Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5918

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-06-2020
Datum publicatie
10-07-2020
Zaaknummer
NL19.22981
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Terugkeerbesluit en inreisverbod - Albanië - ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.22981


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.A.M. Karsten),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H. el Hajoui).


Procesverloop

Bij besluit van 16 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd en tevens aan hem een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft door middel van een videoverbinding (Skype) plaatsgevonden op 16 juni 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1992 en heeft de Albanese nationaliteit.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder beslist dat eiser de Europese Unie onmiddellijk dient te verlaten en aan eiser een inreisverbod opgelegd op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Verweerder is van oordeel dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:

4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe samengevat aan dat het gebrekkig is gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand is gekomen.

Eiser stelt dat het gehoor niet voldoet aan de in het arrest Boudjlida van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 december 2014 (ECLI:EU:C:2014:2431) genoemde eisen. Eiser heeft op de vraag of hij zakelijke belangen in Nederland of Europa heeft geantwoord dat hij dat nu niet kon vertellen, omdat zijn hersenen niet werkten en zijn gedachten ergens anders waren. Gelet hierop had het gehoor onderbroken dienen te worden, om hervat te worden op het moment dat eiser zich weer volledig kon concentreren.

Verder stelt eiser dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht of er in zijn geval sprake is van humanitaire redenen om af te zien van het uitvaardigen van het terugkeerbesluit. In het bestreden besluit is slechts een zinsnede opgenomen dat niet van bijzondere omstandigheden is gebleken, omdat eiser dit niet direct heeft aangevoerd. Uit het proces-verbaal van het gehoor blijkt echter niet dat enige specifiek daarop gerichte vraagstelling heeft plaatsgevonden.

Daarnaast stelt eiser dat in het bestreden besluit onjuiste gegevens staan opgenomen. Vermeld wordt dat eiser de datum waarop hij Nederland had moeten verlaten bewust heeft overschreden aangezien hij uit de verstrekte kennisgeving onomstotelijk bekend was met de uiterste vertrekdatum van 1 juli 2019. Het dossier bevat echter geen terugkeerbesluit waarvan de uiterste vertrekdatum afliep op 1 juli 2019. Dit wordt dan ook ten onrechte door verweerder tegengeworpen.

Eiser stelt tot slot dat verweerder ten aanzien van het inreisverbod onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen. Eiser is jong en komt graag in de Europese Unie. Albanië treedt bovendien op termijn toe tot de Europese Unie waardoor eiser ook recht krijgt op vrij verkeer. Verweerder hoort hierop te anticiperen. Eiser heeft bovendien veel sociale contacten in Nederland en in Europa. Het is voor hem te zwaar dat deze worden doorbroken door het inreisverbod.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

Terugkeerbesluit

4.1.

De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 6.1 van het Vb 2000 uit de gronden 3a, 3b, 3d, 4c en 4d, zoals genoemd onder 2, reeds een risico volgt dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Ingevolge artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 heeft verweerder dan ook kunnen afzien van een termijn voor vrijwillig vertrek. Anders dan eiser betoogt, zijn tijdens het gehoor bovendien verschillende vragen gesteld over persoonlijke omstandigheden, zo blijkt uit het proces-verbaal van gehoor van 16 september 2019. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank geen omstandigheden genoemd die het onthouden van een vertrektermijn in zijn geval disproportioneel maken.

Inreisverbod

4.2.

Ten aanzien van het opgelegde inreisverbod overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, voor zover hier van belang, wordt een inreisverbod uitgevaardigd tegen de vreemdeling die Nederland onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid, van de Vw 2000. In paragraaf A4/2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) heeft verweerder het beleid opgenomen dat een inreisverbod wordt uitgevaardigd voor de maximale duur zoals die in de verschillende onderdelen van artikel 6.5a van het Vb 2000 is genoemd. In artikel 6.5a, eerste lid, van het Vb 2000 wordt bepaald dat de duur van het inreisverbod ten hoogste twee jaren bedraagt. De duur van het inreisverbod wordt verkort, of het inreisverbod wordt achterwege gelaten, indien de vreemdeling bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd en onderbouwd, aldus het beleid van verweerder.

4.3.

Uit het proces-verbaal van gehoor van 16 september 2019 blijkt dat verweerder heeft gevraagd naar redenen of bijzondere omstandigheden om af te zien van het opleggen van een inreisverbod, dan wel de duur daarvan te verkorten. Eiser heeft verklaard dat hij geen commentaar daarop heeft. Hij heeft verder verklaard: “Jullie weten hoe het moet, jullie handhaven de wet, jullie zijn de staat, jullie weten hoe om te gaan met een persoon zoals ik.”

Daarnaast zijn door verweerder vragen gesteld omtrent eisers familie en zijn zakelijke belangen. Hierover heeft eiser verklaard dat hij geen familie in Nederland of Europa heeft. Op de vraag of eiser zakelijke belangen in Nederland of Europa heeft, verklaarde eiser dat hij dat niet nu kon vertellen, omdat zijn hersenen niet werkten en zijn gedachten ergens anders waren. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat verweerder geen reden heeft hoeven zien om het gehoor af te breken, te meer nu uit het proces-verbaal van gehoor van 16 september 2019 blijkt dat aan eiser ook andere vragen zijn gesteld waarom verweerder zou moeten afzien van het opleggen van een inreisverbod. Uit de antwoorden van eiser op die vragen volgt dat geen sprake is van familiale- of medische omstandigheden, of van overige redenen of bijzonderheden. Bovendien heeft eiser ook in beroep niet onderbouwd dat hij zakelijke belangen heeft in Nederland of Europa. Naar het oordeel van de rechtbank zijn tijdens het gehoor voldoende gerichte vragen gesteld en heeft verweerder daarmee voldaan aan zijn onderzoeksplicht.

4.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser gelet op het vorenstaande geen bijzondere, individuele omstandigheden aangevoerd die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn voor het verkorten van de duur van het inreisverbod, dan wel voor het geheel afzien van het opleggen van een inreisverbod. Verweerder heeft dit standpunt ook voldoende gemotiveerd. Dat Albanië mogelijk zal toetreden tot de Europese Unie, zoals eiser in beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel nu dit een toekomstige onzekere gebeurtenis is waarmee verweerder geen rekening heeft hoeven houden.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Frieling, griffier.

Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is gedaan op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.