Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5913

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-06-2020
Datum publicatie
30-06-2020
Zaaknummer
224204757
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wahv. De gemachtigde stelt namens betrokkene - onder andere - dat de beschikking niet aan een handelsnaam opgelegd kan worden en de beschikking om die reden vernietigd moet worden. Met verwijzing naar jurisprudentie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden slaagt dit verweer niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Gouda

CJIB-nummer: 224204757

Registratienummer team straf: 8066828 MB VERZ 19-20735

Uitspraakdatum : 16 juni 2020

Beslissing van de kantonrechter, tevens houdende het opgemaakte proces-verbaal van de zitting

in de zaak van

de vennootschap onder firma [naam ]

wonende dan wel gevestigd te: [adres]

, nader ook te noemen: betrokkene.

Gemachtigde: B. de Jong van Adviesbureau Skandara

Het verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond dan wel niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die beslissing is beroep ingesteld bij de kantonrechter.

De zaak is behandeld via een telefonische verbinding op 16 juni 2020. De vertegenwoordiger van de officier van justitie en de gemachtigde hebben aan dit gesprek deelgenomen.

Overwegingen

Aan betrokkene wordt het verwijt gemaakt dat op 15 maart 2019 met het voertuig met kenteken [kenteken] op het [straatnaam] te Gouda niet de rijbaan is gebruikt, terwijl betrokkene toen de kentekenhouder van dit voertuig was.

Aan betrokkene is een sanctie opgelegd van € 104,00, inclusief administratiekosten.

De gemachtigde heeft namens betrokkene beroep ingesteld en in zijn beroepschrift aangevoerd dat:

  • -

    de beslissing van de officier van justitie niet in stand kan blijven wegens een motiveringsgebrek. Niet is ingegaan op het art. 5 WAHV-verweer;

  • -

    de verbalisant in kwestie – kennelijk doelbewust- de straat op gaat in burgerkleding om geen staandehouding te hoeven verrichten. Hiermee wordt misbruik gemaakt van het bepaalde in art. 5 WAHV. De inleidende beschikking dient daarom vernietigd te worden.

De gemachtigde heeft om een proceskostenvergoeding verzocht.

De gemachtigde heeft medegedeeld de gronden van het beroep te handhaven en er nog aan toegevoegd dat hij eerst een formeel punt aan de orde wil stellen. De sanctie is opgelegd aan [naam ] . [naam ] is geen entiteit of bedrijf. [naam ] staat wel geregistreerd als V.O.F. Dit had achter [naam ] op de beschikking moeten staan. De sanctie kan niet aan een handelsnaam worden opgelegd, er moet een entiteit aan ten grondslag liggen. Om die reden kan de sanctiebeschikking niet in stand blijven. Subsidiair kan de beschikking niet in stand blijven omdat misbruik is gemaakt van het bepaalde in artikel 5 WAHV.

De vertegenwoordiger van de officier van justitie heeft meegedeeld de beslissing waarvan beroep is ingesteld, evenals de verwerping van de bezwaren van betrokkene, te handhaven. [naam ] staat als zodanig in het RDW-register ingeschreven en is juist. Daarnaast is op de machtiging ook ‘ [naam ] ’ zonder enige toevoeging vermeld en die machtiging is ook ondertekend. In het geval het voor de gemachtigde niet duidelijk is wie degene op de beschikking is, dan is dus ook onduidelijk wie de gemachtigde vertegenwoordigt en moet het beroep om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard.

De verbalisant heeft kunnen volstaan met het bekeuren op kenteken. Niet is gebleken dat deze verbalisant doelbewust in burgerkleding op straat gaat, om zo niemand staande te hoeven houden. Bovendien heeft de gemachtigde een eenzijdig beeld geschetst, omdat niet blijkt in hoeveel gevallen deze verbalisant wél betrokkenen staande houdt.

De gemachtigde heeft in reactie nog naar voren gebracht dat hij [naam ] V.O.F. vertegenwoordigt, maar dat de sanctie is opgelegd aan een (rechts)persoon die niet bestaat.

De vertegenwoordiger van de officier van justitie geeft aan dat zij de Kamer van Koophandel heeft geraadpleegd, waaruit blijkt dat [naam ] een handelsnaam is en daarmee ook juist in het RDW-register is opgenomen.

De gemachtigde geeft aan dat [naam ] een vennootschap onder firma is en dat de boete daarom ook aan [naam ] V.O.F. opgelegd had moeten worden. Een sanctie aan een handelsnaam opleggen is juridisch gezien niet mogelijk.

