Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5916

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-06-2020
Datum publicatie
30-06-2020
Zaaknummer
nl19.26033
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

opvolgende aanvraag, hazara, bekering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.26033


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] eiser

(gemachtigde: mr. E. van den Hombergh),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S.F.E. Verdonck).


Procesverloop
Bij besluit van 29 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de derde asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond en aan hem een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2019. Eiser is verschenen,

bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn

gemachtigde. Als tolk was aanwezig D. Madjlessi.

Ter zitting is het onderzoek gesloten.

In verband met een te verwachten uitspraak van de Afdeling1 over de positie van Hazara in Afghanistan, heeft de rechtbank op 9 januari 2020 besloten om het onderzoek te heropenen nadat de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats, bij uitspraak van 11 december 20192, al een voorlopige voorziening had getroffen in die zin dat eiser niet mag worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.

Op 18 december 20193 heeft de Afdeling voormelde uitspraak gedaan.

Bij brief van 13 februari 2020 heeft verweerder een reactie hierop ingediend en het voorlopig standpunt ingenomen dat de asielaanvraag terecht is afgewezen. Verweerder heeft daarbij meegedeeld dat hij zich nog beraadt over een eventuele aanpassing van het beleid met betrekking tot de Hazara bevolkingsgroep en de mogelijke gevolgen hiervan voor het bestreden besluit van eiser.

Bij brief van 11 maart 2020 heeft eiser een reactie hierop ingediend.

Bij brief van 4 mei 2020 heeft verweerder onder verwijzing naar de eerdere brief van 13 februari 2020 meegedeeld dat het bestreden besluit definitief wordt gehandhaafd.

Op 15 mei 2020 heeft eiser nog een nadere schriftelijke reactie ingediend.

Partijen hebben vervolgens ingestemd met een afdoening zonder nadere zitting.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] , bezit de Afghaanse nationaliteit, behoort tot de Hazara bevolkingsgroep en is afkomstig uit Ghor.

2. Eiser heeft op 6 juni 2015 zijn eerste asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 19 augustus 2015 heeft verweerder de aanvraag niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk was voor de behandeling ervan. Het daartegen ingediende beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch4, niet-ontvankelijk verklaard. Het besluit staat in rechte vast.

3. Op 19 april 2017 heeft eiser zijn tweede asielaanvraag ingediend. Hij heeft daarbij aangevoerd dat hij in zijn dorp problemen heeft gehad met een persoon die tot de Pashtun bevolkingsgroep behoort. Verder heeft hij gesteld dat hij vanwege de religieuze stroming waartoe hij behoort en zijn etniciteit in zijn dorp is gediscrimineerd en mishandeld.

Bij besluit van 28 juni 2017 is de aanvraag afgewezen als ongegrond. Verweerder heeft het relaas als ongeloofwaardig aangemerkt. Het hiertegen ingediende beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch5, ongegrond verklaard. Ook dit besluit staat in rechte vast.

4. Eiser heeft aan zijn huidige, derde asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij is bekeerd. Hij is via een kamergenoot in het AZC in aanraking gekomen met het christendom. Op enig moment besloot hij deel te nemen aan gesprekken over de bijbel die in hun kamer werden gevoerd. Ook mocht hij mee naar de kerk in Veenendaal. Eiser raakte nog meer geïnteresseerd en besloot de bijbellessen te gaan volgen om meer kennis te verkrijgen en zich te verdiepen in het christendom. Eiser verhuisde naar Arnhem. Daar werden door [naam] bijbellessen gegeven en zij nam eiser twee maal mee naar de kerk. Eiser werd vervolgens weer naar een ander AZC geplaatst tot hij uitgeprocedeerd raakte en dakloos werd. Hij sliep gedurende twee weken in een park in [naam] Op een dag zat hij in het park en hij hoorde kerkklokken luiden. Eiser besloot te bidden tot God om hem uit deze situatie te halen. Een man kwam naast hem zitten, troostte hem en bood hem tijdelijk een kamer in zijn woning in [naam] aan. Het was een christelijk gezin waarin eiser werd opgenomen. Eiser nam weer contact op [naam] en zij verwees hem naar [naam] . Hij begon deze kerk wekelijks bezoeken en volgde de bijbellessen. Eiser kreeg een bijbel in het Farsi en begon te lezen. Op 6 oktober 2017 ging betrokkene voetballen en kreeg hij een knieblessure. Hij besloot om te gaan bidden om hulp. De volgende ochtend was zijn knie genezen en had hij geen pijn meer. Zijn geloof in het christendom werd hierdoor alleen maar sterker.

