Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5888

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-06-2020
Datum publicatie
01-07-2020
Zaaknummer
NL20.4555
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, Myanmar. (-) is half Rohingya, vwd moet beter motiveren waarom (-) geen gevaar zou lopen bij terugkeer. Gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.4555


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. A. Hol),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Bicer).


Procesverloop
Bij besluit van 27 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 9 juni 2020 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw N.N. Lwin. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft de Myanmarese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . Zij heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij van gemengde afkomst is. Haar moeder is Birmees, haar vader Rohingya. De echtgenoot van eiseres is op 31 mei 2017 overleden en was, net als eiseres, half Rohingya. In oktober 2017 heeft eiseres voor haar overleden echtgenoot een donatie gedaan aan Shine Construction Group, ten behoeve van het verlenen van steun aan de Rohingya-vluchtelingen in Rakhine. De eigenaar van Shine Construction Group is Aung Zaw Win. Hij werd ondervraagd door de autoriteiten over deze donaties en is naar aanleiding daarvan gearresteerd. In februari 2018 is eiseres opgeroepen door de wijkautoriteiten en is zij bevraagd over haar donatie. Eiseres mocht daarna naar huis gaan. Op 21 maart 2018 zijn er twee monniken en een persoon in burgerkleding bij haar thuis geweest. Zij hebben zich op negatieve wijze tegenover eiseres uitgelaten en hebben haar geduwd en geschopt. Omdat zij zagen dat eiseres bang was, zijn ze via de buitendeur weer weggegaan. Vervolgens is eiseres naar de wijkautoriteiten gegaan om haar verhaal te vertellen, maar die hebben geen bereidheid getoond om haar bescherming te bieden. Hierop is eiseres ondergedoken en later weer teruggekeerd naar haar eigen huis. Volgens de buren werd bij eiseres aangeklopt in haar afwezigheid. De buren durfden niet te

kijken wie er buiten stond. Eiseres vermoedt dat het dezelfde monniken zijn geweest, omdat ze het gevoel had dat ze niet klaar waren met haar. Omdat eiseres zich niet meer veilig voelde heeft zij besloten Myanmar te verlaten.

2. Verweerder heeft de volgende elementen uit het asielrelaas van eiseres als relevant aangemerkt:

- identiteit en nationaliteit;

- de etniciteit van eiseres;

- de donatie aan Shine Construction Group;

- de problemen vanwege de donatie aan Shine Construction Group.

3. Op 20 maart 2019 heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiseres is hiertegen in beroep gegaan. Op 26 april 2019 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van eiseres gegrond verklaard en bepaald dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak (NL19.6519). Voor zover relevant is daarin het volgende geoordeeld ten aanzien van de donatie en de kennis die de autoriteiten hiervan zouden hebben:

“5.1 De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft geloofwaardig geacht dat eiseres een bedrag van omgerekend € 2.500,- heeft gedoneerd aan Shine Construction Group waarvan Aung Zaw Win is beschuldigd van het financieren van ARSA-strijders en dat hij in dit verband is opgepakt, berecht en vrijgesproken. Eiseres heeft verklaard dat zij van haar donatie een bonnetje heeft gekregen en dat de donatie is geregistreerd in een boek, waarbij haar naam en adres werden genoteerd en het bedrag. Gelet op de hoogte van de donatie acht de rechtbank dit niet onaannemelijk. Nu Aung Zaw Win is opgepakt in verband met de verdenking van financiering van de ARSA, is het ook aannemelijk dat de autoriteiten in dat onderzoek zijn financiële administratie hebben doorgelicht. Dit brengt mee dat eiseres er in gevolgd kan worden dat het, anders dan verweerder heeft gesteld, mogelijk is dat de autoriteiten op deze manier van de donatie op de hoogte zijn gekomen en haar daarover vragen zijn gaan stellen. De beroepsgrond slaagt reeds hierom.”

4. In het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres wederom ongegrond verklaard. In het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres wordt gevolgd in haar verklaringen over de feitelijke gebeurtenissen. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd bevestigd dat de relevante elementen en de feitelijke gebeurtenissen zoals eiseres die naar voren heeft gebracht in haar gehoren, geloofwaardig worden geacht.

5. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres thans afgewezen omdat zij niet met haar persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Myanmar een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade. Voorts is het enkele feit dat eiseres half Rohingya, half moslim is, onvoldoende om te concluderen dat zij behoort tot een risicogroep of een kwetsbare minderheidsgroep.

