Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5865

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-06-2020
Datum publicatie
29-06-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 4354
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder gelet op alle feiten on omstandigheden zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de kans op wanordelijkheden en het belang van bescherming van de gezondheid het noodzakelijk maken de demonstartie te verbieden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/4354

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 juni 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening van

Stichting Viruswaarheid.nl, te Rotterdam

[verzoeker, sub 2] , te [woonplaats 1] ,

[verzoeker, sub 3] , te [woonplaats 2]

(gemachtigde mr. J.S. Pols),

tegen

de plaatsvervangend voorzitter van de veiligheidsregio Haaglanden, verweerder

(gemachtigden: mr. J. Bootsma en B.S. Jaasma).

Procesverloop

Op 10 juni 2020 heeft de gemachtigde van verzoekers, namens verzoekers, een kennisgeving gedaan van een demonstratie op 21 juni 2020 van 13:00 uur tot 17:00 uur op het Malieveld in Den Haag. De bedoeling is om met een groot publiek op een vreedzame wijze te laten zien dat de COVID-19-maatregelen van de regering onaanvaardbaar zijn.

Bij besluit van 19 juni 2020 heeft verweerder de demonstratie van verzoekers van 21 juni 2020 verboden ter bescherming van de gezondheid en ter voorkoming van wanordelijkheden.

Verzoekers hebben tegen dat besluit bezwaar gemaakt en ze hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen ten einde de demonstratie door te kunnen laten gaan. Bij uitspraak van 19 juni 2020 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De uitspraak is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, ECLI:NL:RBDHA:2020:5577.

Op 24 juni 2020 heeft [A] , namens verzoekers, een kennisgeving (hierna: de kennisgeving) gedaan van een demonstratie van 50.000 personen op zondag 28 juni 2020 van 13:00 tot 17:00 uur op het Malieveld in Den Haag. Het thema van de demonstratie is: ‘De vrijheid teruggeven aan de burger’.

Bij besluit van 26 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de demonstratie van verzoekers van 28 juni 2020 verboden.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter vrijdagmiddag 26 juni 2020 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen teneinde de demonstratie door te kunnen laten gaan.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. In verband met onverwijlde spoed en voldoende duidelijkheid van de standpunten van partijen heeft de voorzieningenrechter geen zitting gehouden. De voorzieningenrechter doet deze uitspraak daarom met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang in dit geval gegeven, nu de demonstratie is voorzien op 28 juni 2020.

3 Standpunt van verweerder in het bestreden besluit

3.1.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit de demonstratie verboden ter bescherming van de gezondheid en ter voorkoming van wanordelijkheden. Verweerder heeft gewezen op de anderhalve-meter-afstand-bepaling in de Noodverordening COVID-19 van de veiligheidsregio Haaglanden van 15 juni 2020. Verweerder heeft besloten de demonstratie te verbieden - kort samengevat - omdat het zeer realistisch is dat er 20.000 tot 50.000 personen aan de demonstratie zullen deelnemen. Een dermate groot aantal demonstranten past niet op het Malieveld, indien een onderlinge afstand van anderhalve meter moet worden aangehouden en er bovendien ruimte moet zijn voor personen om zich veilig over het veld te kunnen bewegen. Er moet ook nog ruimte overblijven voor de ordedienst van verzoekers en de aanwezige hulpdiensten.

Daarbij is verweerder uit informatie van de politie gebleken dat meerdere groeperingen plannen hebben om zich aan te sluiten bij de demonstratie, zoals een harde kern voetbalsupporters, Gele Hesjes, motorrijders / OMG leden en de actiegroep ‘Bouw in verzet’. Dit vergroot volgens verweerder het risico op wanordelijkheden en het niet kunnen aanhouden van de minimale onderlinge afstand van anderhalve meter door (al) de deelnemers aan de demonstratie. De demonstratie van verzoekers van 21 juni 2020 heeft tot ernstige wanordelijkheden geleid en massale overtreding van de anderhalve meter norm.