Eiser vreest dat hij bij terugkeer naar Afghanistan met iedereen problemen zal krijgen, omdat hij zijn geloof niet kan ontkennen en moet evangeliseren.

5. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn relaas een aantal stukken overgelegd. Het betreft onder meer: een brief van 21 oktober 2019 en twee e-mailberichten van respectievelijk 24 oktober 2019 en 13 november 2019, welke afkomstig zijn van [naam] voorganger van de [naam] Verder heeft eiser een ongedateerde brief van twee leden van de Commissie Plaisier overgelegd waarin wordt gereageerd op twee vragen die door gemachtigde van eiser per e-mailbericht aan hen zijn gesteld.

6. Verweerder heeft het relaas getoetst aan Werkinstructie 2018/10 met de titel ‘Bekeerlingen’. Daarbij is verweerder op zoek naar het authentieke verhaal van een vreemdeling.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat er ten aanzien van eiser sprake is een gestelde actieve bekering met passieve elementen omdat eiser volgens zijn verklaring actief bijbellessen heeft gevolgd en zijn geloof in het christendom door twee gebeurtenissen, de ontmoeting in het park en de genezing van zijn knie, sterker werd.

Verweerder acht de bekering van eiser ongeloofwaardig. Aan de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser wordt niet getwijfeld.

Het enkele feit dat eiser tot de risicogroep der Hazara behoort, leidt niet tot verlening van een asielvergunning. Er is in dit geval geen sprake van de daartoe vereiste ‘geringe indicaties’ omdat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag derhalve afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 van de Vw6 in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw en aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. Eiser heeft zijn verklaring dat er sprake is van een gezinsleven met zijn vriendin niet onderbouwd.

7. Op wat eiser daartegen in beroep aanvoert wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

8. Volgens eiser heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat hij vaag, summier en algemeen heeft verklaard zijn motieven voor en proces van bekering omdat hij niet heeft onderbouwd wat de waarden als ‘liefde’, ‘vergeving’ en ‘eeuwige god’ voor hem persoonlijk betekenen.

In navolging van verweerder oordeelt de rechtbank dat de in beroep aangehaalde verklaringen van eiser uit het nader gehoor op dit punt grotendeels kunnen worden gekwalificeerd als een beschrijving van de wijze waarop hij kennis heeft gemaakt met het christelijk geloof en niet als zijn motieven voor de keuze van het christelijk geloof.

Verder heeft verweerder in het voornemen al terecht geconstateerd dat eiser herhaaldelijk heeft verklaard7 dat hij het christendom steeds interessanter vond maar dat eiser als hem om nadere toelichting wordt gevraagd, niet concreet maakt wat dit voor hem als persoon in het dagelijks leven betekent.

9. Eiser voert vervolgens aan dat verweerder zijn verklaring dat hij in Afghanistan al afstand had genomen van de islam ten onrechte niet gelooft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij de onderbouwing van dit standpunt terecht verwezen naar de twee eerdere asielprocedures waarin eiser heeft aangegeven dat hij sjiitisch moslim was. Van belang hierbij is ook dat eiser tijdens de tweede asielprocedure niets heeft laten blijken van een in gang gezet bekeringsproces, terwijl dit wel van hem kon worden verlangd gelet de gestelde aard en omvang van zijn activiteiten en zijn verklaring dat hij vanaf zijn 13e al bezig was om afstand te nemen van de islam en zich niet meer moslim voelde.

10. Vervolgens stelt eiser aan de orde in hoeverre de vraag of hij wel of niet kan lezen of schrijven relevant is voor de beoordeling nu hij in Afghanistan de koranschool heeft bezocht en heeft verklaard hoe hij zijn kennis over het christendom heeft opgedaan.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de verklaring van eiser, dat hij een bijbel kreeg in het Farsi die hij ging lezen, terecht in twijfel getrokken, nu eiser steeds is gehoord in het Dari, slechts drie jaar koranlessen heeft gehad en tijdens het eerste gehoor van 20 juni 2017 desgevraagd heeft verklaard dat hij aldaar een beetje heeft leren lezen en schrijven.