6. Eiseres voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij bij terugkeer naar Myanmar geen gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade. Vóór de donatie heeft eiseres haar etniciteit en religie altijd zoveel mogelijk verborgen gehouden en heeft zij geen problemen gehad in Myanmar. Er bestaat echter een rechtstreeks verband tussen het doen van de donatie, het opgeroepen worden door de wijkautoriteiten, de inval van de monniken en het geen bescherming kunnen verkrijgen. Dit betreffen meerdere opeenvolgende gebeurtenissen die in samenhang beoordeeld moeten worden in relatie tot de situatie van moslims en Rohingya in Myanmar. Eiseres beklemtoont dat haar subjectieve vrees wordt onderbouwd met objectief kenbare informatie over de bevolkingsgroep waar zij toe behoort. Zij is weliswaar half Rohingya, maar dit heeft haar niet kunnen vrijwaren van negatieve bejegeningen op grond van haar etniciteit en religie. Het standpunt van verweerder dat de inval van de monniken niet dusdanig ernstig was dat eiseres daarvoor bescherming nodig had, kan eiseres niet volgen, nu de inval voor eiseres diep ingrijpend was, mede gelet op de door de monniken gebruikte bewoordingen. Verder heeft eiseres zelf verklaard dat er in haar wijk eerder al incidenten waren geweest met moslims en dat de situatie explosief was. Eiseres heeft voorts, nu verweerder het asielrelaas en de feitelijke gebeurtenissen geloofwaardig heeft geacht, aannemelijk gemaakt dat zij behoort tot een bevolkingsgroep die valt binnen de definitie van het begrip ‘risicogroep’ als omschreven in de Vreemdelingencirculaire 2000. Anders dan verweerder stelt, bestaan de door eiseres omschreven problemen uit meer dan een ‘eenmalig incident’. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom in het geval van eiseres niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor aanwijzing als risicogroep dan wel kwetsbare minderheidsgroep.

6.1

Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat de gebeurtenis die eiseres heeft meegemaakt, hoe vervelend ook, niet dermate ernstig van aard is dat vastgesteld kan worden dat eiseres in haar land van herkomst aan vervolging heeft blootgestaan of dat sprake was van ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De aard van het incident is daarvoor te gering. Verweerder wijst erop dat eiseres zelf ook heeft verklaard dat de behandeling niet pijnlijk was en dat de mishandeling niet zo ernstig was dat zij daardoor gewond is geraakt. Verweerder stelt zich daarom op het standpunt dat het incident niet dusdanig is dat eiseres daarvoor de bescherming van de autoriteiten nodig heeft. Het incident alsmede de overige door eiseres beschreven feiten en omstandigheden bieden evenmin aanleiding om aannemelijk te achten dat er bij terugkeer nogmaals iets vergelijkbaars of een ernstiger incident zal plaatsvinden. Dat eiseres hiervoor vreest is begrijpelijk, maar deze vrees is subjectief van aard en vindt geen grond in objectieve feiten of omstandigheden. Verweerder wijst er daarbij nogmaals op dat de monniken uit eigen beweging zijn vertrokken en dat er, ondanks dat eiseres pas twee maanden na het incident het land heeft verlaten, niet opnieuw een incident heeft plaatsgevonden. Dat deze vrees wordt geobjectiveerd met kenbare informatie over de bevolkingsgroep waartoe zij behoort, bestrijdt verweerder. Verweerder stelt daarbij voorop dat niet is gebleken dat eiseres in haar land van herkomst als Rohingya wordt gezien. Zoals eiseres zelf ook heeft verklaard is zij als Birmese moslim opgegroeid. Zij spreekt de Rohingya taal niet en wordt ook gezien als een Myanmarese moslim. Het enkele feit dat eiseres half Rohingya, half moslim is, is daarom onvoldoende om te concluderen dat zij tot een risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep behoort. Immers is ook niet gebleken dat aan eiseres vanwege haar afkomst fundamentele rechten zijn ontzegd. Eiseres heeft kunnen studeren, wonen, trouwen en heeft zelfs het werk van haar overleden man opgepakt, waaruit kan worden geconcludeerd dat haar het recht om te bewegen ook niet is ontzegd. Bovendien volgt uit de verklaringen van eiseres dat haar echtgenoot als verkoopchef heeft gewerkt en veel geld heeft kunnen sparen, hetgeen nogmaals bevestigd dat eiseres en haar man, die Rohingya was, de genoemde rechten niet zijn ontzegd. Gelet hierop stelt verweerder dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Myanmar een gerechtvaardigde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag heeft of dat zij een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 EVRM.

7. De rechtbank oordeelt als volgt. De geloofwaardigheid van het asielrelaas ligt, gelet op het standpunt van verweerder, niet meer ter beoordeling voor aan de rechtbank en de gronden die hiertegen zijn gericht worden daarom ook niet besproken.

