte die allerminst van plan was om rustig een ruzie te gaan uitpraten. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte bij binnenkomst in het portiek een stekende beweging heeft gemaakt richting de hals/nek van aangever, waardoor deze gewond is geraakt aan zijn linker kaak. In de worsteling die daarop volgde, is aangever ook gewond geraakt aan zijn dijbeen. Op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting kan de rechtbank niet vaststellen of de verdachte aangever ook opzettelijk in zijn dijbeen heeft gestoken. De rechtbank zal de verdachte daarom van dat onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

De verdachte heeft met een mes in de richting van de hals en nek van aangever gestoken en aangever daarbij verwond aan de linker kaak. De rechtbank kwalificeert dit als een poging tot doodslag. Het steken met een mes richting de hals, waar zich slagaders bevinden, is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen van het tegendeel is de rechtbank niet gebleken. Het primair ten laste gelegde is daarmee wettig en overtuigend bewezen.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

hij op 19 december 2019 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, [slachtoffer] , van het leven te beroven opzettelijk met een (groot) mes heeft gestoken in de richting van de hals/nek van de zich in zijn, verdachte’s, nabijheid bevindende [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

4.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, de verdachte een beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt. De verdachte was naar aangever gegaan om een ruzie uit te praten. Vervolgens heeft aangever een mes gepakt en ging hij daarmee in het portiek op de verdachte af, die geen kant op kon. De verdachte kon niets anders dan zich tegen de aanval verweren zodat hij handelde uit noodweer. Indien hij hierbij de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, komt aan de verdachte een beroep op noodweerexces toe, omdat het zien van het mes bij hem een hevige gemoedsbeweging veroorzaakte. Hij moest vechten voor zijn leven.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zich ten aanzien van de verdachte geen noodweersituatie heeft voorgedaan. Er is geen sprake van zelfverdediging. De verdachte is de agressor geweest door met een mes naar de woning van aangever te gaan en daar de aanval te kiezen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat zich ten aanzien van de verdachte geen noodweersituatie heeft voorgedaan. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte degene is geweest die met een mes op zak naar aangever is gegaan en daar vrijwel direct in de aanval is gegaan en aangever heeft verwond. Van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanval waartegen de verdachte zich moest verdedigen is dan ook geen sprake geweest, zodat de verdachte geen geslaagd beroep op noodweer toekomt. Nu ten aanzien van de verdachte geen noodweersituatie heeft bestaan, kan van noodweerexces evenmin sprake zijn.

Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar en de verdachte is eveneens strafbaar.

5 De strafoplegging

5.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte de maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd waarbij de verdachte wordt bevolen dat hij zich gedurende de proeftijd van 2 jaren dient te onthouden van ieder contact, direct of indirect, met [slachtoffer] . Per overtreding van de maatregel dient vervangende hechtenis voor de duur van 2 weken te worden toegepast.

Voorts heeft de officier van justitie ten aanzien van de maatregel gevorderd dat deze dadelijk uitvoerbaar is.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de eventueel op te leggen straf aanzienlijk dient te worden gematigd. De gevangenisstraf dient maximaal 24 maanden te bedragen waarvan minstens de helft voorwaardelijk dient te worden opgelegd. Een contactverbod met [slachtoffer] in het kader van een voorwaardelijke straf zal door de verdachte worden gerespecteerd.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Hij heeft door te handelen zoals hierboven bewezen is verklaard, op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en zijn leven in gevaar gebracht. Dat het bij relatief lichte verwondingen is gebleven is een uiterst gelukkige omstandigheid die geenszins aan de verdachte is te danken. Voorts speelde het incident zich af voor de ogen van enkele medebewoners van het portiek die zo ongewild geconfronteerd werden met het gewelddadige optreden van de verdachte. Dit moet ook voor hen een beangstigende ervaring zijn geweest. Bovendien zorgt een feit als dit voor maatschappelijke onrust.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij zich niet eerder schuldig heeft gemaakt aan een dergelijk feit.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het reclasseringsrapport van 17 april 2020, opgesteld en ondertekend door [reclasseringsmedewerker] .

Uit het rapport komt naar voren dat de reclassering weinig zicht heeft kunnen krijgen op de aanleiding van de ruzie tussen de verdachte en het slachtoffer. Hierdoor is het risico op nieuw geweld niet goed in te schatten. De verdachte had een vaste baan, maar is deze door de detentie kwijt waardoor hij na detentie geen werk en inkomen meer heeft. Hij woont bij zijn ouders maar wil op termijn weer bij zijn vriendin en hun twee kinderen gaan wonen. De verdachte staat open voor hulp en begeleiding. De reclassering adviseert om de verdachte bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde een contactverbod met het slachtoffer. Het is van belang dat deze voorwaarde dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.