Verweerder heeft verder terecht vraagtekens geplaatst bij eisers verklaring dat hij als geboren moslim geen twijfels heeft gehad bij de gestelde bekering en dat er geen twijfels zijn omdat de bijbel volgens eiser in vergelijking met de sharia geen regels kent en vrijheid in je geloof geeft. Het is niet aannemelijk dat eiser zich niet heeft afgevraagd wat het zich afkeren van de islam betekent voor de band met zijn moeder, broers, zussen en andere familieleden. Eiser heeft immers verklaard dat hij bij terugkeer vreest met iedereen problemen te zullen krijgen omdat hij zijn geloof niet kan ontkennen.

Vanwege de hoge mate van toevalligheid twijfelt verweerder niet ten onrechte aan eisers verklaringen dat hij op twee verschillende momenten in zijn procedures in een park in [naam] contact kwam met onbekenden die in [naam] woonachtig waren en hem vervolgens opvang aanboden.

11. De rechtbank volgt eiser gedeeltelijk in zijn betoog dat hij in voldoende mate heeft verklaard over zaken zoals het bidden, de drie eenheid, zijn favoriete bijbelverhaal, de gang van zaken tijdens een kerkdienst en over het verschil tussen het protestantse en katholieke geloof. Echter, eisers verklaring over de [naam] is onjuist, nu de [naam] , in tegenstelling tot wat eiser beweert, blijkens het e-mailbericht van 13 november 2019 van de voorganger niet evangeliseert.

Verder heeft verweerder niet ten onrechte vraagtekens geplaatst bij de verklaringen van eiser gelet op de inhoud van de brief van de voorganger van 21 oktober 2019 waarbij deze schrijft over de dood van een zusje, een gebeurtenis die eiser heeft aangegrepen en dat eiser heeft gebeden dat zijn moeder zou genezen van haar nekpijn. Hierbij is in aanmerking genomen dat eiser bij het verstrekken van zijn familiegegevens nimmer heeft opgegeven dat hij een zusje had dat is overleden. Ook heeft hij verklaard dat hij sinds zijn vertrek geen contact meer heeft met zijn familie.

De verklaring van eiser hiervoor dat deze gebeurtenis te pijnlijk is om over te praten en dat hij met ‘moeder’ de vrouw [naam] bedoelt heeft verweerder terecht als onvoldoende van de hand gewezen. Niet valt in te zien waarom eiser bij de voorganger het zusje wel noemt en bij verweerder niet alle gegevens over zijn familie verstrekt en dat de voorganger met het gebruik van het woord moeder een ander bedoelt dan de biologische moeder van eiser.

De ongedateerde brief van de twee leden van de Commissie Plaisier, waarbij zij reageren op een e-mail van gemachtigde met een citaat uit het voornemen en de zienswijze, doet aan het voorgaande oordeel niet af nu zij eiser niet persoonlijk hebben gesproken en de beoordeling van het relaas plaatsvindt aan de hand van eisers eigen uitleg van zijn verklaringen en niet op basis van die van derden.

12. Eiser, die als Hazara behoort tot een risicogroep, stelt onder de verwijzing naar de Afdelingsuitspraak van 18 december 2019, dat verweerder niet kenbaar heeft aangegeven hoe dit en het feit dat hij afkomstig is uit Ghor, zijn betrokken bij de besluitvorming.

De rechtbank overweegt dat de Afdeling heeft geoordeeld dat het enkele behoren tot de Hazara-bevolkingsgroep niet leidt tot verlening van een asielvergunning, maar dat dit wel als een relevant aspect van een individueel asielrelaas dient te worden meegewogen. Verweerder heeft er in zijn reactie van 13 februari 2020 en de aanvulling op 4 mei 2020 terecht op gewezen dat er in het geval van eiser geen geloofwaardig geachte individuele aspecten naar voren zijn gebracht die specifiek verband houden met het behoren tot de Hazara-bevolkingsgroep. Gelet daarop heeft verweerder terecht overwogen dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde vergunning.

13. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond en een inreisverbod heeft opgelegd.

14. Het beroep is ongegrond.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Loonstra-Hoekstra, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

2 NL19.26034

3 ECLI:NL:RVS:2019:4200

4 op 15 september 2015, kenmerk AWB 15/15555

5 op 21 juli 2017, kenmerk NL17.4158

6 Vreemdelingenwet 2000

7 op pagina 4 en 5 en 8 en 9 van het nader gehoor