Verweerder acht het plaatsvinden van de demonstratie daarom niet verantwoord. De gezondheid en veiligheid van de bezoekers van het Malieveld kunnen onder deze omstandigheden niet gewaarborgd worden. Zelfs niet met massale politie-inzet. De kans bestaat dat mensen die part noch deel hebben aan eventuele ongeregeldheden hierbij betrokken raken. Dit geldt volgens verweerder temeer nu de politie bij een demonstratie van deze omvang niet of nauwelijks over voldoende veilige werkruimte beschikt. Hierdoor is het haast ondoenlijk om groepen personen goed van elkaar gescheiden te houden en al helemaal om hierbij de minimale afstand van anderhalve meter aan te houden. Verweerder acht het daarom noodzakelijk de demonstratie te verbieden. Verweerder ziet geen mogelijkheid om de demonstratie door te laten gaan in zodanig beperkte vorm - bijvoorbeeld beperkt in het aantal deelnemers of ten aanzien van het programma van de demonstratie - dat genoemde zorgen voldoende weggenomen worden, ook niet gehoord de toezegging van verzoekers om zich in te spannen voor een ordelijk verloop. Ook met een inbeperking blijft de kans zeer groot dat er vele duizenden personen op de demonstratie afkomen, waardoor ook de genoemde ernstige risico’s blijven bestaan.

4 Gronden verzoekschrift

4.1.

Verzoekers voeren ter onderbouwing van hun verzoek aan - kort samengevat - dat het bestreden besluit onvoldoende is onderbouwd. Omdat het recht op betoging niet kan worden ingeperkt met een Noodverordening, zal verweerder de beperkingen moeten onderbouwen. Verweerder kan niet volstaan met een verwijzing naar de in de Noodverordening vastgestelde regels. Verweerder heeft nagelaten te motiveren waaruit de bedreiging van de gezondheid bestaat en waarom het noodzakelijk is dat de deelnemers in verband met deze dreiging een onderlinge afstand van anderhalve meter dienen aan te houden. De verwijzing naar het COVID-19 virus is onvoldoende, omdat er op dit moment geen enkele bedreiging van uitgaat. Ter onderbouwing van deze stelling hebben verzoekers verwezen naar de kort geding-dagvaarding, uitgebracht 16 juni 2020 aan de staat en de inbreng van de kant van het RIVM tijdens de behandeling op 25 juni 2020. Zij stellen dat er op dit moment geen enkele bedreiging uitgaat van het virus en dat het virus niet gevaarlijker is dan een gemiddelde griepgolf. Zij wijzen op de demonstratie van Black Lives Matter (BLM) op 1 juni 2020 te Amsterdam waar 15.000 mensen aan deelnamen en demonstraties in Berlijn waar honderdduizenden mensen aan hebben deelgenomen. Er zijn geen aanwijzingen dat deze bijeenkomsten een gevaar voor de gezondheid vormden.

Verder voeren zij aan dat er sprake lijkt te zijn van een volledig verbod op demonstraties die gericht zijn tegen de COVID-19 maatregelen. Door Viruswaanzin is in meerdere steden een demonstratie aangemeld. Deze zijn allemaal verboden. Verweerder heeft echter wel een voor 20 juni 2020 aangemelde demonstratie voor BLM doorgang laten vinden, terwijl daar juist veel meer mensen op af hadden kunnen komen, gezien het verloop van de BLM demonstratie in Amsterdam op 1 juni 2020.

Verzoekers voeren aan dat een demonstratie niet kan worden verboden uitsluitend uit vrees voor wanordelijkheden. In dat geval zal de politie voorzorgsmaatregelen dienen te nemen om te zorgen dat het betogingsrecht daadwerkelijk kan worden uitgeoefend. Bovendien spannen zij zich in voor een vreedzaam verloop, onder meer door gesprekken met voetbalsupporters vooraf. Zij wijzen er op dat mensen toch bereid zijn een spontane demonstratie te houden en massaal naar het Malieveld komen. In dit verband wijzen zij op de legitimiteit van burgerlijke ongehoorzaamheid in situaties waarin op onrechtmatige wijze grondrechten beperkt worden.