De rechtbank komt, gelet op al het vorenstaande en rekening houdend met de straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, tot de volgende strafoplegging.

Zij zal aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Daarnaast zal de rechtbank, gelet op het bestaande conflict en om het risico in te perken dat de verdachte opnieuw de confrontatie met het slachtoffer zal zoeken, aan de verdachte de maatregel opleggen als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende dat de verdachte zich dient te onthouden van elk contact met het slachtoffer. Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw de confrontatie zal opzoeken met het slachtoffer, is het van belang dat de maatregel direct ingaat. De rechtbank zal daarom bevelen dat deze dadelijk uitvoerbaar is. Gelet hierop en de duur van de op te leggen gevangenisstraf zal de maatregel voor de duur van drie jaren worden opgelegd.

6 De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 4.029, 50, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Dit bedrag bestaat uit € 187,50 aan materiële schade en € 3.842,00 aan immateriële schade.

Voorts is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

6.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat de vordering primair niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in verband met de door haar bepleite vrijspraak dan wel ontslag van rechtsvervolging.

Subsidiair, indien de rechtbank wel tot een schuldigverklaring van de verdachte komt, dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat niet vast staat dat mr. De Klerk door het slachtoffer is gemachtigd hem te vertegenwoordigen. Op het verzoek tot schadevergoeding staat immers geen handtekening van het slachtoffer.

Meer subsidiair dient de vordering wat betreft de materiële schade te worden afgewezen wegens het ontbreken van bewijsstukken. De immateriële schade dient aanzienlijk te worden gematigd, de in de vordering aangehaalde uitspraken betreffen ernstiger letsel.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

In artikel 51c van het Wetboek van Strafvordering is geregeld dat een slachtoffer zich ter terechtzitting kan doen vertegenwoordigen. Deze vertegenwoordiging kan onder meer door een advocaat geschieden die moet verklaren daartoe uitdrukkelijk te zijn gevolmachtigd.

De schriftelijke vordering is door de advocaat ondertekend zodat aangenomen moet worden dat hij gemachtigd is de benadeelde partij in rechte te vertegenwoordigen. Het verweer van de raadsvrouw dat door het ontbreken van een schriftelijke volmacht de vordering niet-ontvankelijk zou zijn kan dan ook geen doel treffen.

De rechtbank acht ter zake van de materiële schade op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij deze schade door het bewezenverklaarde feit heeft geleden, ter grootte van het gevorderde bedrag (€ 187,50).

Voorts kan ter zake van de immateriële schade op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 2.000,00. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige afwijzen.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 2.187,50.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 19 december 2019, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte voor het bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.187,50, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf

19 december 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [slachtoffer] .

7 De inbeslaggenomen goederen

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de beslaglijst vermelde (zwarte) handschoenen zullen worden teruggegeven aan de verdachte.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat de handschoenen dienen te worden teruggegeven aan de verdachte.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van de op de beslaglijst vermelde zwarte handschoenen.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 36f, 38v, 45, 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

poging tot doodslag;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 (VIERENTWINTIG) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 3 (DRIE) JAREN op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren 23 oktober 1991;

beveelt dat vervangende hechtende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van

2 (TWEE) WEKEN voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan;

toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;

omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens [slachtoffer] , beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van strafrecht, dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.187,50 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 19 december 2019 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer] ;

wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van

€ 2.187,50, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 december 2019 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 31 dagen.

Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

gelast de teruggave aan de verdachte van de op de beslaglijst onder 1 vermelde handschoenen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.M. van der Schenk, voorzitter,

mr. G.P. Verbeek, rechter,

mr. K.C.J. Vriend, rechter,

in tegenwoordigheid van W.M.W. van Nuss, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 juni 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2019353163, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Zuid, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 184).

2 Proces-verbaal van aangifte, p. 47/48, met fotobijlagen.

3 Proces-verbaal van verhoor aangever, p. 57-60.

4 Proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer] door de rechter-commissaris op 29 mei 2020, punt 13.

5 Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring d.d. 23 december 2019 met bijgevoegd SEH-rapport, p. 175-177.

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 december 2019, p. 93-94.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 16 februari 2020, p. 163-166.

8 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] door de rechter-commissaris op 29 mei 2020, punten 7, 11 en 12.

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 16 februari 2020, p. 167-169.

10 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] door de rechter-commissaris op 29 mei 2020, punten 7 en 9.

11 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 december 2019, p. 98-99.

12 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 december 2019 met bijlage, p. 102-103.