Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5890

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-06-2020
Datum publicatie
30-06-2020
Zaaknummer
NL20.5867
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Statushouder Griekenland, niet gebleken van bijzondere kwetsbaarheid, ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL20.5867


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eisers 1] , eiseres

V-nummer: [v-nummer]

mede namens haar minderjarige kinderen:

[eisers 2]

V-nummer: 2875124915,

[eisers 3] ,

V-nummer: 2875124672,

hierna gezamenlijk te noemen: eisers,

(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W. Griffioen).


Procesverloop
Bij besluit van 4 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL20.5868, plaatsgevonden op 12 juni 2020. Eiseres is verschenen en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers stellen de [nationaliteit] nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] .

2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eisers niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), in samenhang met artikel 3.106a, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat is gebleken dat de Griekse autoriteiten internationale bescherming hebben verleend aan eisers.

3. Eisers voeren aan dat nagenoeg alle argumenten in de zienswijze ongemotiveerd terzijde worden geschoven in het bestreden besluit, met als argument dat deze argumenten hetzelfde zijn als de eerdere gronden van beroep van 22 juli 2019, en dat deze reeds zijn meegenomen in het voornemen van 29 januari 2020. Echter, deze beroepsgronden waren voor verweerder destijds aanleiding om het eerdere besluit in te trekken. Tegen deze achtergrond bevreemdt het des te meer dat verweerder hier niet inhoudelijk op ingaat. Het bestreden besluit is onzorgvuldig tot stand gekomen en gebrekkig gemotiveerd.

3.1

Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de beroepsgronden van 22 juli 2019 geen aanleiding waren om het eerdere besluit in te trekken. Het eerdere besluit is ingetrokken omdat verweerder in het kader van het arrest Ibrahim van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:219, hierna: arrest Ibrahim). niet goed gemotiveerd had waarom eisers niet als bijzonder kwetsbaar moeten worden aangemerkt. De stelling van eisers dat de intrekking het gevolg was van hun beroepsgronden blijkt niet uit het dossier en treft naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen doel. Voorts volgt de rechtbank eisers niet in hun standpunt dat verweerder hun zienswijze ongemotiveerd terzijde heeft geschoven. Uit het bestreden besluit blijkt wel degelijk dat verweerder op de zienswijze in is gegaan. De ter zitting gehandhaafde stelling van eisers dat verweerder gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt, gelet op de lange tijd die hij heeft genomen om een nieuw besluit te nemen na de intrekking, kan naar het oordeel van de rechtbank ook niet slagen. Verweerder heeft eisers immers ingelicht dat het langer zou duren, en is hen ook in geld tegemoet gekomen middels een dwangsom. De beroepsgrond slaagt niet.

4. Eisers voeren voorts aan dat zij als bijzonder kwetsbaar dienen te worden aangemerkt in de zin van het arrest Ibrahim. Eiseres is een alleenstaande moeder, weduwe, en heeft de zorg over twee minderjarige kinderen die in de opvangkampen in Griekenland vreselijke dingen hebben meegemaakt. Hierover heeft eiseres in het nader gehoor van 9 juli 2019 diverse verklaringen afgelegd. Uit dit gehoor komt voorts naar voren dat zowel eiseres als haar kinderen kampen met medische en psychische problemen en dat er geen toegang was tot zorg. Zij dienden deze zorg zelf te betalen, maar hadden daarvoor niet de benodigde financiële middelen. In het bestreden besluit motiveert verweerder onvoldoende waarom eiseres en haar kinderen bij terugkeer naar Griekenland niet door hun bijzondere kwetsbaarheid, buiten hun eigen wil en keuzes om, zullen terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, die voldoet aan de in de punten 89 tot en met 91 van het arrest Ibrahim genoemde criteria. Eisers verwijzen hiertoe naar het aanmeldgehoor en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 11 februari 2020 (NL19.30271).

4.1

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat eiseres een alleenstaande moeder is met jonge kinderen in de basisschoolleeftijd, onvoldoende is om bijzondere kwetsbaarheid aan te nemen in de zin van het arrest Ibrahim. Verweerder heeft daarbij ter zitting verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1102) waarin is geoordeeld dat die omstandigheid er op zichzelf niet toe leidt dat zij zich niet staande kunnen houden en niet zelfstandig hun rechten kunnen effectueren in Griekenland. Zij lopen niet al daarom het reële risico om in een toestand van zeer verregaande materiele deprivatie terecht te komen. De omstandigheden die eisers verder hebben aangevoerd, namelijk dat zij vreselijke dingen hebben meegemaakt in de opvangkampen in Griekenland en mede daardoor medische en psychische problemen hebben, heeft verweerder onvoldoende kunnen achten, nu eisers dit niet met objectieve stukken hebben onderbouwd. De enkele verklaring van eiseres over deze omstandigheden in het nader gehoor, is daartoe onvoldoende. Eisers’ beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, leidt niet tot een ander oordeel. De vreemdeling in die zaak was zwanger en uit rechtsoverweging 8 van de uitspraak van zittingsplaats Arnhem is af te leiden dat die omstandigheid bij het oordeel dat sprake is van een bijzonder kwetsbaar gezin, zwaar heeft gewogen. Verweerder heeft daarom deugdelijk gemotiveerd dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij terugkomst in Griekenland terecht zullen komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, zoals omschreven in het arrest Ibrahim. De beroepsgrond slaagt niet.

4.2

Hetgeen eisers ter zitting verder nog naar voren hebben gebracht, te weten dat het op de weg van verweerder lag om te onderzoeken wat de situatie in Griekenland momenteel is in verband met het coronavirus, kan naar het oordeel van de rechtbank ook niet leiden tot een gegrondverklaring van het beroep. Zoals verweerder ter zitting terecht heeft opgemerkt, is het, gelet op het toetsingskader, aan eisers om aan te tonen dat ten aanzien van Griekenland niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit hebben eisers niet gedaan.

5. De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van mr. C.H. Gall, griffier.

De uitspraak is gedaan op:

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak nog niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.