5 Wettelijk kader

5.1.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) heeft een ieder recht op vrijheid van vreedzame vergadering.

Ingevolge het tweede lid mag de uitoefening van dit recht aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

5.2.

In artikel 9, eerste lid, van de Grondwet wordt het recht tot vergadering en betoging erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.

Ingevolge het tweede lid kan de wet regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

5.3.

Ingevolge artikel 2 van de Wom kunnen de bij of krachtens de bepalingen uit deze paragraaf aan overheidsorganen gegeven bevoegdheden tot beperking van het recht tot (…) vergadering en betoging, slechts worden aangewend ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

5.4.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wom, kan de burgemeester naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en beperkingen stellen of een verbod geven.

Ingevolge het tweede lid aanhef en onder c, kan een verbod slechts worden gegeven indien een van de in artikel 2 genoemde belangen dat vordert.

Ingevolge het derde lid kan een voorschrift, beperking of verbod geen betrekking hebben op de inhoud van hetgeen wordt beleden, onderscheidenlijk van de te openbaren gedachten of gevoelens.

5.5.

In artikel 39 eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet veiligheidsregio’s, is bepaald dat in geval van een ramp of crisis van meer dan plaatselijke betekenis de voorzitter van de veiligheidsregio ten behoeve van de rampenbestrijding en crisisbeheersing in de betrokken gemeenten bij uitsluiting bevoegd is toepassing te geven aan de artikelen 5 tot en met 9 van de Wet openbare manifestaties. Deze bepaling is relevant omdat het bestreden besluit is genomen door de voorzitter van de veiligheidsregio, in plaats van door de burgemeester zoals in de Wet openbare manifestaties (de Wom) is voorgeschreven.

6 Beoordeling

6.1.

Niet in geschil is dat ingevolge genoemde bepaling in artikel 39 van de Wet veiligheidsregio’s verweerder, de voorzitter van de veiligheidsregio Haaglanden, bevoegd is beslissingen te nemen als bedoeld in artikel 5 van de Wom.

6.2.

Het recht op betoging en het recht op vrijheid van meningsuiting zijn grondwettelijk en (wat betreft de betoging geformuleerd als recht op vrijheid van vergadering) verdragsrechtelijk beschermde mensenrechten en vrijheden. Dat betekent dat als uitgangspunt geldt dat iedereen vrij is om te betogen en zijn mening te uiten, ongeacht de locatie, tijd(sduur) en ongeacht het onderwerp daarvan. Voorafgaande toestemming is niet vereist. Wel mag de overheid deze rechten en vrijheden beperken. De overheid mag dit alleen maar als dit bij wet is voorzien en als daartoe een noodzaak bestaat. Het tweede lid van artikel 9 van de Grondwet schrijft voor dat de wet regels kan stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Regels als hier bedoeld zijn met name opgenomen in de Wom.

6.3.

In dat verband is van belang dat de Wom onderscheid maakt tussen het verbieden en het beperken van een betoging. Voor een verbod geldt ingevolge artikel 5, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wom dat het belang van de bescherming van de volksgezondheid of/en het voorkomen van wanordelijkheden het verbod moeten vorderen. Dat is een strenger criterium dan de maatstaf die geldt voor beperkingen die niet op een verbod neerkomen.

6.4.

Op grond van de artikelen 5, eerste lid, van de Wom heeft verweerder bij zijn bevoegdheid tot het stellen van beperkingen aan een betoging dan wel het verbieden van een betoging beoordelingsruimte. Dit betekent dat de voorzieningenrechter de wijze waarop verweerder van deze bevoegdheid gebruik maakt dan ook terughoudend moet toetsen.

6.5.