7.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat eiseres vóór de donatie aan de Shine Construction Group problemen heeft gehad als gevolg van haar etniciteit, namelijk dat zij half Rohingya is. De rechtbank is evenwel van oordeel dat verweerder niet zonder meer kan stellen dat de problemen die ná haar donatie aan de Shine Construction Group zijn begonnen, geen verband houden met het zijn van Rohingya. Uit het relaas van eiseres volgt naar het oordeel van de rechtbank dat deze problemen als gevolg waarvan zij is gevlucht kunnen zijn ontstaan omdat zij na de donatie als Rohingya wordt gezien. Dat volgt uit de volgende verklaringen in haar nader gehoor van 1 juli 2018:

“(…) In de tweede maand van dat jaar werd ik opgeroepen door de wijkautoriteiten. Zij vroegen of ik had gedoneerd. Ik heb gezegd dat ik heb gedoneerd. Zij wilden weten met welke intentie ik heb gedoneerd. Ik heb gezegd mijn man is een Roghinya en mijn grootouders ook, dus daarom wilde ik voor mijn man een goede daad verrichten. Hij zei, weet je waar het geld naartoe gaat. Ik heb gezegd dat het om vluchtelingen gaat uit Rakin. Ik heb het toen aan hun uitgelegd. De informatie die ik hen gaf, waren zij niet blij mee. Zij zeiden dat ik naar huis mocht. Ik ben vervolgens naar huis gegaan.”

(...) Op 21 maart 2018 kwamen mensen aan de deur. Het waren twee monniken en een met burgerkleding. ( ….)

Een van die monniken heeft mij geduwd en ik zat op de grond. Een

andere monnik heeft mij geschopt.

Ik was heel erg bang en ik was aan het trillen omdat ik geschrokken was. Ik wist niet wat zij daarna met mij zouden doen. Ik heb niets gezegd, omdat ik het probleem niet nog erger wilde maken.

(…)

Op 22 maart 2018 ben ik naar de wijkautoriteiten gegaan. Dit deed ik omdat zij mij al hadden gewaarschuwd. Ik heb alles verteld en zij zeiden dat zij een melding hiervan zouden maken en dan zou ik van hen horen.

(…)

Dit was volgens mij een van de dagen in het weekend. Ik weet het niet echt exact meer. Ik hoorde maar niets van de wijkautoriteiten. Ik ben naar hen gegaan en heb gevraagd of zij nog wat hebben gehoord en toen zeiden zij dat ik het probleem niet nog groter mocht maken en zo klein mogelijk laat. Zij zeiden als veel wijkbewoners dit horen, dan zou dit nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wijk. Zij namen het ook niet serieus van wat er met mij is gebeurd. Ik was slachtoffer van de mishandeling, maar ik voelde mij zo machteloos tegenover hen. Het was net alsof ik de oorzaak was van het probleem, omdat ik had gedoneerd. Zij zeiden dat ik te maken heb met

monniken en zij geen actie kunnen nemen. Zij zeiden dat ik de oorzaak ben van het probleem. Wat er met mij was gebeurd, was niet iets kleins. Het was een grote breuk op mijn privacy en het had nog erger kunnen aflopen.

(…)

Nadat ik bij de wijkautoriteiten ben geweest heb ik heel goed nagedacht dat het duidelijk was dat zij mij niet zouden beschermen. Hun toon was ook nog eens partijdig. Zij zeiden dat ik degene was die de oorzaak is en ik had dan alert moeten zijn. Ik moest dit accepteren zeiden zij. Zij zeiden dat dit niets gaat worden. (…)1

Vast staat dat verweerder deze verklaringen geloofwaardig heeft geacht. Daarmee is ook geloofwaardig dat de (wijk)autoriteiten weten dat eiseres tot de Rohingya behoort en dat zij een donatie heeft gegeven aan een organisatie die Rohingya-vluchtelingen ondersteunt. Ook staat vast dat de eigenaar van Shine Construction Group als gevolg van de donaties, is opgepakt, berecht en vrijgesproken. Dit volgt ook uit objectieve en openbare bronnen. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank gelet op het voorgaande onvoldoende gemotiveerd dat eiseres niet hoeft te vrezen voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. De enkele stelling van verweerder dat de gebeurtenissen niet dermate ernstig van aard zijn dat vastgesteld kan worden dat eiseres in haar land van herkomst aan vervolging heeft blootgestaan of dat sprake was van ernstige schade in de zin van artikel 3 EVRM, is hiervoor onvoldoende. Dit mede gelet op hetgeen bekend is over de situatie van Rohingya in Myanmar. Het beroep slaagt.

8. De aanvraag is ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.050,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. E.I. Terborg-Wijnaldum, rechter, in aanwezigheid van mr. C.H. Gall, griffier.

De uitspraak is gedaan op:

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

1 Rapport nader gehoor, pagina 5, 6 en 7.