Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5927

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-06-2020
Datum publicatie
01-07-2020
Zaaknummer
C/09/593978 / FA RK 20-3581
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eerste rechterlijke machtiging tot opname en verblijf onder de Wet zorg en dwang, in verband met atypische dementie. Machtiging verleend voor zes maanden in plaats van verzochte vijf jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaak-/rekestnummer: C/09/593978 / FA RK 20-3581

Datum beschikking: 22 juni 2020

Rechterlijke machtiging tot opname en verblijf

Beschikking naar aanleiding van het op 04 juni 2020 door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een machtiging voor de duur van zes maanden als bedoeld in artikel 24 van de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:

[de vrouw]

hierna te noemen: cliënt,

geboren op [geboortedag] 1941, te [geboorteplaats] ,

thans verblijvende in de accommodatie [verblijfplaats] ,

advocaat: mr. Y.J. Doornik te Den Haag.

Procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 04 juni 2020.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:

  • -

    een indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van
    18 juni 2018;

  • -

    een aanvraag voor een rechterlijke machtiging aan het CIZ van 13 mei 2020;

  • -

    een op 15 mei 2020 ondertekende medische verklaring van een ter zake kundige [arts]
    , die cliënt met het oog op de machtiging kort te voren heeft onderzocht, maar niet bij diens behandeling betrokken was;

  • -

    een verklaring van de zorgaanbieder [verblijfplaats] 13 mei 2020, waar cliënt is opgenomen;

  • -

    een zorgplan van 13 mei 2020;

  • -

    een afschrift van het levenstestament waarin de gevolmachtigden zijn aangesteld.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 22 juni 2020.

Bij die gelegenheid zijn op grond van artikel 2 Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid de navolgende personen gelijktijdig telefonisch gehoord door de rechtbank omdat het houden van een fysieke zitting vanwege de geldende veiligheidsmaatregelen met betrekking tot het coronavirus niet mogelijk was:

  • -

    de betrokken [specialist ouderengeneeskunde] ;

  • -

    de advocaat van cliënt;

  • -

    de dochter en tevens gevolmachtigde van cliënt, [dochter]

De rechtbank heeft vastgesteld dat de cliënt niet in staat is om te spreken. Zij heeft middels non-verbale gebaren en emoties antwoord gegeven op de door de rechtbank (telefonisch) gestelde vragen, in aanwezigheid van de voornoemde specialist. De voornoemde personen zijn bij dat gesprek aanwezig geweest. De zitting is nadien voortgezet in afwezigheid van cliënt, in overleg met voornoemde betrokkenen.

Standpunten ter zitting

De betrokken specialist ouderengeneeskunde heeft verklaard dat bij cliënt sprake is van
atypische dementie. Zij kan niet spreken, maar heeft wel besef van haar verblijf in de accommodatie. Zij communiceert door middel van gebaren en emoties. Zij geeft aan niet te willen blijven door “nee” te knikken met haar hoofd of te gaan huilen. Het algehele welzijn van cliënt is sterk verminderd de afgelopen periode. Zij is volledig afhankelijk van de zorg en het verblijf in de accommodatie is daarom noodzakelijk voor het bieden van veiligheid, toezicht en zorg. Het is niet de verwachting dat cliënt op termijn wel zal instemmen met het verblijf en dat het ziektebeeld zal verbeteren. Daarom is de rechtbank verzocht een machtiging af te geven voor de duur van vijf jaar.

Client heeft “nee” geschud met haar hoofd als antwoord op de vraag of zij wil blijven. Zij heeft haar duim omhoog gestoken als antwoord op de vraag of er goed voor haar wordt gezorgd. De advocaat heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met daarbij de opmerking dat het een eerste rechterlijke machtiging onder de Wzd betreft, waardoor de duur van de machtiging zou moeten worden beperkt tot zes maanden.

De dochter van cliënt heeft verklaard dat haar moeder sterk achteruit is gegaan en dat zij op haar plek is in de accommodatie.

Beoordeling

Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat cliënt lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, te weten atypische dementie met ernstige fatische stoornissen (taalstoornis).

Deze psychogeriatrische aandoening leidt tot ernstig nadeel. Dit ernstig nadeel bestaat uit levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade en ernstige verwaarlozing. Ten gevolge van de ziekte wordt cliënt beperkt in het dagelijks functioneren. Zij krijg volledige ondersteuning in de dagelijkse verzorging en er is continu toezicht en begeleiding nodig. Er is onder andere sprake van geheugenverlies, desoriëntatie, initiatiefverlies en overzichtsverlies.

De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Cliënt kan de zorg die zij nodig heeft niet zelf uitvoeren en de thuiszorg kan haar onvoldoende begeleiding bieden. Er is tevens veel ongeplande zorg nodig. Het gevaar op ernstig nadeel in de thuissituatie, waaronder levensgevaar of ernstig letsel als gevolg van het verhoogde val- en verslikkingsgevaar, is groot.

Er zijn geen minder ingrijpende mogelijkheden om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Voorafgaand aan de huidige opname heeft cliënt ambulante zorg ontvangen, maar dit is onvoldoende gebleken.

Het is de rechtbank voldoende gebleken dat cliënt zich verzet tegen de opname. De dochter van cliënt stemt wel in met de opname en het verblijf.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de criteria voor verlening van een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in de Wzd. Nu het een eerste machtiging onder de Wzd betreft, zal de machtiging – in afwijking van de door het CIZ verzochte termijn – worden verleend voor de duur van zes maanden. Het feit dat cliënt reeds is opgenomen met een (voorlopige) machtiging onder de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Bopz) doet daar niet aan af. De rechtbank begrijpt dat een volgende zitting ingrijpend kan zijn voor cliënt, maar neemt daarbij ook in overweging dat het een vergaande vrijheidsbenemende maatregel betreft. Bovendien kan de mate van verzet na verloop van tijd verminderen, waardoor een rechterlijk machtiging mogelijk niet langer nodig is. De nieuwe machtiging onder de Wzd zal aansluiten op de huidige machtiging onder de wet Bopz.

Beslissing

De rechtbank:

verleent een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf ten aanzien van:

[de vrouw]

geboren op [geboortedag] 1941, te [geboorteplaats] ,

bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met uiterlijk 7 januari 2021.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.M. van der Kleijn, rechter, bijgestaan door
mr. S.T. Viezee als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 juni 2020.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 30 juni 2020.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.