De voorzieningenrechter staat dus voor beantwoording van de vraag of verweerder de demonstratie heeft kunnen verbieden op de grond dat de bescherming van de gezondheid en de voorkoming van wanordelijkheden dat vorderen en dit voldoende heeft gemotiveerd.

6.6.

De voorzieningenrechter overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:899) volgt dat de bescherming van de gezondheid ook ziet op de gezondheid van de betogers zelf. Bij de grondwetsherziening noch bij de totstandkoming van de Wom is nader ingegaan op de precieze inhoud van dit doelcriterium. De regering heeft als voorbeeld genoemd dat het recht op betoging geen beletsel behoort te vormen om bijeenkomsten te verbieden wanneer dat ter bestrijding van een epidemie vereist is.

6.7

Partijen zijn het erover eens dat een beperking van het grondrecht van betoging moet rusten op een Wet in formele zin, met name de Wom. Ook zijn zij het erover eens dat verweerder moet motiveren waarom de bescherming van de gezondheid en het voorkomen van wanordelijkheden het verbod van de betoging nodig maken.

6.8.

Verweerder heeft ter onderbouwing van het verbod naar voren gebracht dat ter bescherming van de gezondheid door de overheid maatregelen worden genomen om verdere verspreiding van het COVID-19 virus tegen te gaan. Ter uitvoering van opdrachten van de rijksoverheid heeft hij de Noodverordening COVID-19 veiligheidsregio Haaglanden 15 juni 2020 vastgesteld. De rechtbank volgt verweerder in zijn toelichting in het verweerschrift dat verweerder het verbod niet heeft gebaseerd op de Noodverordening maar op het kabinetsbeleid ten aanzien van het virus (welk kabinetsbeleid ook leidde tot de noodverordening). Aan het kabinetsbeleid liggen inschattingen ten grondslag. Verweerder heeft in bijlage 3 bij het verweerschrift de achtergronden van het overheidsbeleid geschetst. Daaruit blijkt dat de Wereldgezondheidsorganisatie (hierna: WHO) op 11 maart 2020 de uitbraak van het virus tot een pandemie verklaarde en de lidstaten van de Europese regio heeft opgeroepen alles te doen wat nodig is in hun nationale context om verspreiding van het virus tegen te gaan. Verder is uiteengezet hoe het kabinet zich via de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport laat adviseren. Daarin speelt het medisch-epidemologisch advies van deskundigen van het Outbreak Management Team (OMT) een belangrijke rol. De directeur van het Centrum Infectieziektenbestrijding van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu kan het OMT bijeenroepen. Het kabinet vraagt via de Minister van VWS aan het OMT advies. In zijn advies van 23 juni 2020 aan de minister heeft het OMT tot versoepeling van (bewegings)beperkende maatregelen geadviseerd, maar ook geadviseerd om anderhalve meter afstand te blijven houden. Over maximale groepsgrootte zegt het OMT dat hoe groter een groep is, des te meer kans dat COVID-19-ziektegevallen zich voordoen. Het kabinet heeft - voor zover hier van belang - het advies van het OMT tot de versoepelingen en continuering van de regel om anderhalve meter afstand te bewaren per 1 juli 2020 overgenomen.

6.9.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder gezien het kabinetsbeleid terecht heeft bezien of de deelnemers en de personen die de demonstratie faciliteren anderhalve meter in acht kunnen nemen.

6.10.

De voorzieningenrechter overweegt dat een voorlopige voorzieningsprocedure zich er niet voor leent om aan de hand van de inhoud van een zeer uitgebreide dagvaarding in kort geding, waarin de civiele voorzieningenrechter nog geen uitspraak heeft gedaan, de wetenschappelijke waarden van de adviezen van het OMT te beoordelen.