De kantonrechter heeft vervolgens op grond van de navolgende overwegingen een beslissing genomen.

Het beroep is tijdig ingediend en er is zekerheid gesteld voor de betaling van de boete dus het beroep is ontvankelijk.

Met verwijzing naar de uitspraak van het gerechtshof Leeuwarden d.d. 14 februari 2008 betekent het eventueel ontbreken van de aanduiding ‘V.O.F.’ op de beschikking niet zonder meer dat de beschikking aan de handelsnaam is opgelegd (gepubliceerd op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHLEE:2008:BD0008). Uit een uittreksel uit de Kamer van Koophandel blijkt dat [naam ] de handelsnaam is van de vennootschap onder firma [naam ] , een vennootschap met drie vennoten die ieder onbeperkt bevoegd zijn. Niet in het geding is dat een sanctie aan een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid opgelegd kan worden.

Uit de overgelegde machtiging van de gemachtigde dat blijkt dat [naam ] de aanduiding ‘V.O.F.’ weglaat in de machtiging, of althans geen bezwaar heeft dat die aanduiding wordt weggelaten, terwijl het de gemachtigde wel duidelijk is dat hij optreedt namens de vennootschap onder firma. Verder lijkt er geen enkel misverstand te bestaan bij betrokkene en haar gemachtigde dat de initiële beschikking is bestemd voor [naam ] v.o.f., want anders was zij daar niet tegen opgekomen via haar gemachtigde. De kantonrechter past in deze beschikking de naam van betrokkene dan ook aan.

Indien een betrokkene ter zake van een administratieve sanctie beroep instelt bij de officier van justitie dient de officier van justitie op dit beroep een gemotiveerde beslissing te geven. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de officier van justitie in dit geval zijn beslissing onvoldoende gemotiveerd.

Of de beslissing van de officier van justitie in dit concrete geval in stand kan worden gelaten, dient mede te worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:22 Algemene wet bestuursrecht.

In dit geval is betrokkene naar het oordeel van de kantonrechter benadeeld door de officier van justitie door zijn beslissing onvoldoende te motiveren. Gebleken is immers dat in het geheel niet is ingegaan op het verweer met betrekking tot het bekeuren op kenteken. De beslissing van de officier van justitie zal daarom worden vernietigd.

Artikel 5 van de Wahv bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Deze bepaling moet aldus worden verstaan dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd.

Het zaakoverzicht houdt in dat geen staandehouding heeft plaatsgevonden omdat de verbalisant in burgerkleding gekleed was en in een burgervoertuig reed. Ook had hij geen stopmiddelen voorhanden. Naar het oordeel van de kantonrechter houdt de verklaring van de verbalisant genoegzaam in dat zich geen reële mogelijkheid heeft voorgedaan tot staandehouding van de bestuurder. In dit geval mocht de verbalisant dan ook volstaan met het bekeuren op kenteken. Niet is gebleken dat de verbalisant doelbewust de rechten van betrokkene heeft willen schaden door op deze manier te werk te gaan.

Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de betrokkene niet ontkent dat hij met een bromfiets over het fietspad is gereden, staat vast dat de gedraging is verricht.

Er zijn ook geen feiten of omstandigheden gebleken die aanleiding geven tot matiging van de opgelegde boete.

Gelet op het voorgaande zal de beslissing van de officier van justitie worden vernietigd en het beroep voor het overige ongegrond worden verklaard. De beslissing van de officier van justitie wordt vernietigd wegens het niet/onvoldoende nageleefd zijn van procedurele voorschriften. De onderliggende (boete)beschikking blijft in stand en ook inhoudelijk wordt betrokkene in het ongelijk gesteld. Vanwege het ontbreken van voldoende rechtens te respecteren belang is redelijkerwijs geen aanleiding tot toekenning van een proceskostenvergoeding aan betrokkene (zie Hoge Raad, 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:563 en gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 april 2020, gepubliceerd op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336). Het verzoek om vergoeding van de proceskosten wordt daarom afgewezen.

Beslissing:

De kantonrechter:

  • -

    verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;

  • -

    vernietigt de beslissing van de officier van justitie;

  • -

    verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A.M. Veraart, kantonrechter, bijgestaan door

R.O. Hollander, griffier en in het openbaar uitgesproken.

De griffier De kantonrechter

Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:

a. de u opgelegde administratieve sanctie meer dan € 70,00 bedraagt, of

b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.

Het beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Den Haag, Team Straf en dient door degene die het beroep heeft ingesteld of door zijn gemachtigde te zijn ondertekend.

De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.