Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5809

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-06-2020
Datum publicatie
29-06-2020
Zaaknummer
NL20.10766
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

8:57 uitspraak, Dublin Frankrijk. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Noord-Holland

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.10766


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. P.R. van de Water),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. D.L. Boer).

Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft de voorzieningenrechter voorts verzocht om een voorlopige voorziening (NL20.10767).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft toestemming verleend om zonder een zitting, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), uitspraak te doen. Omdat eiser, nadat hij is gewezen op zijn recht ter zitting te worden gehoord, niet heeft verklaard dat hij gebruik wil maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en van Soedanese nationaliteit te zijn.

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.

3. Eiser stelt dat dat in Frankrijk sprake is van aan het systeem gerelateerde

tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die ernstige, op

feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat eiser daar een reëel risico zal

lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van het

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Eiser heeft verklaard zelf slachtoffer te zijn geworden van het tekort aan opvangmogelijkheden. Hij heeft weliswaar ‘in het begin’ opvang gekregen, maar alleen toen hij zich voor het eerst in Frankrijk heeft gemeld in 2016. Na zijn vertrek uit Frankrijk heeft hij toen hij terugkeerde geen opvang meer gekregen, ondanks dat hij daar wel recht op had. Ook de asielprocedure in Frankrijk kent tekortkomingen. Zo is de toegang tot de asielprocedure voor Dublinterugkeerders op papier wel geregeld, maar levert het in de praktijk voor mensen grote problemen op om daadwerkelijk gebruik te kunnen maken van de faciliteiten of zelfs om toegang te krijgen tot de procedure. In de praktijk is het vooral het Rode Kruis dat ervoor zorgt dat in ieder geval een deel van de terugkeerders hun weg kan vinden in Frankrijk. En zelfs als ze lukt om deze drempels te overwinnen, blijkt dat men de eerste maanden geen aanspraak kan maken op medische voorzieningen.

Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar informatie van Vluchtelingenwerk Nederland van 15 mei 2020 waarin onder meer een weergave wordt gegeven van het rapport van AIDA van april 2020 over de positie van Dublinterugkeerder in Frankrijk.

4. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan. De rechtbank is van oordeel dat eiser daarin niet is geslaagd. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
Al in eerdere uitspraken heeft deze rechtbank zich uitgelaten over beroepen van zogenoemde Dublinterugkeerders naar Frankrijk, waarbij een beroep gedaan is op een rapport van AIDA. In bijvoorbeeld een uitspraak van 10 juni 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:5177) heeft de rechtbank met betrekking tot een beroep van een Dublinterugkeerder op een rapport van 20 maart 2019 van AIDA geoordeeld dat daaruit weliswaar blijkt dat er problemen zijn met de opvang in Frankrijk en dat sommige Dublinterugkeerders lang moeten wachten voordat ze een afspraak krijgen, maar dat het rapport onvoldoende aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk op grond waarvan niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Naar het oordeel van de rechtbank schetst het AIDA rapport van april 2020 ten opzichte van het rapport van maart 2019 geen slechter beeld van de situatie in Frankrijk ten aanzien van de opvangvoorzieningen en de asielprocedure in Frankrijk. Uit het AIDA-rapport van april 2020 komt veeleer naar voren dat aan asielzoekers in Frankrijk wel opvang wordt geboden ook aan Dublinclaimanten – en dat de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag en de asielprocedure afhangt van de prefectuur waar de Dublinterugkeerder naartoe moet. Uit het claimakkoord van eiser blijkt dat eiser zich na aankomst moet melden in de ‘préfecture des Alpes Maritimes’. Gesteld noch gebleken is dat Dublinterugkeerders bij die prefectuur geen opvang krijgen of dat de asielprocedure daar lang duurt. Voor zover dat wel aan de orde is en eiser na overdracht aan Frankrijk geen opvang krijgt of zijn asielprocedure lang duurt, overweegt de rechtbank dat hij daarover dient te klagen bij de (hogere) Franse autoriteiten of geëigende instanties.

4.1

Ook de overige openbare informatie waarop eiser zich beroept zoals het artikel van Artsen Zonder Grenzen van 29 november 2019, het artikel van de New York Times van 6 november 2019, het artikel van France 24 van 26 april 2019, het rapport van ECRE over huisvesting van asielzoekers van 2019 en het artikel van de Independent van 6 november 2019, het rapport van het US Department of State (USDOS) van 11 maart 2020 en het rapport van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties van 3 maart 2020, biedt geen grond voor het oordeel dat Dublinterugkeerders in Frankrijk geen toegang hebben tot opvang. Bovendien heeft eiser zelf verklaard tot aan zijn afwijzing opvang te hebben gekregen. De stelling dat hij alleen toen hij zich in 2016 voor het eerst in Frankrijk heeft gemeld opvang heeft gekregen maar daarna niet meer, heeft hij niet nader onderbouwd. Ook blijkt uit de overgelegde informatie niet dat de asielprocedure in Frankrijk niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen of dat eiser zich bij het ervaren van problemen met het toegang krijgen tot of de duur van de asielprocedure niet zou kunnen klagen bij de (hogere) autoriteiten in Frankrijk.

4.2

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat verweerder in hetgeen eiser heeft aangevoerd terecht geen concrete aanwijzing heeft gezien dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen jegens eiser niet nakomt. Verweerder heeft in wat eiser heeft aangevoerd dan ook geen grond hoeven zien de behandeling van eisers asielverzoek (onverplicht) aan zich te trekken op grond van artikel 17 Dublinverordening.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier.

De uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op:

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.