De voorzieningenrechter ziet in de herhaling van de gronden van verzoekers, - kortgezegd dat het coronavirus niet gevaarlijker is dan een gemiddelde griepgolf, niet meer vastgesteld kan worden of het virus überhaupt nog in Nederland is en het zoals alle seizoensgebonden virussen verdwijnt na een paar maanden - geen aanleiding anders te oordelen dan de voorzieningenrechter in voornoemde uitspraak van 19 juni 2020 heeft gedaan. De voorzieningenrechter heeft daarin geoordeeld dat zij in die gronden geen aanleiding ziet om de verwijzing van verweerder naar het COVID-19 virus en de daarbij behorende maatregelen onvoldoende te achten als motivering van het belang van de bescherming van gezondheid.

6.11.

Verder overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat bij de verwachte opkomst van 20.000 tot 25.000 deelnemers op het Malieveld het niet mogelijk is een veilige afstand tot elkaar te behouden. Ook verzoekers lijken niet te betwisten dat 20.000 mensen op het Malieveld onderling geen anderhalve afstand van elkaar in acht kunnen nemen.

6.12.

Gelet op het verwachte aantal deelnemers is naar zeer hoge waarschijnlijkheid handhavend optreden van de politie nodig. De kans op fysiek contact bij handhaving is groot. Daarmee komt de gezondheid/veiligheid van de demonstranten, omstanders en de politiemedewerkers in het gedrang. De politie moet voldoende veilige werkruimte hebben in het geval van ongeregeldheden of calamiteiten. Verweerder stelt dat de politie bij een demonstratie van deze omvang niet of nauwelijks over voldoende veilige werkruimte beschikt. Verzoekers hebben dit niet bestreden.

6.13.

Verweerder heeft zich voorts op het standpunt kunnen stellen dat, nu uit informatie van de politie is gebleken dat meerdere groeperingen plannen hebben om zich aan te sluiten bij de demonstratie en gelet op de ervaringen met (demonstratieve acties van) deze groeperingen, het risico op wanordelijkheden en het niet kunnen aanhouden van anderhalve meter afstand wordt vergroot. Daarbij heeft verweerder kunnen verwijzen naar de onrustig verlopen demonstratie van 21 juni 2020, waarbij ongeregeldheden hebben plaatsgevonden en de politie heeft moeten optreden. Bij die demonstratie is ook gebleken dat de aanwezigen op het Malieveld zich niet aan de anderhalve meter norm hebben gehouden. Ook dit hebben verzoekers niet bestreden.

6.14.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder gelet op alle feiten en omstandigheden zich op het standpunt kunnen stellen dat de kans op wanordelijkheden en het belang van bescherming van de gezondheid het noodzakelijk maken de demonstratie te verbieden. Verweerders standpunt dat hij geen mogelijkheden tot inperking van de demonstratie ziet zodat een verbod niet noodzakelijk is acht de voorzieningenrechter, ook gelet op de zeer korte termijn waarop die inperking(en) gerealiseerd dienen te worden, ook deugdelijk onderbouwd.

6.15.

Voor zover verzoekers een beroep op het gelijkheidsbeginsel hebben gedaan door te stellen dat verweerder de demonstratie van BLM niet heeft verboden overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is vereist dat sprake is van rechtens vergelijkbare gevallen die ongelijk worden behandeld. Het ligt daarbij op de weg van degene die zich op het gelijkheidsbeginsel beroept te onderbouwen waarin de gelijkheid bestaat. Het enkele betoog dat andere demonstraties wel zijn toegestaan, is zonder nadere onderbouwing onvoldoende voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel.

6.16.

Anders dan verzoekers betogen is de rechtbank niet gebleken dat het onderwerp van de demonstratie aanleiding is om de demonstratie te verbieden. Verweerder heeft deugdelijk gemotiveerd waarom het niet verantwoord is de demonstratie door te laten gaan en de demonstratie aldus heeft verboden.

7. Naar verwachting zal het bestreden besluit in bezwaar in stand blijven, zodat de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dan ook af.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van Y.E. de Loos, griffier. Het dictum is telefonisch aan partijen meegedeeld op 27 juni 2020 omstreeks 12:00 uur. De beslissing is verzonden op onderstaande datum.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.